ECLI:NL:RBMNE:2025:6430

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
UTR 25/3999
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake omgevingsvergunning voor bedrijfsmatig stallen van caravans met betrekking tot bestemmingsplan en overgangsrecht

In deze tussenuitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, gedateerd 27 november 2025, wordt een geschil behandeld over de aanvraag van eiser voor een omgevingsvergunning voor het zelfstandig en bedrijfsmatig stallen van caravans op zijn perceel. Eiser had op 19 juni 2020 een vergunning aangevraagd, maar het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht heeft deze aanvraag uiteindelijk geweigerd. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat, omdat het college ten onrechte heeft aangenomen dat het zelfstandig bedrijfsmatig gebruik van de schuur op grond van het overgangsrecht niet is toegestaan. De rechtbank stelt het college in de gelegenheid om het motiveringsgebrek te herstellen. Eiser heeft aangevoerd dat het gebruik van de schuur als caravanstalling al sinds 1950 plaatsvindt en dat dit gebruik onder het overgangsrecht valt. De rechtbank concludeert dat het college impliciet vrijstelling heeft verleend voor het bedrijfsmatig gebruik van de schuur, en dat het college daarom een vergunning had moeten verlenen. De rechtbank geeft het college zes weken de tijd om het gebrek te herstellen en houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3999
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R. Visser),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht(het college), verweerder
(gemachtigde: mr. S. Ralović).

Procesverloop

1. Op 19 juni 2020 heeft eiser een omgevingsvergunning voor het zelfstandig en bedrijfsmatig stallen van caravans op zijn perceel aan de [adres 1] , in afwijking van het bestemmingsplan, aangevraagd. Met zelfstandig gebruik bedoelt eiser gebruik dat niet in verbinding staat tot de woonfunctie op het naastgelegen perceel aan de [adres 2] , van welk perceel eiser ook eigenaar is. In de ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag heeft eiser gemotiveerd dat de aanvraag ziet op het gebruik van het perceel, inclusief de daarop bevindende opstallen, waaronder een schuur.
2. Omdat een besluit op de aanvraag uitbleef, heeft eiser het college in gebreke gesteld. De rechtbank heeft het college, na een beroep niet-tijdig beslissen, bij uitspraak van 17 maart 2021 opgedragen om binnen twaalf weken op de aanvraag te beslissen. [1] De rechtbank heeft bij het bepalen van deze termijn rekening gehouden met het gegeven dat op de aanvraag de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is.
3. Bij besluit van 16 februari 2022 (het primaire besluit) heeft het college met de reguliere voorbereidingsprocedure een tijdelijke omgevingsvergunning aan eiser verleend voor het bedrijfsmatig stallen van auto’s en caravans, in afwijking van het bestemmingsplan, voor een periode van tien jaar.
4. Tegen de omgevingsvergunning heeft eiser bezwaar gemaakt, omdat eiser niet heeft verzocht om een tijdelijke vergunning en het college vergunning heeft verleend voor ander gebruik dan is aangevraagd. Met de beslissing op bezwaar van 15 februari 2023 heeft het college het primaire besluit herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.
5. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 2 november 2023 uitspraak gedaan en geoordeeld dat het college de weigering ten onrechte heeft voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure, terwijl hierop de uitgebreide procedure van toepassing is. De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar van 15 februari 2023 om deze reden vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen. [2]
6. Omdat een nieuw besluit op bezwaar uitbleef, heeft eiser opnieuw beroep niet-tijdig beslissen bij de rechtbank ingesteld. Bij uitspraak van 28 maart 2025 heeft de rechtbank het college opgedragen om binnen twee weken te beslissen op het bezwaar van eiser. De rechtbank heeft bepaald dat het college een dwangsom moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nog verder wordt overschreden. [3]
7. Met het besluit van 22 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de omgevingsvergunning met toepassing van de uitgebreide procedure geweigerd.
8. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
9. De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2025 op een zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [planoloog] (planoloog).

