Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Volgens eveneens vaste rechtspraak [4] is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand, gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Ook indien eiser, zoals hij stelt, geen geld ontving voor het zingen is dit niet relevant, aangezien voor een dergelijke activiteit normaal gesproken inkomsten worden ontvangen of kunnen worden bedongen. Verweerder hoeft dus ook, anders dan eiser heeft gesteld, niet aan te tonen dat eiser voor zijn activiteiten geld heeft ontvangen. Dat het hier, zoals eiser stelt, gaat om een bij wijze van hobby uitgeoefende activiteit is volgens vaste rechtspraak evenmin relevant [5] .