Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 augustus 2024 in de zaken tussen
NL Werkgeversdiensten B.V., eiseres 1
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister,
Inleiding
2 februari 2023 heeft de minister een afzonderlijk invorderingsbesluit (bestreden besluit 6) genomen. Eiseres 2 heeft tegen de bestreden besluiten 5 en 6 met instemming van de minister rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank (ROE 23/803 en ROE 23/809).
Relevante feiten en omstandigheden
allewerknemers in dienst. De opdrachtgevers hebben geen loonheffingennummer. De werknemers vallen onder het reguliere ontslagrecht en werken op basis van contracten voor zowel bepaalde als onbepaalde tijd. Doordat eiseressen het volledige personeelsbestand van opdrachtgevers (voor wie de werknemers feitelijk werken) overnemen, worden eiseressen aangemerkt als werkgever in de sector waar de werknemers werkzaam zijn. Hierdoor vallen de werknemers van eiseressen onder sector cao’s en de betreffende bedrijfstakpensioenfondsen. Ook kunnen eiseressen zich verzekeren tegen het verzuim van werknemers. Dat alles is bij reguliere payrollorganisaties niet mogelijk. Ook dragen eiseressen als juridisch werkgever alle werkgeverslasten. Ze zijn daardoor verantwoordelijk voor het doorbetalen van loon bij ziekte, dragen de eventuele ontslagkosten en betalen verzekeringen zoals arbeidsongeschiktheids- en pensioenverzekeringen.
Totstandkoming van de bestreden besluiten
Beoordeling door de rechtbank
allewerknemers van de opdrachtgever overnemen, is de keuze van eiseressen zelf. Dat maakt ook niet dat er geen aanspraak zou kunnen zijn op NOW-subsidies, als aan alle voorwaarden daarvoor wordt voldaan. Daarbij komt dat voor alle bedrijven de voorwaarde geldt dat er sprake moet zijn van een omzetverlies van tenminste 20%. Op concernniveau (het concern Periodieq BV) is daarvan volgens de toelichting van eiseressen geen sprake.
3 juni 2020 [8] en een mondelinge behandeling in de Eerste Kamer op 6 juli 2020 [9] . De strekking is dat uitzendbureaus en payrollbedrijven onder dezelfde voorwaarden als andere bedrijven aanspraak kunnen maken op NOW-subsidies. Over de verhouding met hun opdrachtgevers heeft de minister naar voren gebracht dat het, gelet op de grote verscheidenheid van situaties die het kan betreffen, aan de uitzendbureaus en payrollbedrijven is om in overleg te treden over de nadelige gevolgen van optredende omzetdalingen. Dit betekent dat niet gezegd kan worden dat er voor de door eiseressen gestelde problematiek geen aandacht is geweest. De rechtbank ziet verder geen grond om het standpunt van de minister, dat ziet op overleg tussen uitzendbureaus en payrollbedrijven en hun opdrachtgevers, voor kennelijk onredelijk te houden. Ook hierin ligt daarom geen reden om artikel 6, vijfde lid, van de NOW-1 buiten toepassing te laten.
€ 39.194,- +
niet bekend +
€ 579.672,-. Als zij dit uit hun eigen inkomsten moeten financieren, is het resultaat van beide boekjaren slechts € 53.672,-.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
Informatie over hoger beroep
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
In afwijking van het tweede lid, is de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, de omzet, die is gerealiseerd in de periode tot en met 29 februari 2020, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met drie, gerekend vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf: