Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 11 december 2025
- de spreekaantekeningen van [eiser]
- de pleitnota van [gedaagde] .
2.De feiten
[gedaagde]zu benennende Gesellschaft” een optieovereenkomst. De financier werd door [gedaagde] niet ingelicht over diens (vermeende) rechten onder de optieovereenkomst (productie 8 [eiser] en productie 14 [gedaagde] ).
Er zijn [gedaagde] geen verweren bekend".
- Uw cliënt heeft geen overeenkomst met de projectvennootschap;
- Uw cliënt heeft geen overeenkomst met [eiser] ;
- Uw cliënt heeft geen persoonlijke garantieaanspraak jegens [eiser] ;
- Uw cliënt is geen aandeelhouder van de projectvennootschap;
- Uw cliënt heeft de vennootschap gebonden aan een overeenkomst waarvan uw cliënt wist dan wel behoorde te weten dat zij aan deze overeenkomst niet kon voldoen;
- Uw cliënt is de oorzaak van het niet-verkrijgen van de financiering;
- Uw cliënt heeft middels een samenstel van verdichtsels getracht de financiering alsnog te bewegen tot een financiering.
vóór woensdag 12 november 2025, 17.00 uurte doen opheffen, bij gebreke waarvan ik een kortgedingprocedure zal entameren.
uiterlijk 12 november 2025.
3.Het geschil
met onmiddellijke ingangzal opheffen;
met onmiddellijke ingangzal verbieden om opnieuw ten laste van [eiser] conservatoir beslag te leggen voor eenzelfde vordering die ten grondslag lag aan het opgeheven beslag, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 3.000.000,- per dag, een deel van een dag voor een hele gerekend dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft;
binnen 24 uurna dagtekening, althans betekening van het vonnis in dit kort geding, het conservatoir derdenbeslag als vermeld in onderdeel 9 van het lichaam van de dagvaarding op te heffen op straffe van een dwangsom van EUR 100.000,- per dag, een deel van een dag voor een hele gerekend dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft;
met onmiddellijke ingangzal verbieden om opnieuw ten laste van
4.De beoordeling
in casu[gedaagde] ) bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de beslagene (
in casu[eiser] ) bij opheffing van het beslag. Hierbij geldt dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.
exceptio litis plurium consortium. [gedaagde] kan [eiser] niet alleen aanspreken.
- sub 83 - 88: contractuele aansprakelijkheid (toerekenbare tekortkoming)
- sub 89 - 91: buitencontractuele aansprakelijkheid (onrechtmatige daad)
- sub 92 - 100: schending van precontractuele normen (goede trouw)
- sub 101 - 105: persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder.
ex parte-procedure). Al op 30 oktober 2025 heeft [gedaagde] een eerste verzoekschrift dienaangaande ingediend (zie rov 2.39). Hierop heeft de voorzieningenrechter aangegeven behoefte te hebben aan een (nadere) toelichting. Bij verzoekschrift van 3 november 2025 heeft [gedaagde] deze gegeven. Alle correspondentie van vóór 3 november 2025, met name de brief van de advocaat van [eiser] van 28 september 2025 (zie rov. 2.37) was op dat moment bekend bij (de advocaat van) [gedaagde] , zodat duidelijk was wat het standpunt van [eiser] was en waaruit diens verweer bestond. Desondanks is in het verzoekschrift van [gedaagde] opgenomen dat er geen verweren van [eiser] bekend waren, hetgeen evident in strijd met de waarheid is. Ter zitting voert de advocaat van [gedaagde] aan dat er binnen zijn kantoor sprake was van een miscommunicatie:
in privéis, zoals hij ten grondslag aan zijn vorderingen heeft gelegd. Volgens [gedaagde] zou [eiser]
in privéhebben gezegd dat hij 28 miljoen zou financieren. Gelet echter op het organigram (productie 7a [gedaagde] ) dat [gedaagde] heeft overgelegd, valt nergens uit af te leiden dat [eiser]
in privépartij is, nu in het organigram slechts B.V.’s staan. Ook overigens heeft [gedaagde] geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit voorshands aannemelijk is geworden dat [eiser]
in privépartij zou zijn bij welke door [gedaagde] gestelde overeenkomst dan ook. Nu [gedaagde] de beslagen heeft laten leggen onder [eiser]
in privé, terwijl in dit kort geding geen grondslagen daartoe aannemelijk zijn geworden, dienen die beslagen ook om deze reden te worden opgeheven.
ex partekarakter van de verlofverlening - dat [gedaagde] in een volgend verzoek wel artikel 21 Rv Pro zou naleven. Aangezien [gedaagde] een aanzienlijke vordering heeft gefabriceerd, dient aan het verbod een dwangsom te worden gekoppeld die een effectieve afschrikwekkende prikkel vertegenwoordigt. [eiser] meent dat een bedrag van EUR 3.000.000,- is geïndiceerd, aldus [eiser] .
in privépartij zou zijn, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van [eiser] in privé uitvalt, te meer nu [gedaagde] in dit kader onvoldoende verweer heeft gevoerd, zodat de voorzieningenrechter het bij petitum primair onder II gevorderde eveneens zal toewijzen, met dien verstande dat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet tot het opleggen van een dwangsom, zodat dit deel zal worden afgewezen.
- kosten dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 331,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten