Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4143

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
ARN 24/5288
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.14 WaterwetArt. 8:75 AwbArt. 5:1 BWArt. 7:1a AwbArt. 5.24 Waterwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nadeelcompensatie voor gedoogplicht bij dijkversterking met correctie BTW en deskundigenkosten

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de door het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland toegekende nadeelcompensatie in verband met een opgelegde gedoogplicht op hun eigendom voor het project Waterwet dijkversterking Wolferen-Sprok.

De rechtbank stelt vast dat het college zich terecht baseerde op het advies van een onafhankelijke adviescommissie, maar dat het BTW-tarief van 9% op de post arbeid onjuist was en moet worden gecorrigeerd naar 21%. Tevens is een aanvullende vergoeding voor deskundigenkosten toegekend. Eisers konden geen voldoende onderbouwing geven voor vergoeding van schade wegens tijdelijk gebruik van het weiland of permanente gebruiksbeperking, noch voor een hogere vergoeding voor het rooien van bomen dan het adviescommissievoorstel.

De rechtbank vernietigt het besluit van 13 mei 2024 voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding voor de bomen en deskundigenkosten en stelt deze zelf vast op respectievelijk € 5.118,18 inclusief BTW en € 22.088,30, te vermeerderen met wettelijke rente. Proceskosten en griffierecht worden eveneens aan eisers toegekend. Het overige besluit blijft in stand.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep toe en stelt de schadevergoeding voor bomen en deskundigenkosten hoger vast met correctie van het BTW-tarief en aanvullende vergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/5288

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] en [eiser] , uit [plaats] , eisers

(gemachtigde: mr. D. Bercx),
en

het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland

(gemachtigden: mr. T.P.J. Steenland-Mulder, M.C.W. van den Berg, ing. J. Menkveld, ing. A. de Fockert)

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eisers om nadeelcompensatie in verband met een op hun eigendom opgelegde gedoogplicht. Eisers zijn het niet eens met de hoogte van het bedrag aan nadeelcompensatie. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de door het college toegekende nadeelcompensatie.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eisers krijgen gelijk voor wat betreft het toegepaste BTW-tarief op de post arbeid bij de schadevergoeding voor de bomen. Ook ontvangen eisers een aanvullende vergoeding voor de door hen gemaakte deskundigenkosten. Voor het overige krijgen zij geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat waar deze zaak over gaat. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4, waarbij de rechtbank onder 4 eerst ingaat op het minnelijke traject en daarna onder 5 en 6 het toetsingskader toelicht. Onder 7 bespreekt de rechtbank de schadevergoeding voor het tijdelijke gebruik van het weiland, onder 8 de schadevergoeding voor de permanente gebruiksbeperking en onder 9 de vraag of het college zich voor de vergoeding voor het rooien van 22 bomen en twee landschapshagen mag baseren op het advies van de adviescommissie. Onder 10 gaat de rechtbank in op het verzoek om vergoeding van de deskundigenkosten. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eisers hebben een aanvraag ingediend voor nadeelcompensatie. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 13 mei 2024 afgewezen.
2.1.
Eisers hebben bezwaar ingesteld tegen het bestreden besluit en het college verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep. [1] Het college heeft hiermee ingestemd.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eisers wonen aan de [locatie] in [plaats] . In 2021 heeft het college het projectplan “Waterwet dijkversterking Wolferen-Sprok” vastgesteld. Voor deze dijkversterking moesten er werken en werkzaamheden worden uitgevoerd op gronden van eisers. Voor de uitvoering van deze werken en werkzaamheden heeft het college aan eisers een gedoogplicht opgelegd. [2] De te gedogen werken en werkzaamheden zijn:
  • het voor zover als nodig functie- en obstakelvrij maken van het werkgebied;
  • het afschermen van het werkgebied door het plaatsen van een tijdelijk raster;
  • graaf, opslag en transportwerkzaamheden ten behoeve van het aanbrengen van de stabiliteitsberm;
  • het inzaaien van de stabiliteitsberm, het aanpassen van de op- en afrit zodat deze zal aansluiten op de huidige situatie, het nieuw aan te leggen dijkprofiel en de openbare weg;
  • tevens kan het werkgebied worden gebruikt voor het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden voor het (ver)leggen van kabels en leidingen;
  • de aanleg, het wijzigen en het in stand houden van de stabiliteitsberm en het bestaande waterstaatswerk.
3.1.
Op 2 juni 2023 hebben eisers een verzoek om schadevergoeding in verband met het opleggen van de gedoogplicht ingediend. Eisers stellen de volgende schade te hebben geleden:
Waardevermindering woning p.m.
Waardevermindering bijbehorende grond p.m.
Vergoeding tijdelijk gebruik werkterrein € 13.833,60
Vergoeding gedogen kabels en leidingen € 2.172,84
Reconstructie hekwerk weiland € 3.000
Reconstructie weiland € 1.000
Reconstructie 2 hagen en 22 bomen € 48.573,30
Schade door de windvang p.m.
Vergoeding kosten deskundigenbijstand p.m.
Wettelijke rente over schadevergoeding
p.m.
Totaal € 68.579,74 + 5 x p.m.
Ter onderbouwing van schadepost 7 hebben zij een taxatierapport van Boomtotaalzorg B.V. meegestuurd. In het taxatierapport van Boomtotaalzorg B.V. worden 22 bomen en twee hagen getaxeerd. De taxatie is berekend volgens het Rekenmodel Vervangingskosten (NVTB 2022).
3.2.
Het college heeft het verzoek om schadevergoeding in handen gesteld van de Adviescommissie nadeelcompensatie Waterschap Rivierenland (adviescommissie).
3.2.1.
Mede naar aanleiding van de hoorzitting bij de adviescommissie hebben het college en eisers nader overleg gehad en heeft het college het volgende nadere aanbod gedaan:
Waardevermindering woning nihil
Waardevermindering bijbehorende grond € 18.121,25
Vergoeding tijdelijk gebruik werkterrein € 1.435
Vergoeding gedogen kabels en leidingen € 1.872,84
Reconstructie hekwerk weiland € 3.000
Reconstructie weiland nihil
(door/voor rekening waterschap)
7. Schade als gevolg van kappen 1 haag en 3 bomen € 2.051,50
8. Schade door windvang p.m.
9. Vergoeding kosten deskundigenbijstand p.m.
10. Wettelijke rente over schadevergoeding
p.m.
Totaal € 26.500 + 3 x p.m.
3.2.2.
Eisers hebben ingestemd met de aangeboden vergoedingen voor de posten 3, 4, 5 en 6. Zij hebben de adviescommissie verzocht advies uit te brengen over de posten 1, 2, 7, 8 en 9. Daarnaast hebben zij gevraagd om te beoordelen of er aanleiding bestaat om voor post 3 naast de geaccepteerde vergoeding van € 1.435 voor ‘tijdelijk gebruik werkterrein’ ook een vergoeding te bepalen voor het tijdelijk gebruik van de gronden die zijn opgehoogd (= het tijdelijk gebruik gedurende de periode van het realiseren van deze ophoging).
3.2.3.
De adviescommissie heeft de omvang van de schade als volgt vastgesteld:
Waardevermindering woning € 16.000
Schade als gevolg van permanente gebruiksbeperking gronden nihil
Schade als gevolg van tijdelijk gebruik weiland nihil
7. Schade als gevolg van kappen/verwijderen beplanting € 4.830
8. Schade door windvang
nihil
Totaal € 20.830
Daarnaast heeft de adviescommissie geadviseerd een bedrag van € 19.632 aan deskundigenkosten te vergoeden.
3.3.
Voor de posten waarover overeenstemming is bereikt, hebben eisers en het college een schadevaststellingsovereenkomst getekend. Hierin zijn de volgende vergoedingen overeengekomen:
  • Schade als gevolg van het tijdelijk gebruik van het weiland (post 3) € 1.435
  • Schade als gevolg van gedogen kabels en leidingen (post 4) € 1.872,84
  • Reconstructie hekwerk weiland (post 5)
Totaal € 6.307,84
Het minnelijke traject
4. Voorafgaand aan de nu voorliggende procedure heeft een minnelijk traject plaatsgevonden. Het college heeft eisers tijdens het minnelijk traject drie aanbiedingen gedaan. Eisers hebben die aanbiedingen niet geaccepteerd. Het college heeft vervolgens een gedoogplicht opgelegd, waarna eisers hebben verzocht om nadeelcompensatie.
In een minnelijk traject onderzoeken partijen of zij samen tot een oplossing kunnen komen. Het is voor de kans van slagen van een dergelijk traject van belang dat partijen vrij met elkaar kunnen spreken. Toezeggingen die in dit traject worden gedaan kunnen partijen in een eventuele latere juridische procedure niet binden. [3] Voorzover het college in de minnelijke aanbiedingen een vergoeding heeft aangeboden voor bepaalde posten, mag hieraan in de procedure die is gevolgd op het formele verzoek van eisers om nadeelcompensatie geen waarde worden toegekend. Dit betekent dat de rechtbank de minnelijke aanbiedingen niet beoordeelt en dat eiseres hieraan geen rechten mogen ontlenen.
Toetsingskader
5. Uit artikel 7.14 van de Waterwet vloeit voort dat degene die schade lijdt door de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van waterbeheer, in aanmerking komt voor een vergoeding. Daarbij geldt dat alleen schade die redelijkerwijs niet of niet geheel voor rekening en risico van de benadeelde komt, wordt vergoed. Dit betekent dat schade die onder het normaal maatschappelijk risico of het normale bedrijfsrisico valt, niet voor vergoeding in aanmerking komt. Het betreft hier een zogenoemde nadeelcompensatieregeling. [4] Dit laat onverlet dat indien door een besluit de onroerende zaak zelf wordt aangetast, bijvoorbeeld door vergraving van gronden, in beginsel volledige schadeloosstelling in de rede ligt. [5]
5.1.
Nu de gedoogplicht in dit geval is opgelegd op gronden van eisers en hiermee hun onroerende zaak wordt aangetast, geldt in dit geval dat de schade die het gevolg is van de gedoogplicht volledig moet worden vergoed.
6. Wat betreft de omvang van de schadevergoeding geldt dat het college zijn besluit heeft gebaseerd op een advies dat is opgesteld door een door hem benoemde onafhankelijke en onpartijdige commissie van deskundigen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag een bestuursorgaan, indien door een dergelijke commissie op objectieve wijze verslag is gedaan van het verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusie ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusie niet onbegrijpelijk is, bij het nemen van een besluit als het onderhavige van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies naar voren zijn gebracht. Het ligt daarom op de weg van eisers om (eventueel met een tegenrapport) concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies van de commissie naar voren te brengen. [6]
Had het college een vergoeding moeten toekennen voor het tijdelijk gebruik van het weiland?
7. Eisers voeren aan dat het college een vergoeding had moeten toekennen voor het tijdelijk gebruik van het weiland (schadepost 3). Volgens eisers miskent de adviescommissie dat het tijdelijk gebruik maken van iemands grond een grote inbreuk maakt op het eigendomsrecht (artikel 5:1 van Pro het Burgerlijk Wetboek). De overwegingen van de adviescommissie dat eisers genoeg andere grond hebben die ze (tijdelijk) konden gebruiken vindt daarom geen steun in het recht. Volgens eisers had het college gebruik kunnen maken van forfaitaire vergoedingen. Dat heeft het college in alle minnelijke biedingen ook gedaan, maar het was niet duidelijk welk bedrag het betrof. In dit kader verwijzen eisers ook naar post 2: die gaat over de permanente gebruiksbeperking. Eisers hebben verzocht om aan te geven welk deel van dit bedrag de vergoeding vormde voor het tijdelijk gebruik van het weiland. Zij waren niet tegen een forfaitaire vergoeding. In hun zienswijze op het conceptverslag hebben zij dit uitgebreid toegelicht. De adviescommissie heeft daar ten onrechte niets mee gedaan. Als de hoogte van de forfaitaire vergoeding wel kenbaar was geweest, dan waren eisers daarmee akkoord gegaan. Dat het college nu geen forfaitaire schadevergoeding meer wil vaststellen is een niet gemotiveerde afwijking van het beleid en daarmee in strijd met het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Eisers verzoeken het college om alsnog een forfaitaire vergoeding van € 8.794,30 toe te kennen voor het tijdelijk gebruik van het weiland door het waterschap.
