Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4484

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
24_4467 en 4476
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.12 Wet IB 2001Art. 3 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen winstuitdeling door prijsgeven vorderingen bij lening aandeelhouder

Belanghebbende en zijn partner zijn elk voor 50% aandeelhouder in een vennootschap die hen leningen verstrekte voor de aankoop van een woning en rekening-courantschulden. De inspecteur stelde dat sprake was van een onttrekking in de vorm van het prijsgeven van vorderingen door de vennootschap, waardoor een deel van de schuld als winstuitdeling moest worden belast in box 2 voor de jaren 2016 en 2017.

De rechtbank beoordeelde of de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat de vennootschap haar rechten als schuldeiser had prijsgegeven. De inspecteur verwees slechts naar een brief uit 2017 en kon dit niet nader onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat dit onvoldoende was en dat niet was komen vast te staan dat de geleende bedragen het vermogen van de vennootschap definitief hadden verlaten.

Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad rust de bewijslast bij de inspecteur om aan te tonen dat sprake is van een onttrekking en bevoordelingsbedoeling. De rechtbank concludeerde dat de inspecteur dit niet had gedaan en vernietigde de uitspraken op bezwaar. De aanslagen werden verminderd tot het belastbaar inkomen uit werk en woning, met nihil in box 2. Tevens werd de belastingrente verminderd en werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de aanslagen inkomstenbelasting 2016 en 2017 voor het deel van het inkomen uit aanmerkelijk belang en stelt dit op nihil.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/4467 en 24/4476

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 24 april 2026

in de zaken tussen

[belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 21 december 2023 en 27 december 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende aanslagen opgelegd:
  • voor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.970 en naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 67.488. Tevens is aan belanghebbende € 1.861 belastingrente in rekening gebracht.
  • voor het jaar 2017 een aanslag IB/PVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.906 en naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 79.285. Tevens is aan belanghebbende € 1.599 belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslagen gehandhaafd.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 15 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [persoon A]. Namens de inspecteur hebben hieraan deelgenomen [persoon B] en [persoon C].
Ter zitting zijn gelijktijdig en gezamenlijk behandeld de beroepen van de partner van belanghebbende, [persoon D], met de zaaknummers 24/4259 en 24/4267.

Feiten

1. Belanghebbende en zijn partner zijn ieder voor 50% aandeelhouder in [de vennootschap] B.V. (de vennootschap).
2. In 2010 heeft belanghebbende samen met zijn partner voor € 700.000 een eigen woning gekocht, gelegen aan de [locatie] te [plaats 2]. De koopsom is gefinancierd met een lening van € 700.000 van de vennootschap. Op 12 november 2012 is ten behoeve van de vennootschap een recht van hypotheek op de woning gevestigd tot zekerheid van de terugbetaling van deze geldlening. Daarin is verder bepaald dat vanaf 14 januari 2010 een rente is verschuldigd van 5% en dat maandelijks € 1.944 dient te worden afgelost, voor het eerst op 31 december 2012.
3. Belanghebbende en zijn partner hebben een rekening-courantschuld aan de vennootschap. Er is in 2012 een rekening-courantovereenkomst opgemaakt voor een maximaal bedrag aan kredietverlening van € 500.000 met een rente van 5% per jaar, welke rente jaarlijks in rekening-courant is verwerkt.
4. Op 3 maart 2016 hebben belanghebbende en zijn partner de eigen woning verkocht voor € 508.750. Bij die gelegenheid is de hypothecaire geldlening bij de vennootschap voor een bedrag van € 479.974 afgelost.
5. Het verloop van de schulden van belanghebbende en zijn partner aan de vennootschap is als volgt:
Saldo per 31 december
Lening (€)
Rekening-courant €
Totaal €
Mutatie rekening-courant €
2009
29.728
29.728
2010
700
279.201
979.201
249.473
2011
700
346.298
1.046.298
67.097
2012
700
369.009
1.069.009
22.711
2013
700
395.314
1.095.314
26.305
2014
700
418.842
1.118.842
23.528
2015
700
453.322
1.153.322
34.48
2016
220.027
463.297
683.324
9.975
2017
220.027
496.867
716.894
33.57
6. Bij de aanslagregeling IB/PVV van belanghebbende ter zake van het jaar 2014 heeft de inspecteur vragen gesteld over de schuldpositie van belanghebbende bij de vennootschap. Naar aanleiding van de antwoorden daarop is de inspecteur afgeweken van de ingediende aangifte. In de brief ‘voornemen af te wijken van aangifte’ van 15 maart 2017 is onder meer het volgende opgenomen:

