ECLI:NL:RBGEL:2026:4398

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
11702102
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:69 BWArt. 3:72 lid 1 BWArt. 6:101 BWArt. 6:119 BWArt. 6:198 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige advisering effectenlease door Dexia leidt tot volledige schadevergoeding aan erfgenamen

De zaak betreft een effectenleaseovereenkomst die de erflater via een tussenpersoon met Dexia is aangegaan. Na het overlijden van de erflater vorderen diens erfgenamen schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van Dexia. Dexia voert verweer, waaronder een beroep op verjaring.

De rechtbank stelt vast dat Dexia haar zorgplicht heeft geschonden door het accepteren van de erflater als cliënt terwijl de tussenpersoon geen vergunning had en persoonlijk advies gaf. De erfgenamen hebben voldoende concreet gesteld dat sprake was van vergunningplichtige advisering, en Dexia heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist.

De verjaring wordt verworpen omdat de stuitingshandelingen tijdig zijn verricht en bekrachtigd. Dexia wordt veroordeeld tot betaling van € 4.359,03 plus wettelijke rente, en tot het doorhalen van eventuele BKR-registraties. Proceskosten worden aan Dexia opgelegd. De vorderingen van Dexia worden afgewezen.

Uitkomst: Dexia wordt veroordeeld tot volledige schadevergoeding aan de erfgenamen wegens onrechtmatig handelen bij effectenleaseovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: 11702102 \ CV EXPL 25-4088
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van

1.[naam eiser in conventie / verzoeker in incident 1] ,2. [naam eiser in conventie / verzoeker in incident 2] ,

beiden procederend ten behoeve van de gemeenschap,
in hoedanigheid van wettelijke erfgenamen van
[naam erflater](hierna te noemen: [de erflater] ),
beiden wonende in [woonplaats] ,
eisende partijen in conventie in de hoofdzaak en verzoekende partijen in het incident,
verwerende partijen in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. G. van Dijk van Leaseproces,
tegen
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak en verwerende partij in het incident,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.
De eisende partijen (in conventie) worden hierna afzonderlijk ‘ [eiser in conventie 1] ’ en ‘ [eiser in conventie 2] ’ en tezamen ‘de erfgenamen’ genoemd. De gedaagde partij (in conventie) wordt hierna met ‘Dexia’ aangeduid.