7.1.
Het college verwijst naar het advies van de adviescommissie. Hierin staat over het tijdelijk gebruik van het weiland dat niet is gebleken van (financiële) schade. Eisers gebruikten het weiland voorheen voor het houden/weiden van één pony en als speelterrein voor hun kleinkinderen. Volgens de adviescommissie konden eisers dit gebruik tijdens de werkzaamheden ook op een ander deel van hun perceel voortzetten.
7.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Het betoog van eisers dat met het tijdelijke gebruik van het weiland inbreuk is gemaakt op hun eigendomsrecht heeft geen grondslag in de rechtspraak.. Ook hebben eisers hun betoog dat zij schade hebben geleden als gevolg van het tijdelijk gebruik van het weiland niet onderbouwd. De rechtbank ziet in hetgeen eisers naar voren hebben gebracht dan ook geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of zorgvuldigheid van het advies van de adviescommissie. Eisers hebben ook geen deskundigenrapport ingebracht of het advies op een andere manier betwist. Het college mocht zich voor wat betreft het tijdelijk gebruik van het weiland dus op dit advies baseren.
7.3.
Het betoog van eisers dat hen door het college in het minnelijke traject een forfaitair bedrag is aangeboden voor het tijdelijk gebruik van het weiland maakt dit niet anders. Zoals overwogen onder 4, mogen eisers aan het minnelijke traject en de aanbiedingen die tijdens dat traject zijn gedaan, geen rechten ontlenen. Er kan dan ook geen sprake zijn van strijd met het vertrouwensbeginsel, [7] rechtszekerheidsbeginsel of zorgvuldigheidsbeginsel. Ook is er geen sprake van een ongemotiveerde afwijking van beleid. Namens het college is aangegeven dat er geen sprake is van beleid voor wat betreft het hanteren van forfaitaire bedragen. In een minnelijke traject werkt een taxateur op basis van kennis en ervaring. Het kan dan zijn dat een taxateur forfaitaire bedragen gebruikt. Ten slotte merkt de rechtbank nog op dat de minnelijke aanbiedingen zelf nu niet ter beoordeling voorliggen en dat deze dus in deze procedure niet worden meegenomen.
Had het college een vergoeding moeten toekennen voor de permanente gebruiksbeperking?
8. Eisers voeren aan dat het college een vergoeding had moeten toekennen voor de permanente gebruiksbeperking (schadepost 2). Eisers stellen dat de adviescommissie deze post ten onrechte heeft inbegrepen bij de door haar begrote waardevermindering van de woning. Het gaat immers om de gebruiksbeperking van de bijbehorende gronden. Ook gaat de adviescommissie er volgens eisers ten onrechte vanuit dat het deel van het perceel waarop de gedoogplicht rust weer “gewoon” kan worden gebruikt. De grond moet immers beschikbaar en toegankelijk worden gehouden voor het waterschap. De gedoogplicht ziet niet alleen op het realiseren van de steunberm maar ook op het in stand houden daarvan. Het gevolg van deze gedoogplicht is volgens eisers onder andere dat zij geen vijver meer kunnen aanleggen en dat zij zowel het talud aan de woningzijde als aan de noordzijde niet meer kunnen maaien omdat deze taluds nu te steil zijn. Ook is hun uitzicht grotendeels verdwenen. Verder verwijzen eisers ook in dit kader naar de minnelijke aanbiedingen. In alle aanbiedingen was aangegeven dat de waardevermindering van het overblijvende als gevolg van het opleggen van de gedoogplicht € 5.320 zou bedragen. Dit bedrag was “verstopt” in de post van € 18.121,25 onder de noemer “schade als gevolg van permanente gebruiksbeperking gronden”. Door deze vergoeding nu niet toe te kennen heeft het college het vertrouwensbeginsel geschonden en is het besluit in strijd met het motiveringsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Eisers vragen het college om alsnog conform de eerdere biedingen een aanvullend bedrag van € 5.320 toe te kennen voor de permanente gebruiksbeperking van de gronden.