“1. Afwijking(en) per onderdeel van de aangifte

Inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2)

Aanmerkelijk belang
Uit mijn dossier blijkt dat [de vennootschap] BV in 2010 een aanzienlijke boekwinst heeft gemaakt met de verkoop van een stuk grond. Voor deze boekwinst is een HIR gevormd, welke in 2013 is vrijgevallen. Tot zo ver niets aan de hand. Ik constateer echter ook dat in 2010, na deze verkoop, [belanghebbende] een nieuw en gelet op zijn inkomen veel te duur huis koopt. Daarnaast loopt er nog een RC met een kredietplafond van € 500.000. Naar mijn mening kan [belanghebbende] dit nooit (volledig) terugbetalen. Kijkend naar de te betalen rente (over de RC en de hypothecaire lening) en het inkomen van [belanghebbende] is de rente al te hoog. Laat staan dat er kan worden afgelost, hetgeen dan ook niet gebeurt. Uit de oplopende RC blijkt ook dat [belanghebbende] de (volledige) rente niet kan betalen vanuit zijn reguliere inkomen. Niet gek als je bedenkt dat de schuld twaalf maal zijn jaarinkomen is. Alleen met de verkoop van de betreffende woning in 2016 wordt er een deel afgelost. Er blijft echter een behoorlijk restschuld. Naast de schuld in RC die [belanghebbende] nog steeds heeft. Komt bij dat nu door de verkoop van de woning ook de zekerheid die door de BV bedongen was is weggevallen. Kijkend naar de situatie (hoogte schuld, inkomsten en vermogen [belanghebbende]) en de tijdlijn (verkoop grond, boekwinst, aankoop te dure woning, financiering te hoog en volledig via BV, verkoop voor gedeeltelijke aflossing) is er bij zowel de BV als bij [belanghebbende] sprake moet zijn geweest van bewustzijn dat er te veel geld is geleend. En dat een deel van dit geld het vermogen van de BV blijvend heeft verlaten. Er heeft dus een vermogensverschuiving plaats gevonden waarbij de BV is verarmd en [belanghebbende] is verrijkt. Dat er door de verkoop van de grond in 2010 meer dan voldoende winstreserve was lijkt me evident. Voor deze aangifte over 2014 betekent dit dat ik voor het bedrag waarmee de totaalschuld verder oploopt (i.c. € 23.528) uitdeling stel.
In 2016 wordt de onderhavige woning verkocht en vindt er een aflossing plaats van € 479.973. Dit betekent tegelijkertijd dat er een restschuld ontstaat van € 220.027. Ultimo 2014 Is de schuld in RC van [belanghebbende] aan [de vennootschap] BV € 418.841 - € 23.528 (bedrag aan uitdeling) = € 395.313. Ik stel voor de bedragen waarmee de schuld (in RC) over 2015 en 2016 oploopt ook sprake is van uitdeling. Ik zal de aangiften over 2015 en 2016 tegen die tijd hier op aanpassen.
Vorenstaande betekent ook dat de schuld ultimo 2016 nog steeds € 220.027 (restschuld woning) + € 395.313 (RC) = € 615.340 is. Dat is maal het jaarsalaris van [belanghebbende]. Bij een rente van 5% zoals in de overeenkomst is opgenomen, bedraagt deze rente per jaar ruim € 30.000. Niet op te brengen door [belanghebbende].
Komt bij dat de leenovereenkomst een kredietplafond heeft van "slechts" € 500.000 en er geen zekerheden zijn gesteld. Een rente van 5% is dus zeker niet te hoog. Graag verneem ik van u hoe [belanghebbende] deze schuld gaat terugbetalen / verlagen?
Voor deze aangifte over 2014 stel ik dat er voor een bedrag van € 23.528 sprake is van uitdeling.”
7. Belanghebbende heeft niet op de brief van de inspecteur van 15 maart 2017 gereageerd. De in de tabel hierboven in punt 5. omkaderde bedragen zijn over de betreffende jaren als uitdeling van winst gecorrigeerd. Bij brief van 25 april 2017 heeft de inspecteur aangekondigd de rekening courantschuld voor de jaren 2015 tot en met 2018 jaarlijks te zullen verminderen met € 125.000 door het stellen van een uitdeling voor hetzelfde bedrag.
8. Het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is voor belanghebbende in 2016 door de inspecteur vastgesteld op € 67.488, zijnde de helft van € 125.000 ter zake van de aflossing van de hoofdsom en de helft van € 9.975 ter zake van de toename van de schuldenpositie in 2016.
9. Het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is voor belanghebbende voor 2017 door de inspecteur vastgesteld op € 79.285, zijnde de helft van € 125.000 voor de aflossing van de hoofdsom en de helft van € 33.570 voor de toename van de schuldenpositie in 2017.
10. Met dagtekening 21 februari 2020 heeft de inspecteur een aanslag IB/PVV 2016 op naam van belanghebbende vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.970 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 67.488. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
11. Met dagtekening 25 augustus 2020 heeft de inspecteur een aanslag IB/PVV 2017 op naam van belanghebbende vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.906 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 79.285. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de rechtbank

12. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. De rechtbank beoordeelt een en ander aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. In het bijzonder is in geschil of de inspecteur in 2016 en 2017 uitdelingen van winst in aanmerking kon nemen.
13. Belanghebbende is van mening dat geen sprake is geweest van bewustheid bij zowel belanghebbende als bij de vennootschap dat belanghebbende teveel geld bij de vennootschap zou hebben geleend. Ook stelt belanghebbende dat de bedragen het vermogen van de vennootschap niet blijvend hebben verlaten.
14. Belanghebbende heeft subsidiair gesteld dat het door de inspecteur als bovenmatig gekwalificeerde deel van de schuld reeds in 2010 het vermogen van de vennootschap blijvend heeft verlaten. In dat jaar is de schuld aan de vennootschap immers toegenomen van € 29.728 tot € 979.201. Daarom had de inspecteur volgens belanghebbende dat deel van de schuld van belanghebbende aan de vennootschap reeds in 2010 als winstuitdeling in aanmerking moeten nemen. De bij de aanslagregeling inkomstenbelasting 2016 en 2017 toegepaste correcties van het inkomen uit aanmerkelijk belang zijn dus in de verkeerde jaren toegepast en moeten om die reden vervallen, aldus nog steeds belanghebbende.
15. Verder stelt belanghebbende dat een gespreide correctie over meerdere jaren, zoals in dit geval, had moeten worden geformaliseerd in een vaststellingsovereenkomst. Dat is niet gebeurd, waardoor belanghebbende niet gehouden was om enige correctie in zijn aangifte toe te passen.
16. De inspecteur heeft gesteld dat de vordering van de vennootschap op de aandeelhouder onzakelijk hoog was en dat een willekeurige derde/schuldeiser een dergelijke financiële verhouding niet op die manier zou accepteren. De geleende gelden hebben de vennootschap bij het aangaan van de lening niet blijvend verlaten, aldus de inspecteur.
17. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Juridisch kader
18. Tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behoren voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen (reguliere voordelen), verminderd met de aftrekbare kosten. [1] Tot de reguliere voordelen behoren ook onttrekkingen die als winstuitdeling zijn aan te merken. Onder omstandigheden kan een geldlening die een vennootschap verstrekt aan haar aandeelhouder als een onttrekking worden aangemerkt.
19. In zijn arrest van 13 januari 2023 [2] (het arrest) heeft de Hoge Raad in dat verband onder meer overwogen:
“(…)
3.4.2
Geldmiddelen die een vennootschap ten titel van lening aan haar aandeelhouder verstrekt, moeten op het moment van hun verstrekking worden aangemerkt als een onttrekking indien op dat moment vaststaat of zo goed als zeker is dat de aandeelhouder deze geleende gelden niet kan of zal aflossen. In dat geval moet namelijk worden aangenomen dat die gelden op het moment van verstrekking daarvan het vermogen van de vennootschap definitief hebben verlaten en tot het vermogen van de aandeelhouder zijn gaan behoren op grond van de tussen hen bestaande vennootschappelijke betrekkingen. Dit wordt niet anders indien de mogelijkheid bestaat dat die gelden in de toekomst worden verrekend met een dividenduitkering van de vennootschap.5
3.4.3
Ook na het moment waarop een vennootschap gelden ter leen aan haar aandeelhouder heeft verstrekt, bestaat de mogelijkheid dat het bedrag ervan geheel of gedeeltelijk een onttrekking gaat vormen. Dat is het geval indien dat bedrag het vermogen van de vennootschap definitief heeft verlaten doordat de vennootschap rechten die haar als crediteur toekomen, geheel of gedeeltelijk prijsgeeft op grond van de met de aandeelhouder bestaande vennootschappelijke betrekkingen. De onttrekking vindt dan plaats op het moment van dit prijsgeven. Indien de vennootschap ook zonder die betrekkingen zulke rechten zou hebben prijsgegeven, maar tot een lager bedrag, vindt slechts een onttrekking plaats voor zover het prijsgegeven bedrag dit lagere bedrag overtreft.6
3.4.4
Indien en voor zover een onttrekking als hiervoor in 3.4.2 en 3.4.3 bedoeld kon plaatsvinden uit winst of winstreserves dan wel in het vooruitzicht van te maken winst, kan zij onder omstandigheden een winstuitdeling door de vennootschap aan de aandeelhouder zijn.7 Die vereiste omstandigheden zijn: (a) dat de vermogensverschuiving naar de aandeelhouder is geschied met de bedoeling de aandeelhouder als zodanig te bevoordelen, en (b) dat zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich bewust was of had moeten zijn van niet alleen die vermogensverschuiving maar ook van die bevoordelingsbedoeling. Dit laatste vereiste strekt zich niet uit tot de exacte omvang van het bedrag van die vermogensverschuiving.8
3.4.5
