ECLI:NL:RBMNE:2025:3253

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 juni 2025
Publicatiedatum
4 juli 2025
Zaaknummer
UTR 25/2247
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herzieningsverzoek n.a.v. afwijzing bijstandsuitkering met toepassing van artikel 4:5 van de Awb

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek aan verweerder om een eerdere afwijzende beslissing te herzien. Eiser had op 31 mei 2024 een aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend, welke door verweerder op 9 augustus 2024 buiten behandeling was gesteld. Eiser heeft vervolgens aanvullende stukken ingediend, die door verweerder als een herzieningsverzoek zijn aangemerkt. Het herzieningsverzoek werd echter op 27 november 2024 afgewezen, waarop eiser beroep instelde.

De rechtbank oordeelt dat verweerder geen toepassing mocht geven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, omdat de aanvraag van eiser niet was afgewezen, maar buiten behandeling was gesteld. Dit betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het herzieningsverzoek, waarbij alle relevante stukken van eiser betrokken moeten worden.

Daarnaast moet verweerder het griffierecht en de proceskosten aan eiser vergoeden. De rechtbank concludeert dat het beroep gegrond is, omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 4:6, tweede lid, van de Awb. Eiser heeft recht op een vergoeding van € 1.814,- voor proceskosten en € 6,84 voor reiskosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2247