8.1.
Het college verwijst naar het advies van de adviescommissie. De adviescommissie heeft deze post meegenomen bij de beoordeling van de waardevermindering van de woning met bijbehorende gronden (woning c.a.) omdat de gronden waarop de gedoogplicht rust deel uitmaken van een ‘complex’ bestaande uit de woning van eisers met de daarbij behorende gronden. Voor toekenning van een afzonderlijke vergoeding voor deze permanente gebruiksbeperking van de gronden is daarom volgens de adviescommissie geen grond meer. De waardevermindering van de woning c.a. heeft de adviescommissie conform de taxatie van de heer [naam heer] van 2 mei 2024 (de taxatie) vastgesteld op € 16.000.
8.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Bij de beoordeling van de permanente gebruiksbeperking heeft de adviescommissie gebruik gemaakt van de taxatie. Hierin heeft de taxateur de waardevermindering als gevolg van de gedoogplicht vastgesteld en de waardevermindering van de woning in samenhang met de bijbehorende gronden beoordeeld. Daarbij is in ogenschouw genomen dat vanuit de woning de westgrens van het hobbyweiland zichtbaar blijft en dat de ophoging hier geen significant effect op heeft. Volgens de taxatie zal een gegadigde koper geen lagere waarde toekennen aan het object vanwege het gewijzigde uitzicht in de westelijke richting omdat de beleving en het mogelijke gebruik niet significant wijzigen en zal dit daarom niet tot een objectiveerbare waardedaling van de woning met bijbehorende gronden leiden. Ook is bij de taxatie rekening gehouden met de afname van de oppervlakte van de tuin/het gazon bij de woning en een minder horizontale ligging van het hobbyweiland, waardoor de markt een (beperkt) lagere waarde aan het object zal toekennen.
Voor zover eisers erop wijzen dat een deel van het perceel toegankelijk en beschikbaar moet blijven voor het waterschap, hebben eisers niet inzichtelijk gemaakt welk waardedrukkend effect er als gevolg hiervan is opgetreden en hoeveel meer schade zij zouden hebben geleden. De rechtbank ziet daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college zich voor het bepalen van de vergoeding van de permanente gebruiksbeperking niet op het advies van de adviescommissie mocht baseren.
8.3.
Het bedrag van € 5.320 dat eisers noemen is afkomstig uit het minnelijk traject. Ook hiervoor geldt dat eisers – zoals is overwogen onder 4 - aan het minnelijk traject en de hierin gedane aanbiedingen geen rechten kunnen ontlenen.
Mocht het college zich voor de vergoeding voor het rooien van 22 bomen en twee landschapshagen baseren op het advies van de adviescommissie?
9. Eisers voeren aan dat het college een te lage vergoeding toekent voor het rooien van 22 bomen en twee landschapshagen (schadepost 7). Het college gaat volgens eisers ten onrechte voorbij aan het door hen overgelegde taxatierapport van Boomtotaalzorg B.V. Dit rapport is opgesteld door een geregistreerd boomtaxateur en bestuurslid van de Nederlandse vereniging voor Taxateurs van Bomen (NVTB), terwijl de leden van de adviescommissie deze specifieke deskundigheid missen. Voor het taxeren van inkomensschade als gevolg van verlies van bomen worden in de Richtlijnen NVTB 2022 (de richtlijnen) drie taxatiemethoden gehanteerd. Dit betreft:
de handelswaarde
de feitelijke vervangingskosten
een berekening volgens het Rekenmodel vervangingskosten.
