Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Procesverloop
27 december 2021 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd.
Overwegingen
1 januari 2020. Eiser bepleit een lagere waarde, namelijk maximaal € 1.400.000,-. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 1.581.000,-.
1 januari 2019. De rechtbank stelt vast dat in die procedure de heffingsambtenaar andere referentiewoningen heeft gebruikt en dat de heffingsambtenaar de onderlinge verschillen in waarde, met name ten opzichte van één referentiewoning niet goed had onderbouwd. Volgens de heffingsambtenaar hebben de referentiewoningen die voor dit belastingjaar zijn gebruikt een vergelijkbare ligging met de woning van eiser. De rechtbank kan het standpunt van de heffingsambtenaar volgen. Eiser heeft dit niet onderbouwd weersproken. De rechtbank is daarom van oordeel dat een eventueel waardedrukkend effect in voldoende mate is verdisconteerd in de verkoopcijfers van de referentiewoningen. Bovendien heeft de woning een aanzienlijk lagere m2-prijs (€ 2.582,-) dan de referentiewoningen (€ 3.705,-, € 3.553,-, € 4.162,-), waardoor er ruimte is om met een eventueel waardedrukkend effect rekening te houden. De beroepsgrond slaagt niet.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 57,-.
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming) tot vergoeding aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 43,-.