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. H.A. van der Kleij),
en

Het dagelijks bestuur van de RDWI, Regionale Sociale Dienst, verweerder

(gemachtigde: A.G. Hoekerd).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek aan verweerder om een eerdere afwijzende beslissing te herzien.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 31 mei 2024 een aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 9 augustus 2024 door verweerder buiten behandeling gesteld.
2.1.
Op 11 november 2024 heeft eiser aanvullende stukken aan verweerder gestuurd in verband met zijn aanvraag van 31 mei 2024. Bij brief van 14 november 2024 heeft verweerder eiser bericht dat deze aanvullende stukken worden aangemerkt als een herzieningsverzoek. Bij brief van 18 november 2024 heeft de toenmalige gemachtigde van eiser bevestigd dat hij op 11 november 2024 een herzieningsverzoek heeft gedaan.
2.2.
Bij besluit van 27 november 2024 (het bestreden besluit) is het herzieningsverzoek van eiser afgewezen. Bij brief van 19 december 2024 heeft verweerder eiser toestemming verleend om rechtstreeks beroep in te stellen tegen het bestreden besluit. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.
2.3.
Het onderzoek ter zitting, samen met de behandeling van zaaknummer UTR 24 / 7382 PW, plaatsgevonden op 3 april 2025. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het standpunt van eiser
3. Eiser voert in beroep aan dat hij al in juni en juli 2024 alle relevante gegevens, onder meer brieven en bankafschriften, die voor de beoordeling van zijn aanvraag nodig waren heeft aangeleverd. Eiser stelt dat hij heeft voldaan aan de inlichtingenplicht van artikel 17 Participatiewet (Pw). De behandeling van het herzieningsverzoek door verweerder heeft in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel plaatsgevonden omdat verweerder sinds juni/juli 2024 beschikte over alle benodigde, relevante stukken. De opdracht aan eiser om deze gegevens in de herzieningsprocedure (verder) aan te vullen was daarom misplaatst. Daarnaast heeft verweerder, bij de uitvraag van relevante gegevens bij eiser, ten onrechte gebruik gemaakt van standaardbrieven. Er is niet voldaan aan de vereisten van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het besluit van 9 augustus 2024 geen afwijzende beschikking is. Eiser was daarom niet gehouden om nieuw gebleken feiten en/of veranderde omstandigheden te vermelden. Voorts handelt verweerder in strijd met vaste jurisprudentie op grond waarvan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb niet kan worden toegepast indien er al toepassing is gegeven aan artikel 4:5, eerste lid, van de Awb. Bij het handhaven van de buitenbehandelingstelling diende verweerder alle gegevens en bescheiden die tot en met 27 november 2024 waren aangeleverd te betrekken. Tot slot verwijst eiser naar en herhaalt eiser de gronden van beroep die in het kader van het beroep niet-tijdig beslissen reeds naar voren zijn gebracht.
Het standpunt van verweerder
4. Verweerder stelt zich in het besluit van 27 november 2024 op het standpunt dat de inhoudelijke discussie over de aanvraag van eiser is gesloten omdat hij geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de buitenbehandelingstelling van 9 augustus 2024. De argumenten die eiser in het herzieningsverzoek aanvoert, zijn volgens verweerder geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden omdat deze ten tijde van de behandeling van de aanvraag al bekend waren en in het besluit van 9 augustus 2024 al door verweerder beoordeeld zijn. Dat eiser het niet eens is met het besluit van 9 augustus 2024 is ook geen nieuw gebleken feit of omstandigheid. Eiser heeft daarnaast geen gehoor gegeven aan de oproep van verweerder om de ontbrekende gegevens tijdens de herzieningsprocedure in november 2024 aan te leveren zodat de aanvraag van 31 mei 2024 alsnog in behandeling kon worden genomen. Verweerder wijst de herzieningsaanvraag af en het besluit van 9 augustus 2024 blijft in rechte vaststaan.
Mocht verweerder toepassing geven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb?
5. De rechtbank stelt voorop wanneer de termijn voor bezwaar, beroep of hoger beroep over een besluit ongebruikt is verstreken of als het gebruik van rechtsmiddelen niet heeft geleid tot herroeping of vernietiging van dat besluit, dat besluit in rechte vaststaat. Een bestuursorgaan kan er dan voor kiezen om een verzoek om terug te komen van een dergelijk besluit of om dat te herzien zonder onderzoek af te wijzen, als bij dat verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn vermeld. Het bestuursorgaan hoeft dan bij de afwijzing van het verzoek in beginsel alleen te verwijzen naar dat eerdere besluit. Het bestuursorgaan doet het verzoek dan op deze vereenvoudigde manier af met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval echter geen toepassing mocht geven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Hiervoor is van belang dat met het besluit van 9 augustus 2024 de aanvraag van eiser om een bijstandsuitkering niet is afgewezen maar met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling is gesteld. In zoverre naar dit besluit wordt verwezen is er daarom geen sprake van een eerder afwijzend besluit. [1] Dit betekent dat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 4:6, tweede lid, van de Awb alleen hierom al niet in stand kan blijven. De beroepsgrond slaagt en de overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op het herzieningsverzoek van eiser.
5.2.
Bij het nemen van een nieuw besluit zal verweerder de door eiser overgelegde stukken dienen te betrekken en een belangenafweging [2] moeten maken. De rechtbank constateert dat ter zitting desgevraagd is bevestigd dat bij de door eiser overgelegde stukken zich thans niet de sinds juni 2024 herhaaldelijk door verweerder gevraagde originele bankafschriften van eiser bevinden. Volgens vaste rechtspraak is verweerder bevoegd om inzage te verlangen in bankafschriften van de laatste drie maanden. [3] De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de aan eiser gevraagde originele bankafschriften (omwille van het verkrijgen van een chronologisch en volledig overzicht van transacties en de volledige omschrijvingen bij deze transacties) gegevens zijn die van belang zijn voor de verlening van bijstand.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 4:6, tweede lid, van de Awb . Dit betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
6.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder deze vergoeding betalen aan de gemachtigde.
Daarnaast dient verweerder de reiskosten van eiser voor het bijwonen van de zitting op 3 april 2025 te vergoeden. Deze reiskosten bedragen € 6,84 ( [plaats] - Utrecht v.v.).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 27 november 2024;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het herzieningsverzoek met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- bepaalt dat verweerder de reiskosten van € 6,84 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan de gemachtigde van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M.A.F.C. Lienaerts, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.