1.Kern van de zaak

1.1.
[de erflater] heeft via een tussenpersoon een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorgangster van) Dexia. Die overeenkomst(en) hield(en) het volgende in. [de erflater] leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [de erflater] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst(en) werden de aandelen verkocht en moest [de erflater] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [de erflater] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [de erflater] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [de erflater] geleden schade helemaal aan de erfgenamen moet vergoeden.
2. De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met een incidenteel verzoek,
- de conclusie van antwoord in het incident en van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met een incidenteel verzoek,
- de conclusie van antwoord in het incident in reconventie,
- de conclusie van antwoord in het incident en van repliek in conventie en van antwoord in reconventie,
- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie,
- de conclusie van dupliek in reconventie, tevens houdende akte uitlaten producties in conventie,
- de akte uitlaten producties.
2.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1.
[de erflater] heeft de volgende leaseovereenkomst (hierna: de overeenkomst) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
Looptijd
Leasesom
I.
21689356
14-07-2000
Capital Effect
240 mnd.
€ 21.976,80
3.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
21-06-2006
- € 1.575,16
Deels, een bedrag van € 92,25 is verrekend met dividenden
3.3.
Volgens opgave van Dexia heeft [de erflater] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 5.952,05 aan maandtermijnen en geen bedrag aan restschuld (anders dan bij wijze van verrekening) aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [de erflater] een bedrag van € 1.015,53 aan dividenden ontvangen en € 577,49 aan fiscaal voordeel genoten.
3.4.
[de erflater] is op 20 oktober 2019 overleden, zo volgt – aldus (uiteindelijk ook Dexia) – uit de overgelegde verklaring van erfrecht. [eiser in conventie 1] en [eiser in conventie 2] zijn de wettelijke erfgenamen.
3.5.
De gemachtigde van eerst [de erflater] en na zijn overlijden zijn erfgenamen, Leaseproces, heeft bij brief van 28 november 2005 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook nog andere gronden aan te voeren.
4. De vordering en het verweer in de hoofdzaak en in de incidenten in conventie en in reconventie
4.1.
De erfgenamen vorderen (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident:
 Dexia zal veroordelen een afschrift van het aanvraagformulier behorende bij de overeenkomst aan de erfgenamen te verstrekken,
- in de hoofdzaak:
 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [de erflater] en/of toerekenbaar is tekortgeschoten,
 voor recht zal verklaren dat [de erflater] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en zij gehouden is die schade te vergoeden,
 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan de erfgenamen van al datgene dat [de erflater] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, met wettelijke rente,
  • voor recht zal verklaren dat de erfgenamen de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd zijn,
  • Dexia te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis te bewerkstelligen dat de registratie van [de erflater] bij het Bureau Kredietregistratie in Tiel wordt doorgehaald en dat de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat Dexia daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 20.000,00,
 Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van de erfgenamen, met wettelijke rente,
 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met wettelijke rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident:
 de erfgenamen ex artikel 195 Rv Pro zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens de erfgenamen in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,
- in de hoofdzaak:
 de erfgenamen zal veroordelen om aan Dexia te betalen een bedrag van € 432,80, met wettelijke rente,
 voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst met contractnummer ‘21689356’ niets meer aan de erfgenamen verschuldigd is, met een veroordeling van de erfgenamen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.
5. De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en de verzoeken in de incidenten
algemeen
5.1.
Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [de erflater] .
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[de erflater] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
verjaring
5.4.
Het meest verstrekkende verweer van Dexia is haar beroep op verjaring. Dexia heeft erop gewezen dat [de erflater] in 2019 is overleden. Zij stelt dat de vorderingen van de erfgenamen in 2022 zijn verjaard. Dexia voert daartoe aan dat de verjaring namens [de erflater] in 2017 voor het laatst is gestuit en de eerstvolgende stuitingshandeling uit 2021 niet namens [de erflater] is verricht (aangezien hij reeds was overleden) en ook niet namens de erfgenamen, omdat zij Leaseproces pas in 2025 hebben gevolmachtigd.
5.5.
De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van Dexia dat de vorderingen van de erfgenamen in 2022 zijn verjaard. Door het overlijden van [de erflater] is zijn volmacht aan Leaseproces geëindigd (artikel 3:72 lid 1 BW Pro). Op grond van artikel 3:69 BW Pro kan een rechtshandeling die is verricht door iemand die daartoe niet specifiek gevolmachtigd was, worden bekrachtigd. Dat laatste hebben de erfgenamen in de volmacht van 23 april 2025 wat betreft de stuitingsbrieven (eigenlijk: stuitingshandelingen) uit 2012, 2016, 2017, 2019, 2021, 2024 en 2025 gedaan. Dit brengt mee dat de verjaring met de door Leaseproces namens (de erfgenamen van) [de erflater] verstuurde stuitingsbrieven, steeds tijdig is gestuit. Gelet daarop, behoeft het beroep van de erfgenamen op zaakwaarneming in de zin van artikel 6:198 BW Pro en 6:201 BW niet meer te worden beoordeeld.
tussenpersoon
5.5.
[de erflater] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon
Alpha Emergo (hierna: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). [2] Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.6.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [de erflater] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [de erflater] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op de erfgenamen als de partijen die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroepen. De door de erfgenamen gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen (inclusief erflater [de erflater] ) al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [de erflater] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.7.
De erfgenamen stellen over de feitelijke gang van zaken het volgende:
[de erflater] kwam in contact met Alpha Emergo. De medewerker van Alpha Emergo stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van [de erflater] door te nemen met een financieel adviseur van Alpha Emergo. [de erflater] heeft hiermee ingestemd. De adviseur is vervolgens op huisbezoek gekomen bij [de erflater] . De ex-partner
van [de erflater] was hierbij aanwezig.
Tijdens het adviesgesprek heeft de adviseur van Alpha Emergo geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [de erflater] . Zo is met de adviseur gesproken over het inkomen, het werk en de pensioensituatie van [de erflater] . Daarbij diende [de erflater] salarisstroken te laten zien aan de adviseur. Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van [de erflater] om zijn pensioen aan te vullen, omdat [de erflater] werkzaam was als chauffeur en daarbij versnipperd en beperkt pensioen had opgebouwd bij verschillende werkgevers. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikt product voor wist.
De adviseur adviseerde [de erflater] om een Capital Effect product van Bank Labouchere af te sluiten. Aan de hand van de verstrekte salarisgegevens adviseerde de adviseur om deze overeenkomst af te sluiten met een maandelijkse inleg van ongeveer NLG 200,00. Op deze wijze kon [de erflater] volgens de adviseur aanzienlijk vermogen opbouwen om zijn pensioen aan te vullen.
