ECLI:NL:RBGEL:2026:6010

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
AWB - 25_2961
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 lid 1 PwArt. 58 lid 8 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting bij handel via Marktplaats

Eiser ontvangt sinds november 2019 bijstand als alleenstaande. Naar aanleiding van een anonieme tip en onderzoek van de gemeente bleek dat eiser via Marktplaats duizenden advertenties plaatste en daarmee inkomsten genereerde die niet waren gemeld. Het college trok het recht op bijstand over de periode oktober 2022 tot september 2024 in en vorderde het teveel ontvangen bedrag terug.

Eiser voerde aan onbekend te zijn met de inlichtingenverplichting en stelde dat de verkoop van cd’s geen invloed had op zijn bijstand omdat de opbrengst werd gebruikt voor verduurzaming van zijn woning. De rechtbank oordeelde dat de inlichtingenverplichting objectief is en dat eiser met meer dan 15.000 advertenties sprake was van handel die gemeld had moeten worden. De door eiser overgelegde administratie was onvoldoende om het recht op bijstand nauwkeurig vast te stellen.

De rechtbank bevestigde dat het college terecht schattenderwijs het recht op bijstand had vastgesteld op basis van de Marktplaatsgegevens. Ook was er geen sprake van dringende redenen om af te zien van terugvordering, ondanks het beroep van eiser op zijn goede bedoelingen en financiële gevolgen. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard en het college heeft het recht op bijstand terecht ingetrokken en het teveel ontvangen bedrag van €33.530,63 teruggevorderd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2961

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. N.H.G. van der Hoef),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn,het college
(gemachtigde: mr. L. Kikkert)

