ECLI:NL:RBLIM:2026:4038

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
ROE 25/1679
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J. Trifunović
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 5.39 OwArt. 5.42 OwArt. 8.104 BklArt. 7 Wwm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling intrekking jachtakte en wapenverlof wegens vrees voor misbruik na rijden onder invloed

Eiser kreeg zijn jachtakte en wapenverlof ingetrokken na een positieve alcoholcontrole en een daaropvolgende strafbeschikking voor rijden onder invloed. Daarnaast werd hem het onbevoegd bezit van knalpatronen verweten en werd zijn psychische gesteldheid als grond voor intrekking genoemd. Eiser betwistte de intrekkingen en voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder het incidentele karakter van het misdrijf, het ontbreken van een zorgvuldige belangenafweging, en het onterecht gebruik van zijn stressklachten als argument.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht kon concluderen dat er sprake was van vrees voor misbruik, vooral vanwege de strafbeschikking voor rijden onder invloed, die een ernstige aantasting van de rechtsorde vormt. De rechtbank verwierp het betoog van eiser dat een lichtere maatregel passend was. Ten aanzien van het onbevoegd bezit van knalpatronen en de psychische gesteldheid constateerde de rechtbank gebreken in de motivering, maar paste artikel 6:22 Awb Pro toe en passeerde deze gebreken omdat de intrekking ook op de alcoholgrondslag kon worden gedragen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde de intrekkingen en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van eiser. De uitspraak benadrukt het restrictieve beleid rond het bezit van wapens en munitie en de bijzondere positie van vergunninghouders ten opzichte van de samenleving.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de jachtakte en het wapenverlof wegens vrees voor misbruik na rijden onder invloed.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/1679

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C.A.M.J.M. Joosten),
en

de Minister van Justitie en Veiligheid, de minister

(gemachtigde: mr. T.C. Tesselhof).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van een jachtakte en een wapenverlof. Eiser is het niet eens met deze intrekkingen en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de intrekkingen aan de hand van deze beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Wel krijgt eiser zijn proceskosten en griffierecht vergoed. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dat heeft.
1.2.
De voor deze zaak relevante wetsbepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Procesverloop

2. Bij besluit van 20 februari 2025 (het jachtakte-besluit) heeft de korpschef van de Nationale Politie (de korpschef) de jachtakte van eiser ingetrokken. Bij besluit van 26 februari 2025 (het wapenverlof-besluit) heeft de korpschef ook het wapenverlof van eiser ingetrokken. Bij besluit van 20 juni 2025 op het administratief beroep van eiser (het bestreden besluit) is de minister bij de intrekkingen gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 21 januari 2025 werd eiser onderworpen aan een alcoholcontrole. Deze bleek positief. Er werd een rijverbod opgelegd van twee uur. Op 18 februari 2025 heeft de officier van justitie eiser ter zake een strafbeschikking aangeboden in de vorm van een geldboete van € 650,-. Eiser heeft dit aanvaard en de boete betaald.
3.1.
Op 17 februari 2025 had eiser een afspraak bij de korpschef om zijn jachtakte te verlengen. Eiser heeft toen een zogeheten Wm-32 formulier ingeleverd. Daarop heeft eiser vraag 11 leeggelaten, die luidt: “Wilt u nog een opmerking of verklaring toevoegen?” Tijdens de verlengafspraak heeft eiser niets gezegd over de alcoholcontrole en het lopende strafrechtelijke onderzoek.
3.2.
Op 20 februari 2025 wist de korpschef van de strafbeschikking. De korpschef heeft daarop de jachtakte ingetrokken en gaf daarbij drie redenen op. Ten eerste, dat eiser vanwege de strafbeschikking voldoet aan de zogeheten ‘vrees voor misbruik’-criteria, zodat de jachtakte kan worden ingetrokken. [1] Ten tweede, dat eiser onder vraag 11 in het Wm-32 formulier niets heeft opgenomen over het lopende strafrechtelijke onderzoek naar aanleiding van de alcoholcontrole. Daarmee is volgens de korpschef de betrouwbaarheid van eiser komen te vervallen, op grond waarvan eveneens de jachtakte kan worden ingetrokken. [2] Ten derde, dat eiser ook tijdens de verlengafspraak de alcoholcontrole en het strafrechtelijk onderzoek heeft verzwegen, waardoor zijn betrouwbaarheid is komen te vervallen.