Eisers voeren aan dat zij volledig schadeloos moeten worden gesteld. Daarvan is volgens eisers geen sprake bij het enkel vergoeden van de kosten van aanplant van nieuwe bomen met een hoogte van 2 meter. Volledige schadeloosstelling kan wel door het terugplaatsen van 22 gelijkwaardige volwassen bomen. Omdat het terugplaatsen van 22 volwassen bomen technisch niet mogelijk is, heeft de boomtaxateur niet gekozen voor taxatiemethode 2, maar voor taxatiemethode 3. Eisers verwijzen naar de bij hun beroepschrift gevoegde schriftelijke reactie van de boomtaxateur naar aanleiding van het advies van de adviescommissie. Ten slotte merken eisers in dit kader op dat de adviescommissie ten onrechte uitgaat van 9% BTW over de post arbeid. Dit moet 21% BTW zijn.
9.1.
Het college heeft niet de richtlijnen toegepast omdat dat een abstracte benadering van de schadeberekening is en omdat deze methode onvoldoende rekening houdt met de feitelijke situatie bij eisers. Volgens het college is het bij de realisering van projecten in het kader van het algemeen belang, zoals de dijkversterking waar het nu om gaat, gebruikelijk om de schade te berekenen op basis van de marktwaarde en de reconstructie daarvan door middel van vervanging door jonge aanplant. Alleen wanneer het niet mogelijk is de markt-of vervangingswaarde te bepalen, kan de schade worden bepaald met het Rekenmodel vervangingskosten uit de richtlijnen. Het college gebruikt de richtlijnen alleen in specifieke gevallen, zoals bijvoorbeeld beeldbepalende parkbomen bij een rijksmonument of alleenstaande bomen die medebepalend zijn voor een beschermd dorps- of stadsgezicht. Daarvan is in dit geval volgens het college geen sprake. In dit geval wordt de schade vooral bepaald door de functie van de bomen en beplanting. De beplanting was gelegen in een overgangsgebied tussen de gronden bij de woning en het aangrenzende agrarische buitengebied. Een dergelijke beplanting met deze landschappelijke functie heeft doorgaans geen zelfstandige waarde. Het college vindt het daarom redelijk om de schade te herstellen door het aanbieden van herplanting van ‘jonge’ bomen en hagen. Om eisers tegemoet te komen heeft het college aangeboden om in plaats van jonge aanplant bomen van minimaal 2 meter terug te plaatsen en de haag van 20 meter terug te planten met een hoogte van 1 meter.
Zijn de richtlijnen waarop het taxatierapport van Boomtotaalzorg B.V. is gebaseerd in dit geval van toepassing?
9.2.
Het door eisers ingebrachte taxatierapport van Boomtotaalzorg B.V. is gebaseerd op de richtlijnen. Deze richtlijnen gelden voor:
Individueel beheerde bomen of boomgroepen in de openbare ruimte. Ook bomen in tuinen en parken die geen primaire productie- of handelsfunctie kennen, behoren hiertoe.
Oppervlaktegewijs beheerde bomen. Voor waardebepaling bij oppervlaktegewijs beheerde bomen geldt dat met behulp van het NVTB rekenmodel een vervangingsberekening opgesteld kan worden voor een fictieve nieuwe aanplant. Er is ook hier geen sprake van een primaire productie- en of handelsfunctie.
Overheden en particulieren kunnen deze richtlijnen van toepassing verklaren in een contract of bijvoorbeeld in een Algemene plaatselijke verordening, Bomenverordening of andere lokale regeling.
9.3.
De rechtbank stelt vast dat de richtlijnen niet van toepassing zijn verklaard in de wet- en andere regelgeving die van toepassing is bij de beoordeling van het verzoek om nadeelcompensatie. Het college was dus niet gehouden om zelf deze richtlijnen toe te passen bij de beoordeling van het verzoek van eisers. Het college heeft aangegeven dat hij de richtlijnen in specifieke gevallen wel toepast, bijvoorbeeld als er sprake is van beeldbepalende bomen. Van een dergelijk specifiek geval is in dit geval geen sprake.
Is de door de adviescommissie gehanteerde methode redelijk?
9.4.
