Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, locatie Maastricht, hierna te noemen: de raad.
1.Het verdere verloop van de procedure
- de brief van de moeder van 7 maart 2024, ingekomen 8 maart 2024;
- de brief van de raad van 10 juni 2024, ingekomen 11 juni 2024;
- de brief van de raad van 27 mei 2025, met als bijlage het raadsrapport van 26 mei 2025, ingekomen 28 mei 2025
- de brief van de raad van 4 juni 2025 (klacht ingediend);
- de brief van de moeder van 5 juni 2025, ingekomen 6 juni 2025 (reactie op rapport);
- de e-mail van de rechtbank aan de raad van 28 november 2025 (informeren stand van zaken m.b.t. klacht);
- de reactie van de raad van 1 december 2025 (de klacht is afgerond en heeft geen gevolgen voor het uitgebrachte advies);
- het F9-formulier en de e-mail van de vader van 1 december 2025 (dat nog niet is beslist op de klachten);
- de brief met bijlagen van de vader van 3 december 2025 (uitstelverzoek en brieven van de kinderen);
- de e-mail van de raad van 4 december 2025 (de directeur van de raad heeft 1 december 2025 een beslissing genomen op de klacht van de vader);
- de e-mail van de rechtbank aan belanghebbenden van 5 december 2025 (de rechtbank zal tijdens de mondelinge behandeling van 8 december 2025 op het aanhoudingsverzoek van de vader beslissen);
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 december 2025;
- het F8-formulier van de moeder van 12 december 2025;
- het F8-formulier van de vader van 15 december 2025;
- de e-mail van de rechtbank van 18 december 2025 (de mondelinge behandeling vindt plaats op 23 februari 2026);
- het F8-formulier van de vader van 19 december 2025 (uitstelverzoek);
- de e-mail van de rechtbank aan de vader van 5 januari 2026 (uitvraag naar klemmende redenen);
- de e-mail met een bijlage van de vader van 9 januari 2026 (motivering voor het uitstel);
- de e-mail van de rechtbank aan de vader van 12 januari 2026 (afwijzing verzoek uitstel, geen klemmende redenen);
- de e-mail met een bijlage van de raad van 11 februari 2026 (de brief van 1 december 2025 aan de vader waarin staat dat de klacht is afgehandeld (ongegrond verklaard) en de klachtbehandeling geen gevolgen heeft voor het door de raad uitgebrachte advies;
- de brief met bijlagen van de vader van 16 februari 2026 (verzoek aanhouding zitting);
- de e-mail van de rechtbank aan de vader 17 februari 2026 (verwijzing naar artikel 5.3. procesreglement G&O);
- de brief met bijlagen van de vader van 18 februari 2026 (verhinderdata);
- wrakingsverzoek ingediend door de kinderen op 18 februari 2026;
- de e-mail van de rechtbank aan de vader van 19 februari 2026 (i.v.m. wrakingsverzoek kinderen geen beslissing op aanhoudingsverzoek);
- de beslissing van de wrakingskamer van 19 februari 2026;
- de e-mail van de rechtbank aan de vader van 20 februari 2026 (uitstelverzoek afgewezen);
- het wrakingsverzoek ingediend door de vader als wettelijke vertegenwoordiger van de kinderen op 20 februari 2026;
- de beslissing van de wrakingskamer van 20 februari 2026;
- de e-mail van mr. De Jongh aan de rechtbank van 23 februari 2026 (ziekmelding);
- de e-mail van de rechtbank aan mr. De Jongh van 23 februari 2026 (uitvraag mogelijkheid telefonisch/via Teams aan te sluiten bij de zitting);
- de e-mail van de secretaresse van mr. De Jongh van 23 februari 2026 (niet in staat om aan te sluiten);
- de e-mail van de rechtbank aan de belanghebbenden dat de mondelinge behandeling van 23 februari 2026 niet doorgaat en deze zal plaatsvinden op 9 maart 2026;
- het F9-formulier van de vader van 6 maart 2026 (vraag kindgesprek);
- de e-mail van [minderjarige 1] van 6 maart 2026 met een uitstelverzoek;
- de e-mail van de rechtbank aan [minderjarige 1] van 6 maart 2026 (geen formele procespartij);
- de e-mail van de rechtbank aan de vader van 6 maart 2026 (de kinderen zijn niet uitgenodigd voor een kindgesprek op 9 maart 2026);
- het wrakingsverzoek van de vader van 6 maart 2026;
- de beslissing van de wrakingskamer van 9 maart 2026;
- de pleitaantekeningen van de vader, die zijn voorgedragen tijdens de mondelinge behandeling op 9 maart 2026;
- het F9-formulier van de vader van 12 maart 2026 (vraag kindgesprek);
- de e-mail van de rechtbank aan de vader van 18 maart 2026 (kinderen worden niet meer gehoord).
