ECLI:NL:RBLEE:2010:BO2625
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen navorderingsaanslagen wegens niet aangegeven provisie-inkomsten uit piramidefraude
Belanghebbende en zijn echtgenote werden door de inspecteur belast met navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2003 en 2004, gebaseerd op provisie-inkomsten die zij als tussenpersonen van de hoofdverdachte van een omvangrijke piramidefraude niet hadden aangegeven.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende en zijn echtgenote daadwerkelijk provisies hadden genoten, hetgeen werd ondersteund door verklaringen van de hoofdverdachte en andere getuigen, en dat belanghebbende strofiguren inzette om deze inkomsten te maskeren. Het door belanghebbende overgelegde overzicht ter onderbouwing van zijn stellingen werd door de rechtbank niet geloofd.
De inspecteur had de navorderingsaanslagen op redelijke wijze vastgesteld en de rechtbank oordeelde dat belanghebbende bewust en willens deze inkomsten had verzwegen, wat kwade trouw opleverde voor het jaar 2004. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over 2003 en 2004 wordt ongegrond verklaard wegens bewezen kwade trouw en redelijke schatting van de inspecteur.