Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.[gedaagde 1] B.V.,2. [gedaagde 2] ,
1.De procedure
- de conclusie van repliek, met de producties 29 t/m 35,
- de conclusie van dupliek, met de producties 17 t/m 33,
- de spreekaantekeningen van Heemwonen, tevens houdende vermindering van eis [1] ,
- de opmerkingen van partijen naar aanleiding van het proces-verbaal,
- het bezwaar van Heemwonen inzake de opmerkingen bij het proces-verbaal van gedaagde partijen,
2.De feiten
3.Het geschil
primair: € 562.656,14, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2018 voor het bedrag van € 243.559,14 en vanaf 19 april 2019 voor het bedrag van € 226.165,19, tot de dag van volledige betaling, met daarop in mindering te brengen een bedrag van € 7.856,41, dan wel,
subsidiair: € 226.165,19, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 april 2019 tot de dag van volledige betaling, met daarop in mindering te brengen een bedrag van € 7.856,41, dan wel,
meer subsidiair: een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
4.De beoordeling
De jaarcijfers over boekjaar 2024 waren ten tijde van de mondelinge behandeling nog niet opgesteld en vastgesteld. Daartoe bestond op dat moment ook nog geen verplichting. Heemwonen kan [gedaagden] niet verwijten dat er (nog) geen cijfers zijn gedeeld die niet bestonden en waartoe ook geen wettelijke verplichting bestond om deze op dat moment gereed te hebben”.
vandaag” betaald zal worden, [aannemer 1] zal overgaan tot executiemaatregelen. [17] Heemwonen heeft [aannemer 1] daarop bij e-mail van 3 april 2019 bericht dat zij het bedrag van € 226.165,19 zal voldoen. Zij heeft dit bedrag op 9 april 2019 voldaan. [18] Het hof heeft bij eindarrest het vonnis vernietigd en [aannemer 1] onder andere veroordeeld tot terugbetaling van € 226.165,19 aan Heemwonen. Tegen dit arrest is geen cassatieberoep ingesteld.