3.3.
Op 26 februari 2025 heeft de korpschef het wapenverlof ingetrokken. Dit had volgens de korpschef al tegelijktijdig met de intrekking van de jachtakte moeten gebeuren. De drie redenen voor het intrekken van de jachtakte werden eveneens aangehaald om het wapenverlof in te trekken. Daar heeft de korpschef nog een vierde reden aan toegevoegd. Inmiddels was namelijk bekend geworden dat eiser onbevoegd in het bezit was van munitie (knalpatronen). Daarmee wordt nogmaals en feitelijk bevestigd dat de vrees van de korpschef voor misbruik terecht en reëel was/is, zo luidt het wapenverlof-besluit.
3.4.
Eiser heeft bezwaar ingesteld tegen het jachtakte- en wapenverlof-besluit. Bij het bestreden besluit heeft de minister dit bezwaar ongegrond verklaard. Volgens de minister zijn de jachtakte en het wapenverlof terecht ingetrokken en heeft de korpschef dat deugdelijk gemotiveerd. Bovendien heeft eiser aangegeven dat de intrekkingen een aanzienlijke impact hebben gehad op hem, waardoor hij nu te kampen heeft met slaapproblemen en verhoogde stressklachten. Ook deze psychische gesteldheid van eiser maakt dat het onwenselijk is dat hij over wapens en munitie beschikt, aldus de minister. [3]
Beroepsgronden
4. Het bestreden besluit wordt gedragen door een vijftal gronden: (1) het rijden onder invloed van alcohol, (2) het onbevoegd voorhanden hebben van knalpatronen, (3) het onjuist dan wel onvolledig invullen van het Wm-32 formulier, (4) het eveneens in strijd met de inlichtingenplicht verzwijgen van het lopende strafrechtelijke onderzoek tijdens de verlengafspraak met de korpschef, en (5) de psychische gesteldheid van eiser. Het bestreden besluit rust daarbij voornamelijk op de eerste grondslag, het rijden onder invloed van alcohol. Ter zitting heeft de minister hiernaar verwezen als ‘het hoofdfeit’.
4.1.
De beroepsgronden van eiser zien op deze vijf grondslagen. Ten aanzien van de eerste twee gronden stelt eiser dat een incidentele veroordeling voor het rijden onder invloed van alcohol en/of het onbevoegd voorhanden hebben van munitie onvoldoende is/zijn om tot de intrekkingen te leiden. Daarnaast had volgens eiser een zorgvuldige belangenafweging tot een ander oordeel moeten leiden. Wat betreft de derde en vierde grond voert eiser aan dat vraag 11 in het Wm-32 formulier een open vraag is. Hij heeft er – zonder kwaad opzet – niet aan gedacht om hier melding te maken van de strafrechtelijke vervolging. Tijdens de verlengafspraak is dit ook niet ter sprake gekomen en is daar niet naar gevraagd, aldus eiser. Over de vijfde grond betoogt eiser dat verweerder ten onrechte zijn stressklachten heeft gebruikt als argument voor de intrekkingen.
4.2.
De beroepsgronden worden hierna nader besproken en beoordeeld.
Vrees voor misbruik door het rijden onder invloed van alcohol
5. Eiser voert aan dat de korpschef niet op grond van dit ‘incidentele’ misdrijf mocht overgaan tot de intrekkingen. Daarbij is niet gebleken van een zorgvuldige belangenafweging.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt.
5.2.
Vooropgesteld volgt uit de wet [4] dat een jachtakte en/of wapenverlof in elk geval wordt/worden ingetrokken, indien er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Wanneer sprake is van ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ in die zin is verder uitgewerkt in de Cwm 2019. Er moet dan sprake zijn van ‘vrees voor misbruik’.
5.3.
De Cwm 2019 bepaalt dat degene die wapens en munitie voorhanden mag hebben in een bijzondere positie verkeert ten opzichte van zijn medeburgers. In het algemeen geldt namelijk een wettelijk verbod op het voorhanden hebben van wapens en munitie. Die bijzondere positie brengt met zich mee dat van de houder van een jachtakte en/of wapenverlof stipte naleving van wettelijke voorschriften wordt verlangd, ook als deze niet gerelateerd zijn aan de wapenwetgeving. De houder moet zich daarnaast onthouden van overtredingen die tot een (ernstige) aantasting van de rechtsorde kunnen leiden. Geringe twijfel aan het verantwoord zijn van een uitzondering op het verbod om wapens en munitie voorhanden te hebben, is al voldoende voor intrekking van een jachtakte en/of wapenverlof. [5] Deze twijfel moet wel onderbouwd en objectief toetsbaar zijn. [6] Verder volgt uit de Cwm 2019 dat een jachtakte en/of wapenverlof kan/kunnen worden ingetrokken als de houder daarvan binnen de terugkijktermijn van vier jaar is veroordeeld voor het plegen van een misdrijf, waarbij een geldboete is opgelegd. De vrijwillige betaling van een geldboete die bij strafbeschikking door het Openbaar Ministerie is opgelegd, wordt in dit verband gelijk gesteld met een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
5.4.
De Cwm 2019 biedt uitdrukkelijk de ruimte om een overtreding van een wettelijk voorschrift af te doen met een schriftelijke waarschuwing en af te zien van intrekking. Hiervoor wordt een (belangen)afweging gehanteerd, waarbij de aard en de ernst van de verweten gedragingen, de kans op recidive, de recente persoonlijke ontwikkelingen van de betrokkene, de pleegdatum en eventuele disculperende omstandigheden in aanmerking worden genomen.
5.5.
Eiser heeft een strafbeschikking gekregen voor het rijden onder invloed van alcohol. Volgens de Cwm 2016 hoefde rijden onder invloed niet zonder meer te leiden tot een intrekking, maar kon dit – afhankelijk van de omstandigheden – worden afgedaan met een schriftelijke waarschuwing. Dat in de Cwm 2019 deze passage niet meer is opgenomen, betekent niet dat die ruimte om af te wijken van de circulaire er niet meer is. [7] Toch volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat hier sprake is van een situatie die zich leent voor afwijking dan wel een lichtere afdoeningsmodaliteit. Het rijden onder invloed van alcohol is gekwalificeerd als een misdrijf en hoeft niet te worden beschouwd als een lichte overtreding. Bovendien brengt deelname aan het verkeer onder invloed van alcohol niet alleen de bestuurder zelf, maar ook andere verkeersdeelnemers in gevaar. Daarmee valt dit misdrijf evident binnen de reikwijdte van het doel dat de intrekking van een jachtakte en/of wapenverlof als maatregel nastreeft, namelijk het beschermen van de veiligheid in de samenleving. De minister mocht zich dan ook redelijkerwijs op het standpunt stellen dat door het rijden onder invloed ‘geringe twijfel’ is ontstaan in de zin van de Cwm 2019 en vaste rechtspraak. De jachtakte en het wapenverlof konden daarom worden ingetrokken.
5.6.
In het kader van de (belangen)afweging die de Cwm 2019 mogelijk maakt bij de bepaling of sprake is van ‘vrees voor misbruik’, heeft de minister benadrukt dat eiser voor dit vergrijp naar het politiebureau is gebracht, als verdachte is gehoord, een kort rijverbod opgelegd heeft gekregen en een forse geldboete van € 650,- heeft voldaan. De minister leidt hieruit af dat sprake is van een misdrijf dat gekwalificeerd kan worden als een ernstige aantasting van de rechtsorde, zodat aan eiser het hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Eiser heeft hiertegen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende ingebracht, zodat de belangenafweging niet in zijn voordeel kan uitvallen. Dat eiser op de strafbeschikking na een blanco strafblad heeft, is weliswaar relevant, maar op zichzelf niet doorslaggevend. Uit de rechtspraak blijkt dat in de gevallen waarin werd afgeweken van de circulaire in het belang van de vergunninghouder, telkens sprake was van een combinatie van bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan er geen vrees was voor de veiligheid in de samenleving. Zo was in een zaak sprake van een persoon die meer dan zestig jaar over een jachtakte beschikte en waar de officier van justitie had afgezien van vervolging voor het rijden onder invloed, gelet op de gezondheidstoestand van die persoon en zijn geringe overschrijding van het toegestane alcoholpromillage. [8] In een andere zaak betrof het enkele feit dat ten grondslag lag aan de ingetrokken jachtaktes van betrokkenen het vernielen van een stuw, waarbij de stuw bovendien inmiddels was hersteld door de betrokkenen. [9] In het geval van eiser is geen sprake van een soortgelijke combinatie van bijzondere feiten en omstandigheden, althans dit is onvoldoende aannemelijk gemaakt.
