ECLI:NL:RBLIM:2025:12609

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
ROE 25/595
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding in bestuursrechtelijke procedure

In deze uitspraak van de Rechtbank Limburg, gedateerd 18 december 2025, wordt het bezwaar van eisers tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaarschrift behandeld. Eisers, die onder bewind staan, hebben bezwaar gemaakt tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen, waarin hun bijstandsuitkering werd ingetrokken en teruggevorderd. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingediend, zonder verschoonbare reden. De rechtbank oordeelt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, ondanks de argumenten van eisers dat hun bewindvoerder nalatig was in het doorgeven van het besluit. De rechtbank benadrukt dat het aan de bewindvoerder is om zorg te dragen voor tijdige communicatie met de eisers. De rechtbank komt tot de conclusie dat het college terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard, en het beroep van eisers wordt ongegrond verklaard. Dit betekent dat de eisers geen gelijk krijgen en dat de niet-ontvankelijkverklaring in stand blijft. De rechtbank wijst ook op de mogelijkheid voor eisers om in hoger beroep te gaan bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/595

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. R. Joosen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen

(gemachtigde: mr. V. Dassen).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de vraag of het college mocht beslissen dat het bezwaarschrift van eisers niet inhoudelijk hoefde te worden behandeld omdat dat te laat was ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. Dat de bewindvoerder geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit en het besluit te laat heeft doorgezonden aan eisers, komt voor rekening en risico van eisers. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Met een besluit van 20 augustus 2024 heeft het college de algemene en bijzondere bijstand van eisers ingetrokken over de periode van 27 mei 2021 tot 1 mei 2024 en over deze periode teruggevorderd tot een bedrag van € 73.747,57. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
1.1.
Met het bestreden besluit van 5 februari 2025 heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en besluitvorming
2. Eisers ontvangen sinds 8 mei 2020 bijstand naar de norm voor gehuwden. Verder ontvangen eisers bijzondere bijstand voor de kosten van bewind en energietoeslagen.
3. Naar aanleiding van een anonieme melding heeft het college een onderzoek verricht naar het recht op bijstand van eisers. Het college heeft meerdere keren informatie, zoals bankafschriften, opgevraagd bij eisers. Verder heeft het college bij Marktplaats gevorderd om informatie te verstrekken. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat eisers in de periode van 8 mei 2021 tot 1 mei 2024 542 advertenties op Marktplaats hebben geplaatst. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in het handhavingsrapport van 18 juni 2024.
4. Met een besluit van 18 juni 2024, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 19 december 2024, heeft het college de bijstand van eisers beëindigd. In het beëindigingsbesluit heeft het college aan eisers medegedeeld dat er nog een onderzoek plaatsvindt naar het recht op uitkering over de voorliggende periode. Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld. Met een uitspraak van 10 juli 2025 (25/117) heeft de rechtbank Limburg het beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben eisers hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB).
5. Met het besluit van 20 augustus 2024 heeft het college de algemene en bijzondere bijstand van eisers ingetrokken over de periode 27 mei 2021 tot 1 mei 2024 en over deze periode teruggevorderd tot een bedrag van € 73.747,57. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat eisers op geld waardeerbare activiteiten hebben verricht, door op regelmatige basis spullen aan te bieden op Marktplaats. Gelet op de aantallen en ook het soort goederen die te koop zijn aangeboden, is sprake van handel.
6. Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het college heeft dit bezwaar ontvangen op 13 november 2025.
7. Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het bezwaar te laat is ingediend. Hiervoor is geen verschoonbare reden. Dat de bewindvoerder nalatig is geweest om het besluit van 20 augustus 2024 tijdig aan eisers kenbaar te maken, is geen geldige reden voor het te laat indienen van het bezwaarschrift.
Oordeel rechtbank
