ECLI:NL:RBMNE:2022:1827
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling compensatie transitievergoeding bij verlengd opzegverbod wegens loonsanctie
Eiseres heeft een transitievergoeding betaald aan een werkneemster na beëindiging van het dienstverband wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Zij vroeg compensatie bij het UWV, die dit aanvankelijk afwees, maar later het bezwaar gegrond verklaarde en de compensatie op nihil stelde. De kern van het geschil is of de compensatie kan worden gebaseerd op het verlengde opzegverbod door een loonsanctie, of dat het peilmoment de oorspronkelijke einddatum van het reguliere opzegverbod is.
De rechtbank volgt de eerdere lijn van haar uitspraak van 28 juli 2021 en oordeelt dat de compensatie volgens de wettekst van artikel 7:673e lid 2 BW wordt begrensd door de transitievergoeding die verschuldigd zou zijn op het moment van het reguliere opzegverbod na twee jaar ziekte. Verlenging van het opzegverbod door een loonsanctie wordt niet meegenomen.
Hoewel eiseres stelt dat dit leidt tot een onbillijke situatie en wijst op wetsgeschiedenis en jurisprudentie, ziet de rechtbank geen aanleiding om hiervan af te wijken. De rechtbank benadrukt dat de arbeidsrechtelijke en bestuursrechtelijke rechtspraak hierover nog in ontwikkeling is en dat het aan de Hoge Raad en de Centrale Raad van Beroep is om tot een eenduidige lijn te komen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van het UWV om de compensatie van de transitievergoeding nihil te stellen wordt ongegrond verklaard.