ECLI:NL:RBHAA:2007:BL9273
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- C.A.M. van de Rest-van der Heijden
- Rechtspraak.nl
Vordering tot betaling achterstallige royalties wegens onrechtmatige handelwijze Voldafarma
De zaak betreft een vordering van een zangeres en haar voormalig manager tegen Voldafarma en aanverwante partijen wegens achterstallige royaltybetalingen uit hoofde van een overeenkomst uit 1989. De zangeres had haar naam verbonden aan een afslankmiddel dat door Voldafarma werd verkocht. Volgens eiser zijn vanaf circa 1990 structureel te lage betalingen gedaan, wat zij onrechtmatig achten.
Voldafarma en andere gedaagden voeren verjaring aan, stellende dat eiser reeds op 8 juni 1999 bekend was met de schade en de aansprakelijke partijen. De rechtbank overweegt dat de verjaringstermijn van vijf jaar geldt en dat de eiser moet aantonen dat hij niet eerder bekend was met de schade. De rechtbank stelt vast dat op 8 juni 1999 een overeenkomst is gesloten waarin expliciet werd vermeld dat eiser inzage had in de administratie vanwege de betalingsgeschillen.
De rechtbank oordeelt voorshands dat eiser op die datum bekend was met de schade en laat hem toe tegenbewijs te leveren. Indien hij daarin niet slaagt, zal de vordering worden afgewezen wegens verjaring. Indien wel, volgt een comparitie om verdere procedure te bepalen. Het vonnis bepaalt tevens praktische regelingen voor het leveren van bewijs en het horen van getuigen.
Uitkomst: Eiser krijgt gelegenheid tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands oordeel dat hij op 8 juni 1999 bekend was met de schade; verdere beslissing wordt aangehouden.