Voor de bepaling van de vergoeding voor het rooien van de 22 bomen en twee landschapshagen heeft de adviescommissie aansluiting gezocht bij het onteigeningsrecht. In het onteigeningsrecht is, net als in de onderhavige zaak, het uitgangspunt volledige schadeloosstelling. [8] Gelet op de functie van de beplanting ligt het naar het oordeel van de adviescommissie in de rede dat eisers in staat worden gesteld om de schade te herstellen door deze beplanting ter plaatse te reconstrueren. Daarbij is volgens de adviescommissie geen sprake van inkomensschade, maar van overige schade. Dat is door eisers niet betwist. Voor overige schade geldt in het onteigeningsrecht als uitgangspunt dat de werkelijke waarde vergoed dient te worden. Daarbij wordt uitgegaan van de prijs, tot stand gekomen bij een onderstelde koop in het vrije commerciële verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en de onteigenaar als redelijk handelende koper. [9] Volgens de taxatie van de heer [naam heer] van 2 mei 2024, die aan het advies van de adviescommissie ten grondslag is gelegd, zal geen redelijk handelend koper/eigenaar aan de hand van de door eisers voorgestane methode de waarde bepalen bij een (veronderstelde) aankoop, en zal een redelijk handelend eigenaar voor deze reconstructie volstaan met de herplant van twee ‘jonge’ landschapshagen en 22 ‘jonge’ bomen. Door aan te sluiten bij het onteigeningsrecht en uit te gaan van wat een redelijk handelend onteigenaar en onteigende zouden doen, heeft de adviescommissie naar het oordeel van de rechtbank een redelijke methode gehanteerd. De rechtbank begrijpt dat eisers bij de bomen en landschapshagen een andere beleving hebben, waardoor zij er als eigenaar een andere waarde aan toekennen. Dit betekent echter niet dat het waterschap hiervan uit heeft moeten gaan. Volgens vaste rechtspraak wordt de bovengrens voor de te vergoeden schade in het onteigeningsrecht gevormd door hetgeen een redelijk handelend eigenaar in de positie van eisers zou willen ontvangen. Eisers hebben het advies van de commissie op dit punt weliswaar betwist maar hebben dit niet onderbouwd, zodat het waterschap van het advies heeft mogen uitgaan. De beroepsgrond slaagt niet.
BTW
9.5.
De rechtbank stelt vast dat in de taxatie en het daarop gebaseerde advies van de adviescommissie bij schadepost 7 is gerekend met 9% voor de post arbeid. Dit moet 21% zijn. Dit betekent dat het beroep gegrond is. Onder 11 gaat de rechtbank in op de gevolgen hiervan.
Conclusie
9.6.
In de door eisers naar voren gebrachte argumenten ziet de rechtbank – met uitzondering van het benoemde onder 9.5. - geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van het advies van de adviescommissie. Het college mocht zich voor het bepalen van de vergoeding van de 22 bomen en twee landschapshagen baseren op het advies van de adviescommissie.
Deskundigenkosten
10. Eisers hebben in de beroepsfase verzocht om een aanvullende vergoeding van de deskundigenkosten. Volgens eisers komen zij in aanmerking voor een volledige vergoeding van deze kosten omdat het in deze procedure gaat om een volledige schadeloosstelling. Zij verwijzen hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2017. [10] Het gaat om € 2.030 (exclusief BTW) voor een nog niet eerder ingediende factuur van 1 december 2022 van Boomtotaalzorg B.V. Daarnaast hebben zij verzocht om een vergoeding van € 275 (exclusief BTW) voor de aanvullende rapportage van Boomtotaalzorg B.V.
10.1.
De door eisers gevraagde aanvullende deskundigenkosten van € 2.030 (exclusief BTW) komen in aanmerking voor vergoeding. Deze kosten zijn gemaakt in het voortraject en deze zijn niet eerder vergoed. Onder 11 gaat de rechtbank hier verder op in.
10.2.
De aanvullende rapportage van 1 december 2022 komt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de rechtbank hiervan geen factuur heeft en dit bedrag als onbelast verschot is opgenomen in het honorarium van de gemachtigde van eisers.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond omdat het college bij de berekening van de schadevergoeding ten onrechte het BTW-tarief van 9% heeft toegepast op de post arbeid en omdat het bedrag van de deskundigenkosten door de in de beroepsfase ingediende factuur opnieuw moet worden berekend.
11.1.