De inspecteur die zich op het standpunt stelt dat een winstuitdeling heeft plaatsgevonden, zal de feiten en omstandigheden moeten stellen en – in geval van betwisting – aannemelijk moeten maken die meebrengen dat en in hoeverre een bedrag definitief is onttrokken aan het vermogen van de vennootschap en dat bovendien is voldaan aan de hiervoor in 3.4.4 vermelde vereisten.
(…)
5Vgl. HR 29 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4761.
6Vgl. HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:355, rechtsoverweging 3.5.
7Vgl. HR 1 november 1989, ECLI:NL:HR:1989:BH7458, rechtsoverweging 4.3.
8Vgl. HR 24 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0411, rechtsoverweging 4.3, en het aldaar genoemde arrest HR 8 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2193, rechtsoverweging 5.1.
(…)”
Beoordeling
20. De bewijslast dat sprake is van een onttrekking in de vorm van prijsgeven van de vorderingen in de zin van het arrest, rust op de inspecteur.
21. Uit rechtsoverweging 3.4.2 van het hiervoor geciteerde arrest volgt dat ten eerste dient te worden beoordeeld of op het moment van het aangaan van de lening vaststaat of zo goed als zeker is dat de aandeelhouder deze geleende gelden niet kan of zal aflossen. De rechtbank hoeft deze vraag in deze zaken niet te beantwoorden omdat de geldleningen zijn aangegaan in 2010 en in deze procedure uitsluitend de aanslagen IB/PVV over de jaren 2016 en 2017 aan de orde zijn.
22. Gelet op rechtsoverweging 3.4.3 van het arrest dient vervolgens te worden beoordeeld of de door de inspecteur gestelde bedragen het vermogen van de vennootschap definitief hebben verlaten doordat de vennootschap rechten die haar als crediteur toekomen, geheel of gedeeltelijk heeft prijsgegeven op grond van de met de aandeelhouder bestaande vennootschappelijke betrekkingen.
23. De inspecteur heeft aangevoerd dat er middels hetgeen in de brief van 15 maart 2017 (zie punt 6.) door de inspecteur is geschreven, weliswaar geen afspraken met belanghebbende zijn gemaakt om de geldlening naar zakelijke verhoudingen terug te brengen, maar dat belanghebbende door geen bezwaar te maken tegen de correcties in de aanslagen over de jaren 2014 en 2015, deze ‘verzakelijking’ van de leningen heeft geaccepteerd.
24. Belanghebbende heeft betwist dat afspraken zouden zijn gemaakt over ‘verzakelijking’ van de leningen en heeft gesteld dat uit het feit dat geen bezwaar is gemaakt tegen de correcties in de aanslagen over de jaren 2014 en 2015 niet geconcludeerd kan worden dat belanghebbende zich ook voor 2016 en 2017 kon vinden in die voorgestelde correcties.
25. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vennootschap haar rechten als schuldeiser heeft prijsgegeven. De inspecteur heeft ter onderbouwing daarvan slechts verwezen naar de hiervoor onder punt 6 genoemde brief van 15 maart 2017. Ter zitting heeft de inspecteur ook erkend dat hij zijn stellingen daarover niet nader kan onderbouwen, anders dan door te verwijzen naar die brief. De rechtbank is van oordeel dat die verwijzing onvoldoende is. Dat belanghebbende over de jaren 2014 en 2015 kennelijk heeft berust in de correcties voor wat betreft die jaren, maakt dat niet anders. De inspecteur heeft bovendien ter zitting verklaard dat geen sprake is van het (formeel) prijsgeven van de rechten door de vennootschap in 2016 en 2017.
26. De inspecteur heeft verder gesteld dat van prijsgeven ook in materieel opzicht sprake kan zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven hoe het arrest op dit punt moet worden uitgelegd. Ook als de Hoge Raad met de term prijsgeven in het arrest het prijsgeven in materieel opzicht zou hebben bedoeld, heeft de inspecteur op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat daarvan in dit geval sprake is.
27. Nu niet is komen vast te staan dat de geleende bedragen het vermogen van de vennootschap in 2016 of 2017 definitief hebben verlaten doordat de vennootschap haar rechten die haar als crediteur toekomen, in die jaren geheel of gedeeltelijk zou hebben prijsgegeven op grond van de vennootschappelijke betrekkingen, is geen sprake van een onttrekking en daarmee dus ook niet van een winstuitdeling.
28. Uit het voorgaande volgt dat de inspecteur ter zake van de jaren 2016 en 2017 ten onrechte inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking heeft genomen bij belanghebbende en de partner. De overige stellingen van belanghebbende behoeven hierdoor geen bespreking meer.
29. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Aangezien belanghebbende geen zelfstandige beroepsgronden tegen de beschikkingen belastingrente heeft aangevoerd, moet de in rekening gebrachte belastingrente worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de belastingaanslagen.