5.7.
Als vrees voor misbruik wordt aangenomen, laat de dwingendrechtelijke formulering van de relevante wetsbepalingen [10] geen ruimte voor een belangenafweging van (persoonlijke) omstandigheden die niet al bij de totstandkoming van de vrees voor misbruik zijn betrokken. Omdat vast is komen te staan hier is voldaan aan het ‘vrees voor misbruik’-criterium, is er dus geen ruimte meer voor een (aanvullende) belangenafweging.
5.8.
Alles overwegende, heeft de minister terecht geoordeeld dat het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer aan eiser kan worden toevertrouwd, vanwege de strafbeschikking voor het rijden onder invloed. Een lichtere afdoeningsmodaliteit, zoals een schriftelijke waarschuwing, hoefde niet te volgen. De beroepsgrond ter zake faalt.
Vrees voor misbruik door het onbevoegd voorhanden hebben van knalpatronen
6. Eiser voert aan dat het voorhanden hebben van knalpatronen in zijn geval minder ernstig is dan het lijkt. Dit feit had daarom niet (mede) mogen leiden tot de intrekking van de jachtakte en het wapenverlof. Ook hier heeft geen zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden, aldus eiser.
6.1.
De rechtbank komt ter zake tot een ander oordeel en overweegt daartoe als volgt. Tijdens het onderzoek ter zitting is komen vast te staan dat de minister dit strafbare feit dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit niet heeft voorzien van een objectief toetsbare motivering. [11] Dat partijen het erover eens zijn dat eiser onbevoegd knalpatronen voorhanden had, laat onverlet dat de minister gehouden is om ook deze grondslag deugdelijk te onderbouwen. Het intrekken van een jachtakte en/of wapenverlof is een ambtshalve, voor de belanghebbende belastend, besluit. De bewijslast voor het aannemelijk maken van feiten en omstandigheden die zo een intrekking rechtvaardigen, ligt daarom bij het bestuursorgaan dat die bevoegdheid toekomt. Het ligt dus op de weg van de minister om aannemelijk te maken dat het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd aan eiser. Te denken valt aan een proces-verbaal van bevindingen, waaruit het onbevoegd voorhanden hebben van de knalpatronen zou blijken. Bij gebrek aan een dergelijke onderbouwing, kan dit feit niet ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. Omdat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft, slaagt de beroepsgrond van eiser ter zake.
6.2.
Evenwel ziet de rechtbank aanleiding om dit gebrek te passeren op grond van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aangezien het rijden onder invloed reden genoeg was om over te gegaan tot intrekking van de jachtakte en het wapenverlof, is eiser namelijk niet door dit gebrek benadeeld.
Psychische gesteldheid als grondslag voor de intrekkingen
7. Eiser voert verder aan dat de klachten die hij na de intrekkingen ervaart (slaapproblemen en verhoogde stressklachten) niet vallen onder psychische gesteldheid in de zin van paragraaf 1.2 van Bijzonder deel B van de Cwm 2019.
7.1.
Ter zitting (en in het verweerschrift) heeft de minister toegelicht dat, bij gebrek aan een nadere medische onderbouwing ter zake, de verwijzing in het bestreden besluit naar deze grondslag als vervallen moet worden beschouwd.
7.2.
Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgrond van eiser slaagt. Zonder enige objectief toetsbare onderbouwing is in het bestreden besluit opgenomen dat de psychische gesteldheid van eiser maakt dat het niet verantwoord is om aan hem vuurwapens en munitie toe te vertrouwen. Ook op dit punt kleeft dus een gebrek aan het bestreden besluit.
