Art. 9a NSWArt. 3 Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928Art. 14, tweede lid WBRArt. 63 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 8:88 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Naheffing overdrachtsbelasting na afwijzing NSW-rangschikking en gewekt vertrouwen
Belanghebbende verkreeg in juni 2021 een landgoed en vroeg om een rangschikking als landgoed in de zin van de Natuurschoonwet 1928 (NSW) om vrijstelling van overdrachtsbelasting te verkrijgen. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) wees de aanvraag deels af, met uitzondering van de opstallen die niet voldeden aan de voorwaarden. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beschikking, maar trok het beroep in, waardoor de beschikking onherroepelijk werd.
De inspecteur legde vervolgens een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op over het deel van het landgoed dat niet onder de vrijstelling viel, inclusief belastingrente. Belanghebbende voerde aan dat de RVO door een e-mail onvoorwaardelijk had goedgekeurd en dat het verlaagde tarief van 2% van toepassing was. De rechtbank oordeelde dat de e-mail geen besluit was en geen rechtens te beschermen vertrouwen wekte. Ook was het verlaagde tarief niet van toepassing omdat belanghebbende een rechtspersoon is.
Verder wees de rechtbank het beroep op het evenredigheidsbeginsel en de hardheidsclausule af, omdat deze niet door de rechter kunnen worden getoetst. De belastingrente was correct vastgesteld en matiging was niet aan de orde. Wel werd belanghebbende een vergoeding van €500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarprocedure. Het beroep werd ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag en belastingrente bleven in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting wordt ongegrond verklaard, met een vergoeding van €500 wegens overschrijding redelijke termijn.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8979
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 10 juni 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., uit [plaats 1], belanghebbende
(gemachtigde [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Zwolle, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 8 december 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd. Hierbij is tevens bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft het daartegen gemaakte bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.
Belanghebbende heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank. De inspecteur heeft op het beroepschrift gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Namens belanghebbende is – zonder bericht van verhindering – niemand verschenen. Belanghebbende procedeert vrijwillig digitaal. De rechtbank heeft belanghebbende via Digitale Toegang onder vermelding van tijd en plaats uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zitting op 23 april 2026. De rechtbank heeft op 17 februari 2026 om 10.22 uur een geautomatiseerd notificatiebericht gestuurd aan het opgegeven e-mailadres met daarin de mededeling dat de uitnodiging voor de zitting is geplaatst in het digitale dossier. Belanghebbende heeft de uitnodiging voor de zitting aldus op 17 februari 2026 ontvangen, dan wel wordt geacht die dan te hebben ontvangen. [1] De rechtbank is van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze en tijdig is aangeboden. Namens de inspecteur zijn verschenen mr. [persoon A], [persoon B], [persoon C] en [persoon D].
Feiten
1. Belanghebbende heeft op 18 juni 2021 de juridische eigendom verkregen van het volgende registergoed: het woonhuis met ondergrond, erf, tuin en verder toebehoren gelegen te [plaats 2], [locatie], kadastraal bekend gemeente Beekbergen, sectie [sectie], nummers [nummer 1] en [nummer 2], ter grootte van respectievelijk 21.550 m2 en 3.900 m2 (het landgoed). De totale koopsom bedroeg € 2.200.000.
2. Belanghebbende heeft ter zake van de voorgenomen verkrijging van het landgoed op 19 mei 2021 een verzoek ingediend om het landgoed door middel van een aanleunrangschikking aan te merken als landgoed in de zin van de Natuurschoonwet 1928 (NSW).
3. Op 18 juni 2021 is ter zake van de verkrijging van het landgoed aangifte overdrachtsbelasting gedaan. Hierbij is een beroep gedaan op de vrijstelling van overdrachtsbelasting zoals bedoeld in artikel 9a van de NSW. De aangegeven waarde/verkrijging bedraagt nihil.
4. In een e-mailbericht van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), afdeling NSW.algemeen, van 14 september 2021 aan de gemachtigde van belanghebbende is onder meer het volgende vermeld:
In de bijlage treft u de ontvangstbevestiging ([bevestigingsnummer]) aan met informatie over uw aanvraag in het kader van de Natuurschoonwet 1928.