Overwegingen

Wet- en regelgeving
10. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met onderliggende regelingen nog van toepassing. [4]
11. Het perceel van eiser valt onder het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Maarssen’ (bestemmingsplan) en heeft gedeeltelijk de bestemming ‘ [nummer] ’ en gedeeltelijk de bestemming ‘Tuin’. Op het perceel zijn ook gedeeltelijk de gebiedsaanduidingen ‘other: bethunepolder’ en ‘milieuzone- waterwingebied’ van toepassing. Op de plankaart van het bestemmingsplan is een relatie tussen de bestemming ‘ [nummer] ’ met het perceel aan de [adres 2] gelegd, waarop een woning binnen het bouwvlak is gebouwd. De gebouwde schuur binnen de bestemming ‘ [nummer] ’ is als gevolg van de relatie in het bestemmingsplan en het ontbreken van een bouwvlak bestemd als bijgebouw bij de woning. Zelfstandig gebruik van de schuur is daarom in strijd met het bestemmingsplan. Daarnaast is ook een bedrijfsmatige functie in strijd met de bestemmingen ‘ [nummer] ’ en ‘Tuin’.
12. Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheid om daarvan af te wijken ten behoeve van het door eiser beoogde gebruik. Ook valt de aanvraag niet onder een van de categorieën uit de kruimelgevallenregeling. [5] Dat betekent dat het college de aangevraagde vergunning alleen kan verlenen indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. [6] De Wabo bepaalt dat in die situatie de uitgebreide procedure van toepassing is. [7] Die procedure is ook van toepassing op een weigering. Omdat de uitgebreide procedure van toepassing is, heeft het college een ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Het college heeft van eiser een zienswijze op de voorgenomen weigering ontvangen en daarop in de nota van zienswijzen gereageerd.
13. Het college heeft de aanvraag getoetst aan het Afwijkingenbeleid 2014 van de gemeente Stichtse Vecht, waarin voorwaarden voor vergunningverlening zijn opgenomen. Een van die voorwaarden is dat de activiteit moet passen binnen de geldende of in ontwerp neergelegde visies en beleidskaders van de gemeente, provincie en het rijk. [8] Andere voorwaarden zijn onder meer dat de aanwezige stedenbouwkundige, cultuurhistorische of landschappelijke waarden van het gebied niet nadelig worden beïnvloed en dat de ontwikkeling voldoet aan de wettelijke eisen ten aanzien van milieu.
Het bestreden besluit
14. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de aanvraag om meerdere redenen niet voldoet aan de in het afwijkingenbeleid genoemde voorwaarden. Zo is de aanvraag volgens het college in strijd met het verstedelijkingsverbod, neergelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Daarnaast wordt volgens het college niet voldaan aan de richtafstand voor milieuzonering. Ook is volgens het college met de ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag niet gebleken dat de bijzondere waarden van het gebied niet onevenredig worden geschaad. Daarbij neemt het college in aanmerking dat het gebied een bijzondere status heeft, omdat het deel uitmaakt van het Natuur Netwerk Nederland en onder meer is aangewezen als stiltegebied en grondwaterbeschermingsgebied.
Standpunten eiser en het college
15. Eiser voert aan dat zelfstandig gebruik van het perceel als bedrijfsmatige caravanstalling al sinds 1950 onafgebroken plaatsvindt. Omdat sprake is van onafgebroken gebruik, valt het gebruik volgens eiser onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan. Om die reden komt het college volgens eiser niet toe aan een beoordeling of hij medewerking wil verlenen aan afwijken van het bestemmingsplan.
16. Eiser onderbouwt zijn standpunt met de op 30 mei 1989 verleende vergunning voor het bouwen van een schuur op het perceel voor het stallen van toercaravans in de winterperiode. De voorschriften van deze vergunning stellen volgens eiser geen beperkingen aan het gebruik. Met de bouwvergunning heeft het college volgens eiser bovendien impliciet vrijstelling van het toen ter plaatse geldende bestemmingsplan verleend voor het zelfstandig bedrijfsmatig gebruik van de schuur als caravanstalling. Eiser heeft op de zitting toegelicht dat op grond van die vergunning tientallen caravans van derden in de schuur werden gestald. In aanvulling hierop voert eiser aan dat zelfstandig bedrijfsmatig gebruik van de schuur als stallingsruimte niet in strijd is met het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Maarssen’ (1992), zodat het gebruik ook om deze reden onder het overgangsrecht valt. De aanvraag ziet volgens eiser dus uitsluitend op het bevestigd krijgen van bestaande gebruiksrechten. In ruimtelijke zin heeft de aanvraag nauwelijks effect op de fysieke leefomgeving, aldus eiser. De stellingname van het college dat de schuur in 2018 door eiser is vergroot en dat om die reden sprake is van een verruiming van het gebruik, is volgens eiser onjuist.