7.3.
De rechtbank ziet echter ook hier aanleiding om artikel 6:22 van Pro de Awb toe te passen en dit gebrek te passeren. Feit blijft dat de grondslag van het rijden onder invloed op zichzelf het bestreden besluit kan dragen. Eiser is daarom niet door het gebrek benadeeld.
Overige beroepsgronden
8. De beroepsgronden over het al dan niet schenden van de inlichtingenplicht (de derde en vierde grondslag van het bestreden besluit) behoeven geen bespreking meer. Reeds op grond van het rijden onder invloed kon namelijk worden overgegaan tot de intrekkingen.

Conclusie en gevolgen

9. Uit het voorgaande volgt dat de minister redelijkerwijs kon concluderen dat er vrees voor misbruik bestaat en dat daarmee het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer aan eiser kan worden toevertrouwd. De jachtakte en het wapenverlof zijn dus terecht ingetrokken. Het beroep is ongegrond en eiser krijgt geen gelijk.
9.1.
De rechtbank heeft evenwel artikel 6:22 van Pro de Awb toegepast en ziet in de aard van de geconstateerde gebreken aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten worden overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op een bedrag van
€ 1.868,- (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor één). De minister moet daarnaast het griffierecht aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Trifunović, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.I.W. Smeets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 28 april 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 28 april 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Omgevingswet
Artikel 5.39
Het bevoegd gezag wijzigt de voorschriften van een omgevingsvergunning of trekt een omgevingsvergunning in:
in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald,
voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.3 of 5.4: in gevallen of op gronden die in de waterschapsverordening respectievelijk de omgevingsverordening zijn bepaald.
Artikel 5.42
3. Als geval als bedoeld in artikel 5.39, onder a, waarin het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit intrekt, wordt in ieder geval aangewezen het geval waarin de vergunninghouder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie of van de bevoegdheid die voorhanden te hebben, of waarin er andere aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Artikel 8.104
1. Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit trekt die omgevingsvergunning in ieder geval in, als:
de houder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie of van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of als er andere aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd;
Wet wapens en munitie
Artikel 7
2. Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit trekt die omgevingsvergunning in ieder geval in, als:
blijkt dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 11.78 van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet langer met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens dat artikel en artikel 11.78, tweede tot en met zevende lid, van dat besluit is gedekt;
Artikel 26
1. Het is verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben.
Circulaire wapens en munitie 2019
A. Algemeen deel (A)
1. Hoofdlijnen van de wapenwetgeving
1.4.4.1 Verlening en verlenging
Voor het aanvragen van een verlof wordt gebruik gemaakt van de daartoe bestemde formulieren zoals die zijn opgenomen in bijlage III bij de RwmM. Het aanvraagformulier is conform artikel 7, eerste lid onder a WWM vastgesteld en opgenomen als bijlage WM 32 in bijlage III van de Rwm.
Juridische status gebruikte formulieren
Het gebruik van het aanvraagformulier en het inlichtingenformulier is verplicht op basis van artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de WWM en artikel 48 Rwm Pro. Het niet (volledig) invullen van het aanvraagformulier en het inlichtingenformulier leidt tot een afwijzing van de aanvraag op basis van ditzelfde artikel.
Op grond van art. 4:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aanvrager is gehouden, op grond van artikel 4:2 van Pro de Awb de (aanvullende) gegevens en bescheiden te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn.
De informatie van het inlichtingenformulier wordt gebruikt om landelijk te kunnen toetsen of er sprake is van vrees voor misbruik op basis van de in deel B, onderdeel 1, van deze circulaire vastgelegde risicofactoren. Wanneer de aanvrager niet de gegevens verschaft die nodig zijn voor de beoordeling, maar waarover hij wel kan beschikken, kan de aanvraag worden afgewezen. Zie in dit kader artikel 7, eerste lid, van de WWM juncto artikel 4:5, eerste lid, onderdeel c, van de Awb. Wanneer op enig moment blijkt dat een aanvrager het formulier onjuist heeft ingevuld, kan worden besloten tot een intrekking van het verlof of afwijzing van het verzoek op basis van twijfel omtrent de betrouwbaarheid.
