Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBHAA:2009:BL9290

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
9 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
115334 / HA ZA 05-1045
Instantie
Rechtbank Haarlem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 22 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevel tot overlegging verkoopcijfers en betalingsbewijzen ter onderbouwing schadevordering

In deze civiele procedure tussen eisers en Voldafarma c.s. heeft de rechtbank Haarlem op 9 september 2009 een tussenvonnis gewezen waarin eisers zijn bevolen om aanvullende bewijsstukken te overleggen. Het betreft een faxbericht met exacte verkoopcijfers uit februari 2004, dat essentieel is voor het vaststellen van de omvang van de schade. Ondanks eerdere gelegenheid hebben eisers dit bewijs niet overgelegd, terwijl uit eerdere verklaringen blijkt dat de informatie bij hun advocaat aanwezig is.

Daarnaast is de rechtbank geïnformeerd over een schijnovereenkomst tussen eisers en [A] c.s., waarbij een bedrag van EUR 714.000,- inclusief BTW is betaald in twee termijnen. De rechtbank beveelt eisers daarom ook om bewijsstukken, zoals bankafschriften, te overleggen die de daadwerkelijke betaling van deze bedragen bevestigen.

De rechtbank benadrukt dat het niet naleven van dit bevel kan leiden tot integrale afwijzing van de vordering wegens schending van artikel 21 Rv Pro. De zaak wordt aangehouden en op 23 september 2009 zal een nieuwe rolzitting plaatsvinden voor het nemen van een akte overlegging producties door eisers, waarna Voldafarma c.s. in de gelegenheid wordt gesteld te reageren.