De rechtbank voorziet zelf in de zaak en past bij schadepost 7 het BTW-tarief van 21% toe op de post arbeid. De post arbeid is in deze schadepost door de adviescommissie begroot op € 2.000. Met toepassing van het BTW-tarief van 21% komt het schadebedrag voor schadepost 7 inclusief BTW op € 5.118,18. [11] Daarmee komt de totale schadevergoeding op € 21.118,18 [12] te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2023 tot aan de dag van de algehele betaling.
Daarnaast voorziet de rechtbank zelf in de zaak voor wat betreft de hoogte van de deskundigenkosten en stelt deze vast op € 22.088,30 [13] te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2023 tot aan de dag van de algehele betaling.
Kosten rechtsbijstand
11.2.
Ingevolge artikel 8:75 van Pro de Awb is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft gemaakt.
11.3.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen moet uit de plaats en de strekking van artikel 8:75 van Pro de Awb worden afgeleid dat hiermee een exclusieve mogelijkheid aan de bestuursrechter wordt geboden om een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het (hoger) beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De exclusieve regeling van de proceskostenveroordeling, zoals neergelegd in artikel 8:75 van Pro de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) heeft bovendien een limitatief en forfaitair karakter. Slechts in bijzondere gevallen kan de bestuursrechter op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb een hogere dan een forfaitaire vergoeding van de proceskosten toekennen. [14]
11.4.
In de nu voorliggende procedure ligt alleen het besluit over de nadeelcompensatie ter beoordeling voor. Het besluit waarbij de gedoogplicht is opgelegd is onherroepelijk. Gelet hierop en op de exclusieve regeling van de proceskostenveroordeling en het limitatieve en forfaitaire karakter daarvan is voor een (aanvullende) vergoeding van die proceskosten langs de weg van artikel 7.14 van de Waterwet geen plaats. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding conform Bijlage II bij het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).
11.5.
Het college moet het door eisers betaalde griffierecht ter hoogte van € 187 vergoeden.
11.6.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 13 mei 2024 voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding voor schadepost 7;
  • voorziet zelf in de zaak door de schadevergoeding voor schadepost 7 vast te stellen op € 5.118,18 inclusief BTW te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2023 tot aan de dag van de algehele betaling;
  • vernietigt het besluit van 13 mei 2024 voor wat betreft de hoogte van de vergoeding voor de deskundigenkosten;
  • voorziet zelf in de zaak door het bedrag van de vergoeding voor de deskundigenkosten vast te stellen op € 22.088,30 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2023 tot aan de dag van de algehele betaling;
  • laat het beluit van 13 mei 2024 voor het overige in stand;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eisers;
  • bepaalt dat het college het door eisers betaalde griffierecht ter hoogte van € 187 moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, voorzitter, en mr. A.S. Gaastra en mr. R Ortlep, leden, in aanwezigheid van mr. I.M. Stroink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 5.24 van de Waterwet.
3.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:88.
4.Uitspraak van de Afdeling van 2 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3674
5.Zie Kamerstukken II 2006/07, 30 818, nr. 3, p.63 en de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:524.
6.O.a. uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:88
7.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:88.
8.Vergelijk de uitspraak van rechtbank Noord-Holland van 22 februari 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:2642.
9.Vergelijk de uitspraak van de Hoge Raad van 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:1173 onder 3.2.
10.Uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:524.
11.Post arbeid exclusief BTW was € 2.000 (taxatie [naam heer] ). Post arbeid inclusief 21% BTW = € 2.420. Post bomen en hagen à € 1845,15 + post arbeid à € 2.420 = € 4.2650. Post 10% onvoorzien wordt dan € 426,50 en post nazorg (10%) nogmaals € 426,50. In totaal leidt dit tot een schadebedrag van € 5.118,18.
12.€ 16.000 voor post 1 + € 5.118,18 voor post 7 = € 21.118,18.
13.€ 19.632 (vergoeding in besluit van 13 mei 2024) + € 2.456,30 (aanvullende factuur inclusief BTW) = € 22.088,30.
14.Zie o.a. de uitspraak van de Afdeling van 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:364 en de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1590.