17. Het college stelt dat ten tijde van de bouwvergunning, verleend door de toenmalige gemeente [plaats] , het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 1e herziening’ uit 1985 gold, waarin het perceel geen zelfstandige bedrijfsbestemming had. Met de bouwvergunning is volgens het college geen zelfstandig gebruik, in afwijking van het bestemmingsplan, vergund. Ook het beroep op het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Maarssen’ (1992) slaagt volgens het college niet. In dit bestemmingsplan had de schuur de bestemming ‘garages en bergplaatsen’. Uit de planregels volgt dat deze gronden zijn aangewezen voor de stalling van vervoersmiddelen en de berging van niet voor de handel bestemde goederen. [9] Daaruit blijkt volgens het college niet van een zelfstandige bedrijfsmatige functie. Het aangevraagde gebruik valt volgens het college dus niet onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan.
Beoordeling door de rechtbank
18. Het overgangsrecht van het bestemmingsplan houdt in dat het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. [10] Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet iemand die zich op het overgangsrecht beroept de feiten en omstandigheden waarop dat beroep berust aannemelijk maken. [11] In dit kader heeft eiser een beroep gedaan op de bouwvergunning van 30 mei 1989 en het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Maarssen’ (1992).
19. De eerste vraag die voorligt, is of het college, met de op 30 mei 1989 verleende bouwvergunning voor het vernieuwen van de schuur, impliciet vrijstelling heeft verleend voor – met het destijds geldende bestemmingsplan strijdig – zelfstandig bedrijfsmatig gebruik van de schuur. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat daarvoor bepalend is of uit de bouwaanvraag zonder meer kan worden afgeleid dat het bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan zal worden gebruikt en het college, zich bewust van het voorgenomen gebruik, de vergunning in weerwil van de planvoorschriften heeft verleend. [12] In de aanvraag van de vergunning staat vermeld dat de schuur wordt gebruikt voor het stallen van toercaravans in de winterperiode en dat het gebruik na het vernieuwen niet gewijzigd zal worden. Verder staat in de aanvraag bij “tegenwoordig gebruik” “bedrijfsruimte” aangekruist en bij “bedrijfssoort” is aangegeven dat het om “stalling” gaat. Naar het oordeel van de rechtbank kan daaruit zonder meer worden afgeleid dat de schuur waarvoor bouwvergunning werd aangevraagd, zou worden gebruikt voor het bedrijfsmatig stallen van caravans. Ook het college heeft dat ter zitting bevestigd. Tussen partijen staat dan ook niet ter discussie dat de bouwvergunning voorziet in een impliciete vrijstelling voor bedrijfsmatig gebruik van de schuur.
20. De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of met de bouwvergunning ook een impliciete vrijstelling is verleend voor
zelfstandigbedrijfsmatig gebruik van de schuur. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Nergens uit de aanvraag – of de naar aanleiding daarvan verleende bouwvergunning – blijkt dat het bedrijfsmatig stallen van caravans ten behoeve van het naastgelegen perceel [adres 2] zou (moeten) gaan plaatsvinden. Als dat wel was beoogd, had het voor de hand gelegen dat dit expliciet in de aanvraag of vergunning zou zijn vermeld. Bij gebreke daarvan moest het college zich er naar het oordeel van de rechtbank van bewust zijn dat met het voorgenomen bedrijfsmatige gebruik
zelfstandigbedrijfsmatig gebruik was beoogd. Het college heeft met de bouwvergunning voor de schuur dus impliciet vrijstelling voor zelfstandig bedrijfsmatig gebruik als caravanstalling verleend. Dit gebruik valt daardoor onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan. Dat de schuur op enig moment in tijd mogelijk is verbouwd en vergroot maakt het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het vrijgestelde gebruik niet anders.
21. Het bestreden besluit bevat op dit punt een gebrek, omdat het college bij de beoordeling van de ruimtelijke effecten van de huidige aanvraag er ten onrechte van uit is gegaan dat zelfstandig bedrijfsmatig gebruik van de schuur op dit moment nog niet – op grond van het overgangsrecht – is toegestaan. Dat leidt ertoe dat de beroepsgrond slaagt. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling of het aangevraagde gebruik van de schuur ook onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Maarssen (1992)’ valt.