Uitkomst: Eisers worden bevolen ontbrekende verkoopcijfers en betalingsbewijzen te overleggen, zaak aangehouden tot overlegging.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK HAARLEM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 115334 / HA ZA 05-1045
Vonnis van 9 september 2009
in de zaak van
1. [Eiser],
wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,
2. [Eiseres],
wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,
eisers,
advocaat mr. C.M. van der Veer,
tegen
1. de commanditaire vennootschap VOLDAFARMA C.V.,
gevestigd te Lelystad,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VOLDAFARMA BEHEER B.V.,
gevestigd te Lelystad,
3. [Gedaagde 3],
wonende te Lelystad,
gedaagden,
advocaat mr. J.P.M.M. Heijkant
Eisers zullen hierna gezamenlijk [eisers] worden genoemd en afzonderlijk [eiser] en [eiseres]. Gedaagden 1, 2 en 3 zullen gezamenlijk Voldafarma c.s. worden genoemd en afzonderlijk Voldafarma, Voldafarma Beheer en [gedaagde 3].
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 februari 2009
- de akte uitlating omvang schade van [eisers] met de producties E19 en E20
- de antwoordakte van Voldafarma c.s. met de producties G26 en G27.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1. In het tussenvonnis van 11 februari 2009 zijn [eisers] in verband met het vaststellen van de omvang van de schade in de gelegenheid gesteld om bij akte het – volgens [eiser] uit twee of drie pagina’s bestaande – faxbericht van [B] van februari 2004 met de exacte verkoopcijfers van de accountant over te leggen.
2.2. De rechtbank stelt vast dat [eisers] bij akte van 25 maart 2009 handgeschreven overzichten van de verkoopaantallen in de jaren 1991 tot en met 1995 (E19) hebben overgelegd, waaruit volgens [eisers] de verkoopaantallen per week zijn af te leiden. [eisers] hebben niet aangegeven wie de opsteller van deze overzichten is geweest. Voorts hebben [eisers] in het geding gebracht twee pagina’s houdende een overzicht van de verkoopaantallen (E20), opgesteld door accountantskantoor Deloitte op basis van de jaarrekeningen. Ten aanzien van deze laatste productie hebben [eisers] opgemerkt dat zij geen bekendheid hebben met de wijze waarop dit overzicht tot stand is gekomen en verder dat Deloitte uitgaat van onjuiste bedragen die aan [eisers] in de jaren 1989 tot en met 1991 zouden zijn uitbetaald.
2.3. Hoewel de rechtbank in haar tussenvonnis van 11 februari 2009 [eisers] in de gelegenheid heeft gesteld om ter onderbouwing van hun vordering het faxbericht van [B] met de exacte verkoopcijfers in het geding te brengen hebben [eisers] zulks niet gedaan. [eisers] hebben hierover in hun akte van 25 maart 2009 zelfs met geen woord gerept. Onder verwijzing naar artikel 21 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), benadrukt de rechtbank dat op [eisers] de verplichting rust de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. In dat licht bezien begrijpt de rechtbank niet waarom [eisers] hebben verzuimd de faxgegevens, waaruit de schadeomvang zou moeten blijken, in het geding te brengen, terwijl uit de verklaring van [eiser] van 5 september 2007 volgt dat deze informatie bij zijn advocaat ligt.
2.4. De rechtbank is van oordeel dat zij voor de bepaling van de omvang van de schade dient te beschikken over eerdergenoemd faxbericht met de exacte verkoopcijfers en beveelt [eisers] daarom thans op de voet van artikel 22 Rv Pro dit faxbericht alsnog over te leggen. [eisers] hebben immers nimmer aangegeven daarover niet (meer) te beschikken of daar niet (meer) via [B] aan te kunnen komen. Een dergelijk verweer, indien alsnog gevoerd, zou de rechtbank dan ook inmiddels niet meer accepteren. Wanneer [eisers] opnieuw verzuimen de faxgegevens in het geding te brengen, zal de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. In dit geval dienen [eisers] rekening te houden met integrale afwijzing van hun vordering, nu in dat geval ook artikel 21 Rv Pro. door hen wordt geschonden.
2.5. In r.o. 2.1 van het tussenvonnis van 11 februari 2009 heeft de rechtbank vastgesteld dat de procedure tussen [eisers] enerzijds en [A] BV en [A] (hierna: [A] c.s.) anderzijds is geroyeerd nadat tussen hen een overeenkomst is gesloten, waarbij zij elkaar finale kwijting verlenen na voldoening van een bedrag van EUR 714.000,- inclusief BTW te betalen door [A] c.s. aan [eisers]. Daarvan zou EUR 614.000,- inclusief BTW op 29 april 2008 zijn betaald en zou het nog resterende bedrag van EUR 100.000,- uiterlijk op 1 juli 2009 betaald moeten zijn. Gelet op het nalaten tot dusverre van [eisers] om het in hun bezit zijnde faxbericht over te leggen, wenst de rechtbank thans alsnog nadere informatie over de afwikkeling van voornoemde regeling tussen [eisers] en [A] c.s.. De reden hiervan is dat door de hiervoor geconstateerde weigering van [eisers] alsnog rekening moet worden gehouden met de door Voldafarma c.s. – ter gelegenheid van het pleidooi van 21 oktober 2008 – geopperde mogelijkheid dat sprake is van een schijnovereenkomst tussen [eisers] en [A] c.s.. Een en ander brengt met zich dat [eisers] tevens op de voet van artikel 22 Rv Pro zullen worden bevolen bewijsstukken (bankafschriften) in het geding te brengen ten bewijze dat voornoemde in het tussenvonnis van 11 februari 2009 onder r.o. 2.1 genoemde overeenkomst, te weten een betaling van EUR 614.000,- inclusief BTW op 29 april 2008 en een betaling van een bedrag van EUR 100.000,- op 1 juli 2009 daadwerkelijk is uitgevoerd. Ook hier geldt dat bij niet voldoening aan dit bevel de rechtbank soortgelijke conclusies zal trekken als onder 2.4 overwogen.
2.6. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een akte aan de zijde van [eisers] ten behoeve van het overleggen van het in r.o. 2.1 bedoelde faxbericht en de in r.o. 2.5 bedoelde bewijsstukken van de afwikkeling van de overeenkomst tussen [eisers] en [A] c.s.. Voldafarma c.s. zullen daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop, eveneens bij akte, te reageren. Iedere verdere beslissing zal worden aanhouden.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1. beveelt [eisers] op de voet van artikel 22 Rv Pro de onder r.o. 2.1 bedoelde faxgegevens en voorts de bewijsstukken als bedoeld in r.o. 2.5 in het geding te brengen en bepaalt dat de zaak daartoe weer op de rol zal komen van 23 september 2009 voor het nemen van een akte overlegging producties door [eisers],
3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell, mr. L.M. de Vries en mr. S.D. Lindenbergh en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2009.?