Conclusie en gevolgen

30. De beroepen zijn gegrond omdat de inspecteur het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang over 2016 en 2017 te hoog heeft vastgesteld. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar.
31. De rechtbank zal het belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen over het jaar 2016 vaststellen op een bedrag van € 19.970 en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang op nihil. De rechtbank zal het belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen over het jaar 2017 vaststellen op een bedrag van € 32.906 en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang op nihil. De in rekening gebrachte belastingrente wordt dienovereenkomstig verminderd.
32. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.
33. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.802 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1,5 in verband met vier samenhangende zaken [3] ). Een kostenvergoeding voor bezwaar is niet in bezwaar gevraagd en is daarom niet toewijsbaar. De rechtbank zal aan belanghebbende en de partner ieder de helft, € 1.401, van de toegekende vergoeding toewijzen. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vermindert de belastingaanslag voor het jaar 2016 tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.970 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil;
- vermindert de belastingaanslag voor het jaar 2017 tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.906 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil;
- vermindert de bijbehorende beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraken op bezwaar;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 102 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.401 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, voorzitter, en mr. F.M. Smit en mr. A.C. Smale, leden, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
griffier
voorzitter
Deze uitspraak is uitgesproken op 24 april 2026, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze aan partijen is verzonden.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 4.12, letter a, van de Wet IB 2001.
3.Zie artikel 3 en Pro bijlage C2 bij het besluit.