B. Bijzonder deel (B)
1. Geen vrees voor misbruik
1.2
Invulling van het ‘vrees voor misbruik criterium’
Wapens en munitie vormen een potentieel ernstige bedreiging voor de veiligheid in de samenleving indien zij in handen komen van personen die onvoldoende betrouwbaar zijn om wapens en munitie voorhanden te hebben. Derhalve wordt er een restrictief beleid gevoerd waar het de toepassing van het criterium ‘geen vrees voor misbruik’ betreft.
Degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie komt in een bijzondere positie te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt met zich mee dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde.
Het weigeren dan wel intrekken van een verlof is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar is een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van het eerdergenoemde maatschappelijke belang, is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken (of gemaakte) uitzondering - ook naar de vaste jurisprudentie van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State - voldoende reden om een verlof niet te verlenen respectievelijk in te trekken. Het spreekt voor zich dat die twijfel gebaseerd moet zijn op een objectief toetsbare motivering (zie hierna).
Voor de beoordeling van de vraag of in een bepaald geval vrees voor misbruik bestaat worden in dit onderdeel een aantal concrete criteria gegeven. De korpschef zal aan de hand van deze criteria in elk geval afzonderlijk moeten bezien of er sprake is van ‘vrees voor misbruik’.
Bij het onderzoek in verband met de vraag of er vrees voor misbruik bestaat kan gebruik worden gemaakt van informatie afkomstig uit de registers van de justitiële documentatie en van andere, politiële informatie, die afkomstig kan zijn uit verschillende bronnen.
Bij dergelijk onderzoek kan blijken van:
a. veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;
b. andere omtrent de aanvrager bekende feiten.
Ad a. (veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken) Strafbare feiten
Transacties en strafbeschikkingen
Vrijwillige betaling van een geldsom, als bedoeld in artikel 74 van Pro het Wetboek van Strafrecht (een transactie met het Openbaar Ministerie), of als bedoeld in artikel 257a, 257b en 257ba van het Wetboek van Strafvordering (een strafbeschikking, opgelegd door het Openbaar Ministerie of door een opsporingsambtenaar) wordt gelijkgesteld met een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
Ad b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten) Algemeen
Vrees voor misbruik kan ook worden aangenomen op basis van andere, niet uit veroordelingen of transacties gebleken, omtrent betrokkene bekende feiten.
In zijn algemeenheid geldt dat tegen een aanvrager (houder) bestaande bezwaren, voor zover daarvan niet reeds blijkt uit veroordelingen of opgemaakte processen-verbaal, alsnog in een rapport dienen te worden vastgelegd.
Sepots en processen-verbaal
Te denken valt aan door het openbaar ministerie geseponeerde zaken. Indien er sprake is van sepot wegens procedurele fouten in de opsporingsfase, of omdat de zaak te lang is blijven liggen, wegens gering feit of wegens geringe strafwaardigheid van het feit, kan er een duidelijker grond voor weigering of intrekking van een verlof zijn dan bij een sepot wegens gebrek aan bewijs. Een sepot omdat betrokkene ten onrechte als verdachte is aangemerkt zal uiteraard geen rol bij de beoordeling kunnen spelen.
De vrees voor misbruik kan eveneens worden gebaseerd op een door de politie opgemaakt proces- verbaal dat (nog) niet tot een veroordeling heeft geleid of in het geval dat de persoon in kwestie in hechtenis heeft gezeten, zonder dat daar een onherroepelijke rechterlijke uitspraak aan ten grondslag ligt. Een geval waarin een proces-verbaal (nog) niet tot een veroordeling heeft geleid, doet zich voor wanneer de zaak zo recent is dat van een beslissing door de rechter of de officier van justitie nog geen sprake is (kan zijn) geweest.