Voor nadere informatie over de behandeling van uw aanvraag kunt u contact opnemen met de afdeling (…)”
5. In een e-mailbericht van de gemachtigde van belanghebbende van 17 september 2021 aan de RVO, afdeling NSW.algemeen, is onder meer het volgende vermeld:
Onderstaande bericht ontving ik van u. Betekend dit dat de NSW aanvraag nu is goedgekeurd?
Dit is voor ons zeer belangrijk om te weten, omdat we anders tijdig dienen te acteren om financieel nadeel te voorkomen. (…)”
6. Namens de RVO, afdeling NSW.algemeen werd op dit bericht per e-mail van 20 september 2021 (het e-mailbericht) als volgt gereageerd:
“(…) Geachte heer [gemachtigde],
Uw aanvraag is compleet en afgehandeld.
(…)
Met vriendelijke groet,
Teammanager Subsidies EU Rijksdienst voor Ondernemend Nederland Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (…)”
7. Op 30 januari 2024 heeft de Minister voor Natuur en Stikstof, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, via de RVO beslist op het verzoek van belanghebbende van 19 mei 2021. In de hiertoe afgegeven beschikking is bepaald dat het landgoed wordt aangemerkt als landgoed in de zin van de NSW, echter met uitzondering van de opstallen (inclusief erf met tuin) als gelegen op het perceel kadastraal bekend gemeente Beekbergen, sectie [sectie], nr. [nummer 1], ter grootte van ± 0.27.00 ha. Dit omdat genoemde opstallen namelijk niet voldoen aan de daaraan in artikel 3, vijfde lid, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 gestelde voorwaarden.
8. Met dagtekening 22 november 2024 heeft de RVO het door belanghebbende ingediende bezwaar tegen de beschikking van 30 januari 2024 van de RVO ongegrond verklaard. Op 3 december 2025 heeft deze rechtbank aan belanghebbende de intrekking van het tegen de uitspraak ingestelde beroep bij (de algemeen bestuursrechter van) deze rechtbank bevestigd.
9. Op 21 februari 2024 heeft de inspecteur een brief met het voornemen tot naheffing van overdrachtsbelasting ter zake van de verkrijging van het landgoed door belanghebbende verzonden. Daarin heeft de inspecteur medegedeeld dat een deel ter grootte van € 2.010.000 van de totale koopsom niet valt onder de vrijstelling overdrachtsbelasting van artikel 9a van de NSW en dat hij voornemens is om over dit deel 8% overdrachtsbelasting na te heffen.
10. Met dagtekening 8 april 2024 is een naheffingsaanslag opgelegd. Het bedrag van de naheffing bedraagt € 160.800. Tevens is een bedrag van € 18.224 aan belastingrente in rekening gebracht.
11. Bij uitspraak met dagtekening 8 december 2024 heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
Beoordeling door de rechtbank
12. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en zo ja, naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer in het bijzonder is daarbij in geschil of belanghebbende vertrouwen kan ontlenen aan een uiting van de RVO, en of de heffingsgrondslag en het tarief juist zijn vastgesteld. Daarnaast is de belastingrente in geschil. De rechtbank beoordeelt een en ander aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
13. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vooraf
14. De Belastingdienst en de belastingrechter zijn bij de uitvoering van de NSW gebonden aan de beschikking van de RVO over de toepassing van de vrijstelling en zij kunnen niet zelfstandig van deze beslissing afwijken. [2] Uit de via de RVO afgegeven beschikking blijkt dat de zich op het landgoed bevindende opstallen niet tot het vrijgestelde deel (in de zin van artikel 9a van de NSW) behoren.
15. Tegen deze beslissing van het RVO heeft belanghebbende bezwaar gemaakt en vervolgens tegen de afwijzing van dit bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. Doordat zij dit beroep heeft ingetrokken, is de beschikking van de RVO onherroepelijk geworden en staat vast dat de zich op het landgoed bevindende opstallen niet vallen onder de vrijstelling van artikel 9a van de NSW. Hieruit volgt dat belanghebbende ter zake van de verkrijging van het landgoed overdrachtsbelasting is verschuldigd voor het deel van het landgoed dat door de RVO niet als landgoed in de zin van de NSW is aangemerkt.
Kan belanghebbende zich beroepen op gewekt vertrouwen?
16. Belanghebbende voert aan dat de aanvraag voor de NSW-beschikking door middel van het e-mailbericht van 20 september 2021 (zie hiervoor onder 6.) onvoorwaardelijk door de RVO is goedgekeurd. De Belastingdienst kan dan niet in 2024 op dit goedkeuringsbesluit terugkomen door een naheffingsaanslag op te leggen. Belanghebbende beroept zich hierbij op door de Belastingdienst gewekt vertrouwen.
17. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij haar het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat de RVO instemde met het verzoek van belanghebbende van 19 mei 2021. Het e-mailbericht houdt niet een beslissing in dat de gevraagde rangschikking aan belanghebbende wordt toegekend. Het e-mailbericht is ook niet aan te merken als een besluit of als een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Daarnaast is de inhoud van dit bericht zodanig summier dat – gelet op de stand van zaken in de procedure – belanghebbende uit dit stuk niet redelijkerwijs mocht afleiden dat er een standpunt is ingenomen waaraan zij enig vertrouwen zou kunnen ontlenen. Uit de e-mail van 14 september 2021 volgt ook dat slechts sprake is geweest van een ontvangstbevestiging van de aanvraag (zie hiervoor onder 4.). Uit het voorgaande volgt dat van gewekt vertrouwen door de Belastingdienst of de RVO bij belanghebbende geen sprake is.
Is de waarde van het verkregen landgoed juist vastgesteld?
18. Voor de grondslag van de overdrachtsbelasting wordt uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer van het landgoed. De waarde wordt tenminste gesteld op de koopprijs. [3] De tegenprestatie bestond uit de koopprijs van € 2.200.000. Het taxatierapport dat door belanghebbende is overlegd, vermeldt een indicatieve waarde van de twee percelen bosgrond van in totaal € 190.000. Bij het opleggen van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur de in dit taxatierapport genoemde waarde van de bosgrond gevolgd. Belanghebbende onderbouwt haar stelling dat de waarde van de bosgrond te laag en de waarde van het landgoed te hoog is vastgesteld niet. Belanghebbende heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de koopsom is verminderd. Deze beroepsgrond wordt daarom verworpen.
Is ter zake van de verkrijging het juiste tarief toegepast?
19. Belanghebbende stelt dat op de verkrijging het verlaagde tarief van 2% van toepassing is, aangezien de op het landgoed staande woning zelf wordt bewoond.
20. Een van de voorwaarden die artikel 14, tweede lid van de WBR stelt aan toepassing van het verlaagde tarief van 2%, is dat sprake moet zijn van verkrijging door een natuurlijk persoon. Belanghebbende, een niet-natuurlijk persoon, heeft het landgoed verkregen. Dat de woning wordt bewoond door een natuurlijk persoon maakt dat niet anders. Reeds hierom is het verlaagde tarief van 2% niet van toepassing.
Evenredigheidsbeginsel
21. De rechtbank begrijpt dat belanghebbende met haar beroep op de menselijke maat en het evenredigheidsbeginsel heeft bedoeld te stellen dat toepassing van het recht in haar geval onredelijk of onbillijk uitwerkt. De wet- en regelgeving over belastingheffing ter zake van landgoederen in de zin van de NSW betreft echter een politieke keuze. Het zou de taak van de rechter te buiten gaan, om daarover in deze procedure een oordeel te geven. Daarbij is het de rechtbank op grond van artikel 11 vanPro de Wet algemene bepalingen niet toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen.
Hardheidsclausule
22. Toepassing van de hardheidsclausule op grond van artikel 63 vanPro de Algemene wet inzake rijksbelastingen komt niet aan de rechter toe. Deze bevoegdheid is voorbehouden aan de Minister van Financiën. De rechtbank zal zich dan ook niet uitlaten over de toepassing van de hardheidsclausule. Voor een eventueel beroep op de hardheidsclausule zal belanghebbende zich moeten richten tot de Minister van Financiën.
Belastingrente
23. Belanghebbende verzoekt de rechtbank de beschikking belastingrente te vernietigen dan wel de in rekening gebrachte belastingrente te matigen vanwege het tijdsverloop.