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van het recht op bijstand van eiser over de periode van 1 oktober 2022 tot en met 30 september 2024 en over de terugvordering van de in die periode teveel ontvangen bijstand van een bedrag van € 33.530,63 op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking van het recht op bijstand en de terugvordering van het teveel ontvangen bedrag aan bijstand.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht het recht op bijstand van eiser over de periode van 1 oktober 2022 tot en met 30 september 2024 heeft ingetrokken en de in die periode teveel ontvangen bijstand van een bedrag van € 33.530,63 heeft teruggevorderd. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De uitspraak is als volgt opgebouwd. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Het college heeft met het besluit van 14 januari 2025 het recht op bijstand van eiser over de periode van 1 oktober 2022 tot en met 30 september 2024 ingetrokken en de in die periode teveel ontvangen bijstand van een bedrag van € 33.530,63 teruggevorderd op grond van de Pw. Met het bestreden besluit van 27 mei 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dit besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser ontvangt sinds 20 november 2019 bijstand naar de norm van een alleenstaande.
3.1.
Het Team Risicosturing en controle (Team Risc) van de gemeente heeft naar aanleiding van een anonieme tip dat eiser sinds een paar jaar cd’s inkoopt en via Marktplaats doorverkoopt een onderzoek ingesteld naar het recht op bijstand van eiser. Op 27 augustus 2024 zijn bij eiser de bankafschriften van al zijn rekeningen vanaf 1 juli 2024 opgevraagd. Uit deze bankafschriften bleek een groot aantal bijschrijvingen van Marktplaats. Naar aanleiding van deze bevindingen zijn door het Team Risc inlichtingen opgevraagd bij Marktplaats. In reactie op dit verzoek heeft Marktplaats een Excel-bestand verstrekt met een overzicht van alle geplaatste advertenties van een account dat geregistreerd staat op het e-mailadres van eiser. Hieruit blijkt dat er in totaal 15.237 advertenties zijn geplaatst in de periode van 9 november 2019 tot en met 11 september 2024.
3.2.
Naar aanleiding van deze bevindingen is eiser bij brief verzocht om zijn bankafschriften vanaf 20 november 2019 aan te leveren. Ook is hij uitgenodigd voor een gesprek. Vervolgens heeft een handhavingsmedewerker aan eiser medegedeeld dat zijn activiteiten als handel worden aangemerkt. Eiser is verzocht om een sluitende en deugdelijke boekhouding aan te leveren. Eiser heeft hierop door hemzelf opgestelde, handgeschreven lijsten overgelegd.
3.3.
Hierna heeft het college de besluiten genomen zoals vermeld onder 2. Daaraan heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft zijn activiteiten op Marktplaats en de daaruit voortvloeiende inkomsten niet gemeld bij de gemeente. Bovendien heeft eiser geen deugdelijke administratie bijgehouden, waaruit een voor de gemeente volledig na te trekken beeld van de verkopen en inkomsten afgeleid kan worden. Het recht op bijstand is daarom schattenderwijs vastgesteld aan de hand van de bij Marktplaats opgevraagde gegevens. Uit het verkregen overzicht heeft het college vastgesteld dat eiser vanaf oktober 2022 tot en met september 2024 inkomsten heeft verworven boven de voor eiser geldende bijstandsnorm. Eiser had over deze periode daarom geen recht op een uitkering.
De te beoordelen periode
4. De te beoordelen periode loopt van 1 oktober 2022 tot en met 30 september 2024.
Kan eiser de inlichtingenverplichting worden tegengeworpen?
5. De rechtbank merkt allereerst op dat intrekking van het recht op bijstand een voor de betrokkene belastend besluit is. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. [1] In dit geval betekent dit dat het college aannemelijk moet maken dat eiser in de te beoordelen periode de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij cd’s heeft verkocht via Marktplaats.
5.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat hij onbekend was met de inlichtingenverplichting en dat dat hem niet kan worden tegengeworpen. Het college heeft in het toekenningsbesluit namelijk onvoldoende en ontoereikende informatie gegeven over de inhoud van de inlichtingenverplichting. Daarnaast verkeerde hij in de veronderstelling dat de verkoop van cd’s geoorloofd was, omdat hij met de opbrengst zijn huis heeft verduurzaamd. In zijn optiek heeft hij feitelijk een deel (van de waarde) van zijn inboedel ingeruild voor een ander gelijkwaardig deel van zijn inboedel. In dat opzicht is er feitelijk (vrijwel) nauwelijks iets gewijzigd aan zijn inkomens- en of financiële situatie. Bovendien heeft eiser navraag gedaan bij de Belastingdienst of hij zijn Marktplaatsactiviteiten moest melden.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De inlichtingenverplichting is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij de vraag naar verwijtbaarheid geen rol speelt. [2] Het had eiser redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat de verkoop van cd’s van invloed kon zijn op het recht op bijstand nu het ging om de verkoop van vele duizenden cd’s die hebben geleid tot substantiële inkomsten. Met meer dan 15.000 advertenties over de periode van 2019-2024 kan niet meer gesproken van incidentele verkoop van privégoederen, maar is sprake van doorlopende handel. De daaruit verkregen inkomsten had eiser moeten melden. Door dat niet te doen heeft eiser de inlichtingenverplichting geschonden. Dat eiser de inkomsten heeft aangewend voor een ‘goed’ doel, namelijk de verduurzaming van zijn woning, doet daar niet aan af.
5.3.
Dat de bewoordingen in het toekenningsbesluit niet duidelijk genoeg zouden zijn, volgt de rechtbank niet. In het toekenningsbesluit staan de volgende zinssneden: “geef uw nieuwe of andere inkomsten direct aan ons door” en “laat het ons binnen 7 dagen weten zodra er iets in uw situatie verandert: veranderingen hebben vaak gevolgen voor de hoogte en de duur van uw uitkering. Denkt u hierbij aan veranderingen in uw persoonlijke, financiële of woonsituatie”. Deze bewoordingen zijn volgens de rechtbank voldoende duidelijk. Dat eiser navraag zou hebben gedaan bij de Belastingdienst maakt dit ook niet anders. De Belastingdienst is namelijk niet de bevoegde instantie als het gaat om het recht op bijstand van eiser. Dat is het college. Het had daarom voor de hand gelegen als eiser navraag had gedaan bij het college.