Niet de veroordeling van de aanvrager of de vergunninghouder is immers de reden de vergunning te weigeren of in te trekken, maar de vrees voor misbruik. Die vrees kan er uiteraard ook al zonder veroordeling zijn. Uit het feit dat - in afwachting van een eventuele veroordeling - door de korpschef positief op de aanvraag wordt beslist, zou de betrokkene kunnen (en wellicht ook mogen) afleiden dat de korpschef de zaak niet zo ernstig neemt. Deze omstandigheid zal in bestuursrechtelijk opzicht op een later moment een hindernis kunnen vormen bij een beslissing tot intrekking, namelijk op het moment dat de veroordeling (alsnog) een feit is geworden. De bevoegdheid van de korpschef om vergunningen te weigeren en in te trekken is dan ook een eigen bestuursrechtelijke verantwoordelijkheid, die los staat van het strafrechtelijke traject.
Psychische gesteldheid
In beginsel is het niet verantwoord om aan iemand die – door oorzaken van zowel interne, als externe aard – onder sterke psychische druk staat, wat tot uitdrukking komt in een onvoorspelbaar gedragspatroon of (bijvoorbeeld) alcohol- en drugsmisbruik en waarbij de indruk bestaat dat de vergunninghouder zichzelf niet in de hand heeft, het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie toe te vertrouwen. In het bezit van een vuurwapen zou de vergunninghouder een gevaar zijn voor zichzelf en voor de openbare orde en veiligheid. Indien de aanvrager of vergunninghouder – in tegenstelling tot de korpschef – van mening is dat het voorhanden hebben van wapens en munitie wel aan hem kan worden toevertrouwd dan dient hij dit aan te tonen middels een schriftelijke verklaring van een arts/psychiater. Uit deze verklaring moet duidelijk blijken dat de arts/psychiater bekend is met de problemen van betrokkene en dat deze niet (langer) een belemmering vormen om aan betrokkene een vergunning te verlenen voor het voorhanden hebben van (vuur)wapens. Een dergelijke verklaring wordt dan in de beoordeling betrokken, maar daaraan hoeft niet altijd doorslaggevende betekenis te worden toegekend. Dat is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zo mag van iemand die recent nog onder behandeling was in verband met zijn psychische gesteldheid, worden verwacht dat hij over een langere periode aantoont dat zijn psychische gesteldheid niet meer aan het bezit van wapens en munitie in de weg staat.
Risicofactoren betreffende de psychische gesteldheid van aanvragers of houders van een wapenverlof met het oog op potentieel misbruik van een (legaal) vuurwapen zijn:
  • Klinische factoren (psychische stoornis, verslaving, gedwongen opname, forensische zorg en suïcidale gedachten);
  • Stressvolle omstandigheden (problemen in relationele sfeer, problemen in de arbeidssfeer of opleiding, gebrekkig sociaal steunsysteem en stressvolle levensomstandigheden);
  • Specifieke kenmerken van de aanvrager (agressie, crimineel gedrag, impulsiviteit en zelfregulatie, zelfstandige handelingsbekwaamheid, fascinatie voor geweld, extreme uitingen en/of uitingen van radicalisering).
Deze risicofactoren worden in het aanvraagproces in ieder geval meegewogen. Daarbij gaat het niet zozeer om de klinische kant van de psychische aandoening, maar veel meer om het risico dat de aandoening inhoudt voor risicovol gedrag.

Voetnoten

1.Paragraaf 1.2 van Bijzonder deel B van de Circulaire wapens en munitie (Cwm) 2019.
2.Paragraaf 1.4.4.1 van Algemeen deel A van de Cwm 2019.
3.Paragraaf 1.2 van Bijzonder deel B van de Cwm 2019,
4.Artikel 5.39, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 5.42, derde lid, van de Omgevingswet (Ow), artikel 8.104, eerste lid onder c van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en artikel 7, tweed lid, aanhef en onder b van de Wet wapens en munitie (Wwm).
5.Vgl. de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) 3 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:219.
6.Vgl. de Afdeling 4 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3709.
7.Vgl. de Afdeling 6 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2219.
8.Vgl. de Afdeling 6 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2219.
9.Vgl. de Afdeling 19 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1950.
10.Artikel 5.39, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 5.42, derde lid, Ow, artikel 8.104, eerste lid onder c Bkl en artikel 7, tweed lid, aanhef en onder b Wwm.
11.Vgl. Paragraaf 1.2 van Bijzonder deel B van de Cwm 2019 en de Afdeling 4 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3709.