In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek aan verweerder om een eerdere afwijzende beslissing te herzien. Eiser had op 31 mei 2024 een aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend, welke door verweerder op 9 augustus 2024 buiten behandeling was gesteld. Eiser heeft vervolgens aanvullende stukken ingediend, die door verweerder als een herzieningsverzoek zijn aangemerkt. Het herzieningsverzoek werd echter op 27 november 2024 afgewezen, waarop eiser beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat verweerder geen toepassing mocht geven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, omdat de aanvraag van eiser niet was afgewezen, maar buiten behandeling was gesteld. Dit betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het herzieningsverzoek, waarbij alle relevante stukken van eiser betrokken moeten worden.
Daarnaast moet verweerder het griffierecht en de proceskosten aan eiser vergoeden. De rechtbank concludeert dat het beroep gegrond is, omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 4:6, tweede lid, van de Awb. Eiser heeft recht op een vergoeding van € 1.814,- voor proceskosten en € 6,84 voor reiskosten.