8. Niet in geschil is dat het college het besluit van 20 augustus 2024 op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt door het te verzenden aan de bewindvoerder van eisers. Ook is niet in geschil dat het bezwaarschrift buiten de termijn van zes weken is ingediend. Partijen zijn verdeeld over de vraag of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is.
9. Eisers hebben gewezen op de nieuwe uitgangspunten in de rechtspraak om de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding te beoordelen. Er is nu meer ruimte om bijzondere omstandigheden aan te nemen. De bewindvoerder is nalatig geweest om eisers tijdig op de hoogte te stellen van het besluit van 20 augustus 2024. De bewindvoerder heeft dit ook erkend. In haar vakantie is de post niet goed verwerkt en als “afgehandeld” in het systeem gezet. Bij toeval kwam de bewindvoerder erachter en heeft toen op 11 november 2024 eiseres geïnformeerd. Daarna hebben eisers meteen bezwaar gemaakt, dat op 13 november 2024 is ontvangen door het college. Zij waren op een eerder moment niet op de hoogte van het besluit van 20 augustus 2024. Deze omstandigheden mogen niet aan eisers worden tegengeworpen.
10. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarbij is het volgende van betekenis.
10.1.
Op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Bij de toepassing van dit artikel moeten, naast toegang tot de rechter, ook de rechtszekerheid, voorspelbaarheid en rechtsgelijkheid worden betrokken. Dat geldt ook voor het belang van een goed uitvoerbare bestuurspraktijk en een efficiënte rechtspleging. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij die beoordeling niet relevant.
10.2.
Eisers hebben terecht naar voren gebracht dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven nieuwe uitgangspunten heeft geformuleerd voor de beoordeling van termijnoverschrijdingen in bestuursrechtelijke procedures. [1] De CRvB heeft zich aangesloten bij dit nieuwe toetsingskader. [2]
10.3.
De nieuwe uitgangspunten houden onder meer in dat bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding – in het geval van een beroep op bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen – een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering wordt gevolgd. Dit betekent dat alle omstandigheden van het geval in hun samenhang moeten worden bezien. Als zich bijzondere omstandigheden voordoen, moet de indiener minder snel worden tegengeworpen dat hij zaken had kunnen organiseren om termijnoverschrijding te voorkomen. Als onderdeel van de contextuele benadering kan bij de vraag naar de toerekening aandacht worden besteed aan de hoedanigheid van de indiener, of de indiener zich heeft laten bijstaan door een rechtshulpverlener of andere derde, de omvang van de termijnoverschrijding, de partijconstellatie en de positie van het bestuursorgaan. Als het gaat om het bewijs van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, bestaat aanleiding voor een minder strikte benadering dan uit vroegere rechtspraak volgt. Dit betekent onder meer dat aan de bewijsmiddelen en de daaraan te verbinden bewijskracht geen in de context van het geval onnodig hoge eisen mogen worden gesteld.
10.4.
De omstandigheden die eisers naar voren hebben gebracht, zijn geen redenen die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Dat eisers onder bewind staan en zelf geen post van het college ontvangen, is geen bijzondere omstandigheid. De bewindvoerder van eisers heeft het besluit van 20 augustus 2024 niet tijdig gezien en doorgestuurd, omdat zij met vakantie was. Ook dat is geen bijzondere omstandigheid. Het is aan de bewindvoerder om te zorgen voor een adequate postverwerking en om eisers tijdig te informeren of andere actie te ondernemen. Verdere omstandigheden aan de zijde van de bewindvoerder zijn niet gesteld. Dat de bewindvoerder geen bezwaar heeft gemaakt en het besluit van 20 augustus 2024 niet heeft doorgezonden aan eisers, is een omstandigheid die voor rekening en risico van eisers komt. [3] Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de nieuwe uitgangspunten om de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding te beoordelen, hierin verandering hebben gebracht.
11. De rechtbank komt gelet op het voorgaande niet toe aan een beoordeling of eisers niet ook indirect kennis hebben kunnen nemen van het besluit. De beroepsgronden die eisers hierover naar voren hebben gebracht, hoeven niet te worden besproken.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, en mr. M.M.L. Goofers, en
mr. M.M.T. Coenegracht
,leden, in aanwezigheid van mr. E.M.L. Kousen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 18 december 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
2.Uitspraak van 8 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:932.
3.Uitspraak van de CRvB van 12 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2472.