Heeft het college de bijstand (schattenderwijs) juist vastgesteld?
6. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is de bijstandverlenende instantie gehouden om, indien mogelijk, schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand heeft, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene dat voortvloeit uit de resterende onzekerheden, komt daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor zijn rekening. Dit is vaste rechtspraak. [3]
6.1.
Eiser betoogt dat het college tot een precieze(re) vaststelling van het recht op bijstand had kunnen komen dan door de schatting enkel te baseren op de door Marktplaats verstrekte lijsten van advertenties. Hij heeft namelijk alle bankafschriften overgelegd en slechts zeer zelden gebruik gemaakt van contante betalingen. Het college heeft ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de bankafschriften, terwijl hieruit vrijwel alle betalingen en daarmee de daadwerkelijke Marktplaatsactiviteiten en -inkomsten, volgen.
6.2.
Zoals is overwogen onder 6 rust door het schenden van de inlichtingenverplichting op eiser de bewijslast om aannemelijk te maken dat en in hoeverre hij ondanks die schending recht op bijstand heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. De door eiser overgelegde stukken vormen namelijk geen deugdelijke en sluitende administratie. De handgeschreven lijsten van eiser – voor zover deze al enig inzicht in zijn activiteiten geven – zijn bijvoorbeeld niet onderbouwd met controleerbare stukken, zoals e-mails of berichten van kopers. Nog daargelaten dat eiser ook zelf niet heeft aangegeven wat het resultaat zou zijn als de bankafschriften zouden worden betrokken, merkt de rechtbank op dat eiser niet heeft ontkend dat er ook – zij het zeer beperkt – contante transacties zijn geweest, zodat niet duidelijk is of en in hoeverre het betrekken van de bankafschriften tot een betere schatting zou hebben geleid.
6.3.
Omdat een deugdelijke en sluitende administratie ontbreekt, is het college terecht op basis van de Marktplaatsadvertenties en de daarin genoemde vraagprijzen tot een schatting gekomen van het recht op bijstand. De rechtbank wijst in dat kader op de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 juni 2022 en 20 januari 2026. [4] De onzekerheid over het verschil tussen de vraagprijzen en de daadwerkelijke verkoopopbrengsten en mogelijke dubbele advertenties komen voor rekening van eiser.
Is er sprake van dringende redenen waarom (gedeeltelijk) afgezien moet worden van terugvordering?
7. Eiser stelt zich tot slot op het standpunt dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan het college (gedeeltelijk) had moeten afzien van terugvordering. Hij zal jarenlang op gekorte bijstand zijn aangewezen. Dat een herziening van de terugvordering na tien jaar wordt overwogen, biedt geen concreet perspectief. Bovendien had het college verder moeten kijken dan naar enkel de financiële gevolgen. Het college had ook moeten betrekken dat eiser zijn inlichtingenverplichting niet bewust heeft geschonden en dus niet te kwader trouw was. Zijn doel was enkel een duurzamer huis door middel van zonnepanelen en een thuisbatterij. Eiser kan dus geen vol verwijt worden gemaakt. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar een uitspraak van 10 december 2024 van de CRvB. [5]
7.1.
De rechtbank overweegt allereerst dat het college verplicht is om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de Pw. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de Pw.
7.2.
De CRvB heeft in verschillende uitspraken tot uitdrukking gebracht dat een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken gebaseerd moet zijn op een belangenafweging. [6] Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
7.3.
De rechtbank oordeelt dat op grond van dat wat eiser naar voren heeft gebracht, het college bij afweging van de betrokken belangen geen dringende redenen heeft hoeven aan te nemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De commissie bezwaarschriften heeft in haar advies, dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, overwogen dat de nadelige gevolgen van het terugvorderingsbesluit voor eiser niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het bestreden besluiten te dienen doel. In dat verband is van betekenis dat de terugvordering niet is ontstaan door trage besluitvorming of ander laakbaar handelen van het college, maar door jarenlange schending van de inlichtingenverplichting door eiser. De rechtbank overweegt in dat kader verder dat het enkele feit dat bij deze beoordeling betekenis toe kan komen aan de vraag of eiser bewust of onbewust de inlichtingenverplichting heeft geschonden, niet maakt dat het college op grond van dringende redenen af had moeten zien van de terugvordering. Eiser heeft bovendien geen andere feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan afgezien had moeten worden van terugvordering. Zo betoogt eiser dat hij jarenlang aangewezen zal zijn op gekorte bijstand, maar heeft hij eventuele financiële problemen hierdoor niet met stukken onderbouwd. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college het recht op bijstand van over de periode van 1 oktober 2022 tot en met 30 september 2024 terecht heeft ingetrokken en de in die periode teveel ontvangen bijstand van een bedrag van € 33.530,63 terecht heeft ingetrokken. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in aanwezigheid van
mr. V. Bouman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.CRvB 7 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2283.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852
4.ECLI:NL:CRVB:2022:1313 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/), r.o. 4.4.3 en ECLI:NL:CRVB:2026:109, r.o. 4.2.4.