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de raad.
2.De mening van de kinderen
3.De verdere beoordeling
1 december 2025 overgelegd waarin staat dat de klachten zijn afgehandeld (ongegrond verklaard) en de klachtbehandeling geen gevolgen heeft voor het door de raad uitgebrachte advies.
De vader lijkt daarbij uit het oog te verliezen dat op hem, op grond van het bepaalde in artikel 1:247 lid 3 BW Pro, de verplichting rust om de ontwikkeling van de banden van de kinderen met de moeder te bevorderen. Zo heeft de vader tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de kinderen geen contact met hun moeder willen en hij de kinderen op geen enkele wijze gaat dwingen tot contact. De vader laat hiermee zien dat hij zijn verplichting ex artikel 1:247 lid 3 BW Pro niet nakomt. Bovendien is uit de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat de vader de moeder op geen enkele manier betrekt bij gezagsbeslissingen rondom de kinderen en hij haar ook niet informeert over hoe het met de kinderen gaat.”
dat tijdens een eerdere zitting door de rechter is bepaald dat moeder uitgekleed gezag heeft, daar zij geen contact meer had met de kinderen en dit ook niet in hun belang was” [5] . De vader heeft deze stelling op geen enkele manier onderbouwd. Evenmin heeft de vader duidelijk gemaakt tijdens welke zitting dit dan zou zijn bepaald en in welke beschikking dit zou zijn opgenomen, nu de rechtbank van een dergelijke uitspraak in het geheel niet is gebleken.
Moeder stelt in haar reactie(de rechtbank: op het raadsrapport)
dat ik zou hebben gezegd dat zij “uitgekleed gezag” heeft, en dat dit volgens haar advocaat niet klopt. Los van de vraag of zij dit juridisch heeft laten toetsen, betreft dit geen beschuldiging maar een feitelijke constatering. “Uitgekleed gezag” is een erkend begrip in de rechtspraak en verwijst naar een gezagspositie die enkel nog op papier bestaat. Dat is hier het geval: moeder oefent geen gezag uit, communiceert niet, en is afwezig in alle beslismomenten”.
tenzijhet belang van de kinderen zich daartegen zou verzetten. De vader beroept zich dan ook op die tenzij-bepaling en voert aan dat zolang het belang van de kinderen zich tegen bepaalde stappen verzet, hij niet zal meewerken. In zijn woorden: Nu niet, nooit niet.
Daarbij overweegt de rechtbank nog het volgende:
4.1. Uit artikel 2 lid 3 van Pro de Zorgverzekeringswet volgt dat degene die het gezag over een minderjarige, jonger dan achttien jaar, uitoefent ervoor dient te zorgen dat de minderjarige verzekeringsplichtige krachtens een zorgverzekering verzekerd is.
Ik ga nooit met de moeder samenwerken. Al staan er 50 mensen naast. Ik ga dat niet doen.”. Ook eerder ingezette hulpverlening, waaronder een jarenlange ondertoezichtstelling van de kinderen (van 2017 tot 2022) heeft hierin geen verbetering kunnen aanbrengen. Daar staat tegenover dat, zoals hiervoor reeds overwogen is, niet is gebleken dat de moeder (de laatste jaren) gezagsbeslissingen zou blokkeren en zij heeft ook verklaard mee te willen werken aan gezagsbeslissingen als dat in het belang van de kinderen is. De vader weigert echter zijn ouderlijke plicht zoals neergelegd in 1:247 BW uit te voeren, zodat de moeder niet eens de gelegenheid krijgt mee te werken.
In een geval als dit, waarin de met het gezag belaste ouder de andere ouder op geen enkele wijze een opening biedt om betrokken te zijn bij het leven van het kind, is het toewijzen van gezamenlijk gezag een van de instrumenten die de rechter moet kunnen benutten om het recht op family life tussen het kind en de andere ouder toch te verwezenlijken. Hoewel gezamenlijk gezag het risico in zich bergt dat het kind klem komt te zitten tussen de twee ouders, leidt eenhoofdig gezag ertoe dat de andere ouder geheel uit het leven van het kind wordt geweerd. De rechter moet dan de ruimte hebben om, uitgaande van de situatie ten tijde van zijn beslissing, in te schatten welke van de twee kwaden het belang van het kind vermoedelijk het minst zal schaden.”.
4.Beslissing
€ 30.106,34 (inclusief BTW), te voldoen aan de griffier nadat de vader hiervoor een nota van het Landelijk Dienstencentrum voor de rechtspraak (LDCR) hebben gekregen;
mr. L.N. Geerman, allen kinderrechters, in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.A.W. Graus, de griffier op 3 april 2026.