24. De belastingrente is over de periode van 1 januari 2022 tot en met 22 april 2024, de dag voorafgaand aan de dag waarop de naheffingsaanslag invorderbaar is, tot het juiste bedrag vastgesteld. De periode waarover belastingrente in rekening is gebracht volgt direct uit de wet. De lange termijn wordt in dit geval met name veroorzaakt door de periode tussen de verkrijging en de afwijzing van belanghebbendes verzoek door de RVO van 30 januari 2024. De Belastingdienst staat hier verder buiten en hoeft hier geen rekening mee te houden.
25. De RVO heeft op 30 januari 2024 op de aanvraag van belanghebbende beslist. Op 21 februari 2024 heeft de Belastingdienst het voornemen tot het opleggen van de naheffingsaanslag bekendgemaakt. De naheffingsaanslag is met dagtekening 8 april 2024 opgelegd. Gelet hierop heeft de Belastingdienst voldoende voortvarend geacteerd en niet te lang gewacht met het opleggen van de naheffingsaanslag. Over de bezwaarfase is geen belastingrente berekend.
26. Belanghebbende had de mogelijkheid om, ter voorkoming van de verschuldigdheid van belastingrente, bij de juridische verkrijging overdrachtsbelasting te voldoen en tegelijkertijd bezwaar te maken tegen de voldoening op aangifte, maar zij heeft dit niet gedaan. Dat zij dat heeft nagelaten, komt voor haar rekening. Belanghebbende is ook in de akte van levering gewezen op het feit dat mogelijk geen vrijstelling van overdrachtsbelasting van toepassing was. Van verwijtbare onzorgvuldigheid van de inspecteur is niet gebleken. De verschuldigde belastingrente is conform de wettelijke regels juist vastgesteld. Voor matiging van de belastingrente bestaat geen aanleiding.
Schadevergoeding
27. Belanghebbende heeft gesteld dat de beslistermijn is overschreden en dat zij door (het late vaststellen van) de naheffingsaanslag schade heeft geleden. De rechtbank leest hierin een verzoek om zowel een materiële als een immateriële schadevergoeding.
Materiële schadevergoeding
28. De bestuursrechter kan op verzoek van belanghebbende een bestuursorgaan veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding als sprake is van een onrechtmatig besluit, het niet tijdig nemen van een besluit of andere onrechtmatige handelingen van het bestuursorgaan. [4] Deze mogelijkheid is in 2013 ingevoerd met de ‘Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten’. In deze wet is ook overgangsrecht opgenomen waarin is bepaald dat de mogelijkheid om een bestuursorgaan te veroordelen tot schadevergoeding niet geldt voor schade die is veroorzaakt door besluiten of handelingen van de Belastingdienst, behalve voor de vennootschapsbelasting. Daarbij is ook bepaald dat het oude recht over het toekennen van schadevergoeding van toepassing blijft. [5] Dit betekent dat de rechtbank alleen bij een gegrond beroep een schadevergoeding kan toekennen. Omdat het beroep ongegrond is, moet de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afwijzen. Belanghebbende kan zich desalniettemin wenden tot de civiele rechter voor een oordeel over haar verzoek om schadevergoeding.
29. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. [6]
30. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek. [7]
31. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn vast te stellen op langer dan twee jaar. De inspecteur heeft het bezwaarschrift tegen de aanslag ontvangen op 20 april 2024. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) twee jaar en twee maanden. Op het moment van doen van uitspraak door de rechtbank is de redelijke termijn met twee maanden overschreden, afgerond een half jaar. Dit betekent een vergoeding van € 500. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 8 december 2024. De overschrijding van de redelijke termijn is volledig toerekenbaar aan de bezwaarfase. De rechtbank zal daarom de inspecteur veroordelen om € 500 aan belanghebbende te betalen.
Conclusie en gevolgen
32. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende heeft wel recht op een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn, maar dit leidt er niet toe dat het beroep gegrond moet worden verklaard.
33. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding omdat niet is gesteld, laat staan gebleken van kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht hiervoor in aanmerking komen. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade is na 31 mei 2024 gedaan. Belanghebbende heeft daarom geen recht op vergoeding van griffierecht. [8]
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 500 aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, en mr. L.L. van Benthem en mr. A.C. Smale, leden, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.
Uitgesproken op 10 juni 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
voorzitter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
7.Beleidsregel van de Minister van veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.