De adviseur zette zijn advies kracht bij met berekeningen die hij tijdens het adviesgesprek op kladpapier noteerde. Met de berekeningen liet de adviseur de mogelijke rendementen uit het Capital Effect zien. Met de voorgespiegelde vermogensopbouw kon [de erflater] zijn wensen realiseren, aldus de adviseur. De adviseur heeft dit kladpapier weer meegenomen. Er is geenszins aandacht besteed aan mogelijke negatieve rendementen.
De adviseur heeft [de erflater] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als [de erflater] op deze risico’s gewezen was had hij het Capital Effect nooit afgesloten. De ex-partner van [de erflater] vroeg nog naar risico’s, waarop de adviseur haar en [de erflater] ervan verzekerde dat het een zeer betrouwbaar product was.
[de erflater] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [de erflater] het advies van de adviseur opgevolgd. De aanvraag voor het Capital
Effect is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend.
5.8.
De erfgenamen hebben, ter onderbouwing van hun stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
- een kopie van de overeenkomst van 14 juli 2000 met contractnummer 21689356, voorzien van de tekst:
“Adviseur ATP00795 Alpha Emergo B.V.”,
- een kopie van een uittreksel van de KvK van Alpha Emergo B.V. met als beschrijving van de werkzaamheden ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst tussen Dexia en [de erflater] : “
Bemiddeling bij het afsluiten van verzekerings- en financiële producten. Aan- en verkoop van effecten. Aan- en verkoop van registergoederen, alsmede de exploitatie daarvan. Handel, import en export in roerende zaken in de ruimste zin des woords. Aan- en verkoop van bedrijven, alsmede het beheer en de administratie daarvan. Het verrichten van holding activiteiten en het verrichten van telemarketing activiteiten.”.
aanhoudingsverzoek
5.9.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ over de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ‘s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering over het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.10.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(nieuwe) argumenten Dexia
5.11.
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kortgezegd, op neer:
  • dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.12.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals de erfgenamen onderbouwd hebben gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [3] [4] Met de stellingen over de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in [de erflater] geval hebben de erfgenamen, tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door de erfgenamen geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van de erfgenamen dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van de erfgenamen in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [de erflater] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [de erflater] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
wetenschap Dexia
5.13.
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [de erflater] . Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met [de erflater] kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot de erfgenamen voor rekening van Dexia.
aansprakelijkheid Dexia5.14. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [de erflater] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [de erflater] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [de erflater] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [5] Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van de erfgenamen5.15. De door de erfgenamen gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [de erflater] heeft gehandeld door [de erflater] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [de erflater] niet alleen als klant aanbracht maar [de erflater] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.
De verklaring voor recht dat de restschuld niet verschuldigd is zal eveneens worden toegewezen.
5.16.
De erfgenamen hebben aan de hand van het door Dexia overgelegde financiële overzicht in de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie de schade berekend op € 4.359,03. Omdat Dexia de berekening niet heeft betwist, zal de kantonrechter uitgaan van dit bedrag. De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in Hoge Raad 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en Hoge Raad 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, rov. 3.6.3).
5.17.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
5.18.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door de erfgenamen aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
BKR-registratie
5.19.
Dexia zal – voor het geval Dexia met betrekking tot [de erflater] een A-codering aan het Bureau Kredietregistratie heeft doorgegeven – worden veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [de erflater] geen verplichtingen uit de overeenkomst meer heeft. De kantonrechter gaat ervan uit dat ook de erfgenamen belang hebben bij deze vordering. De daaraan te verbinden dwangsom wordt bepaald op € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot en maximum van € 10.000,00.
het incidentele verzoek van de erfgenamen
5.20.
De erfgenamen verzoeken Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van het aanvraagformulier behorende bij de overeenkomst. Uit het voorgaande volgt dat de erfgenamen in het gelijk zullen worden gesteld. Zij hebben dan ook geen belang meer bij deze stukken in deze procedure, zodat het verzoek zal worden afgewezen. De proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
het incidentele verzoek van Dexia
5.21.
Dexia verzoekt dat de erfgenamen worden veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van hun gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend.
5.22.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [de erflater] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.23.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk zal worden gesteld. De proceskosten aan de zijde van de erfgenamen worden begroot op € 87,00.
vorderingen Dexia
5.24.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
5.25.
Omdat de erfgenamen inhoudelijk gelijk krijgen, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van de erfgenamen gevallen. De proceskosten van de erfgenamen worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2,00 x tarief € 288,00)
- nakosten
€ 144,00
Totaal € 954,47
5.26.
Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil.
5.27.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het incident van de erfgenamen
6.1.
wijst het verzoek af,
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in het incident van Dexia
6.3.
wijst het verzoek af,
6.4.
veroordeelt Dexia in proceskosten van de erfgenamen, begroot op € 87,00,
in conventie
6.5.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [de erflater] heeft gehandeld door [de erflater] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [de erflater] niet alleen als klant aanbracht maar [de erflater] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
6.6.
verklaart voor recht dat [de erflater] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
6.7.
verklaart voor recht dat de erfgenamen de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd zijn,
6.8.
veroordeelt Dexia om aan de erfgenamen te betalen een bedrag € 4.359,03, te vermeerderden met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover zoals weergegeven in rov. 5.16.,
6.9.
veroordeelt Dexia – voor het geval Dexia met betrekking tot [de erflater] een
A-codering aan het Bureau Kredietregistratie heeft doorgegeven – om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [de erflater] geen verplichtingen uit de leaseovereenkomst meer heeft, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot en maximum van € 10.000,00,
6.10.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 954,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
6.11.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.12.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.13.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.14.
wijst de vorderingen af,
6.15.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van de erfgenamen gevallen, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
61512/560

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
3.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
4.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
5.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.