22. Omdat het gebruik van de schuur als zelfstandige en bedrijfsmatige caravanstalling onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan valt, en daarmee dus niet in strijd is, is bij een aanvraag voor dat gebruik sprake van een gebonden beschikking. Dat betekent dat het college, in de situatie dat slechts vergunning was aangevraagd voor gebruik van de schuur, een vergunning had moeten afgeven. De aanvraag van eiser is echter breder. Eiser heeft niet alleen vergunning aangevraagd voor het gebruik van de schuur, maar voor het gebruik van het gehele perceel, en dus ook de omliggende gronden met de bestemming ‘Tuin’. Een zelfstandige bedrijfsmatige functie op deze gronden valt niet onder het overgangsrecht en is in strijd met het bestemmingsplan. Dat brengt mee dat het college uitsluitend voor het gebruik van die gronden een ruimtelijke afweging had moeten maken.
Verklaring van geen bedenkingen
23. Eiser heeft nog aangevoerd dat het college zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag van eiser geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad nodig is. Volgens eiser had de gemeenteraad wel om een verklaring moeten worden gevraagd, omdat het bestreden besluit een weigering betreft. Eiser had zijn aanvraag aan de gemeenteraad willen voorleggen en bij de vergadering door de gemeenteraad willen inspreken.
24. Het uitgangspunt bij toepassing van de uitgebreide procedure is dat in beginsel een verklaring van geen bedenkingen aan de gemeenteraad wordt gevraagd. [13] De gemeenteraad is het bevoegde orgaan tot het vaststellen van een bestemmingsplan. Bij een aanvraag om af te wijken van het bestemmingsplan heeft de gemeenteraad om die reden inspraak. De gemeenteraad is bevoegd om categorieën aan te wijzen wanneer een verklaring van geen bedenkingen niet vereist is. [14] Dat heeft de gemeenteraad in dit geval gedaan met de ‘Algemene verklaring van geen Bedenkingen’. Categorie II.d uit de verklaring luidt dat geen verklaring van geen bedenkingen vereist is in geval van realisering van functiewijzigingen van bestaande opstallen met bijbehorende gronden, de daaruit voorkomende bouwactiviteiten alsmede uitbreiding van bestaande functies. Het gebruik van de gronden met de bestemming ‘Tuin’ voor een zelfstandige bedrijfsmatige functie is een dergelijke functiewijziging, zodat geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad nodig is. De rechtbank is van oordeel dat de algemene verklaring van de gemeenteraad geldt voor alle aanvragen die met de uitgebreide procedure worden voorbereid, ongeacht de uitkomst van de vergunningverlening.
25. De rechtbank stelt vast dat in de algemene verklaring, in werking getreden op 21 maart 2023, is besloten dat deze ook van toepassing is op aanvragen om omgevingsvergunningen die op een eerdere datum zijn ingediend en waarvan nog geen ontwerpvergunning ter inzage is gelegd. Dit betekent dat de algemene verklaring van toepassing is, ondanks dat de aanvraag van eiser is ingediend voor de inwerkingtreding van de verklaring. Het college heeft het bestreden besluit dus kunnen nemen zonder de gemeenteraad om een verklaring van geen bedenkingen te vragen.
Tussenuitspraak
26. Zoals in rechtsoverweging 21 is overwogen bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek. De rechtbank kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. [15] De rechtbank doet dan een tussenuitspraak. [16] De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.
27. Om het gebrek te herstellen, moet het college motiveren waarom geen omgevingsvergunning strijdig gebruik voor een zelfstandige bedrijfsmatige caravanstalling op het gedeelte van het perceel met de bestemming ‘Tuin’ wordt verleend, ondanks dat het zelfstandig bedrijfsmatig gebruik van de schuur op grond van het overgangsrecht is toegestaan. Het college kan het gebrek ook herstellen door de gevraagde omgevingsvergunning alsnog aan eiser te verlenen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
28. Het college moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. [17] Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
29. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

4.Artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
5.Artikel 4 bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).
6.Artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
7.Artikel 3.10 van de Wabo.
8.Afwijkingenbeleid gemeente [adres 3] , artikel 4.3.
9.Artikel 27 van de planregels.
10.Artikel 35.2 van de planregels.
11.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:236, rechtsoverweging 2.1.
12.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1784 en 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3105.
13.Artikel 2.27, derde lid, van de Wabo en artikel 6.5 van het Bor.
14.Artikel 6.5, derde lid, van het Bor.
15.Artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
16.Artikel 8:80a van de Awb
17.Artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb.