Art. 1, tweede lid, NOW 1Art. 2:377 BWArt. 4:46 AwbArt. 4:49 AwbArt. 4:57 Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep tegen herziening en terugvordering NOW-subsidies wegens onjuiste omzetopgave
Sue B.V. heeft beroep ingesteld tegen de herziening van de definitieve vaststelling van de NOW 1-subsidie, de afwijzing van de aanvragen voor NOW 2, 3.1 en 3.2 en de terugvordering van betaalde voorschotten. De minister stelde vast dat Sue B.V. bij de aanvragen een onjuiste omzet had opgegeven, doordat een incidentele bate van €1.750.000 uit een schikking niet tot de normale bedrijfsactiviteiten behoorde en ten onrechte was meegerekend.
De rechtbank oordeelt dat deze bate niet tot de netto-omzet voor de NOW-regeling gerekend mag worden, omdat het een uitzonderlijke transactie betreft die niet voortkomt uit de normale bedrijfsuitoefening. Hierdoor is het omzetverlies lager dan 20%, waardoor geen recht op subsidie bestaat. De minister mocht de subsidievaststelling herzien en de subsidie op nihil vaststellen, en de betaalde voorschotten terugvorderen.
Sue B.V. voerde onder meer aan dat de bate wel tot de omzet behoorde, dat de jaarrekening volgens IFRS was opgesteld en dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met haar belangen. De rechtbank verwierp deze verweren en oordeelde dat de minister zorgvuldig en onpartijdig had gehandeld, dat het evenredigheidsbeginsel niet was geschonden en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.
De rechtbank kende Sue B.V. wel een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsprocedure. De beroepen werden ongegrond verklaard en de minister en de Staat werden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en proceskosten aan Sue B.V.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de herziening van de NOW-subsidies en terugvordering wegens onjuiste omzetopgave.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 23/6721, 23/6884, 23/6887 en 23/6892
uitspraak van de meervoudige kamer van
in de zaken tussen
Sue B.V., te [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J. van Meeteren),
en
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister
(gemachtigde: L.A.P. ter Laak)
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid)te Den Haag, de Staat.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de herziening van het besluit tot definitieve vaststelling van de tegemoetkoming tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid, eerste aanvraagperiode (NOW 1), de vaststelling van de tegemoetkoming op nihil en de terugvordering van de betaalde tegemoetkoming ter hoogte van € 555.916. De minister heeft daartoe besloten met zijn besluit van 17 oktober 2022 (het primaire besluit I).
1.1.
Ook beoordeelt de rechtbank in deze uitspraak de beroepen van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvragen voor definitieve vaststelling van de tegemoetkomingen voor de tweede aanvraagperiode (NOW 2), de derde aanvraagperiode (NOW 3.1) en de vierde aanvraagperiode (NOW 3.2) en de terugvorderingen van de betaalde voorschotten, ter hoogte van respectievelijk € 524.556, € 323.460 en € 312.447. De minister heeft daartoe besloten met zijn twee besluiten van 27 oktober 2022 (de primaire besluiten II en III) en zijn besluit van 8 maart 2023 (het primaire besluit IV).
1.2.
Met het bestreden besluit van 31 augustus 2023 op de bezwaren van eiseres (het bestreden besluit I) is de minister bij het primaire besluit IV gebleven. Met de drie besluiten van 31 augustus 2023 heeft de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV) de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten I, II en III ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen deze besluiten.
1.3.
Op 8 september 2023 heeft de minister drie bestreden besluiten afgegeven (de bestreden besluiten II, III en IV) op de bezwaren van eiseres. Daarbij is de minister bij de primaire besluiten I, II en III gebleven. Met deze bestreden besluiten zijn de drie besluiten op bezwaar van het UWV komen te vervallen. Eiseres heeft ook tegen de bestreden besluiten II, III en IV beroep ingesteld.
1.4.
De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vertegenwoordigd door [persoon A] ( [functie 1] ), vergezeld door [persoon B] ( [functie 2] ), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister, vergezeld door drs. C. Staal (register accountant van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering, Uitvoering van Beleid (hierna: UVB)).
1.6.
Tijdens de zitting heeft eiseres desgevraagd verklaard dat het beroep voor zover dat gericht is tegen de besluiten van het UWV van 31 augustus 2023 als ingetrokken kan worden beschouwd.
Totstandkoming van de besluiten
2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres staat vanaf 19 januari 1998 (toen zij nog Snow B.V. heette) ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK). Uit het uittreksel uit het Handelsregister blijkt dat eiseres (evenals Snow B.V. destijds) zich bezighoudt met het adviseren/begeleiden/opleiden van derden, het uitvoeren van projecten, het inzetten (en werven) van specialisten/professionals op het gebied van automatisering, alsmede met handel in software, hardware en aanverwante zaken en diensten.
2.1.
Eiseres heeft op 23 april 2020 een aanvraag ingediend bij de minister voor een tegemoetkoming op grond van de NOW 1. Daarop geeft eiseres aan in de periode van 1 mei 2020 tot en met 31 juli 2020 een omzetverlies van 25% te verwachten. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de minister, met zijn besluit van 28 april 2020, aan eiseres een tegemoetkoming op grond van de NOW 1 (de maanden maart, april en mei 2020) toegekend van € 490.986. Daarvan wordt € 392.790 als voorschot betaald. Deze tegemoetkoming is berekend (mede) op basis van het door eiseres verwachte omzetverlies over vermelde periode. Voor de definitieve berekening moet eiseres een nieuwe aanvraag doen.
2.1.1.
Op 26 augustus 2020 heeft eiseres een aanvraag voor een tegemoetkoming op grond van de NOW 2 ingediend. Daarop geeft zij aan een omzetverlies te verwachten over de periode van 1 augustus 2020 tot en met 30 november 2020 van 23%. Op basis van deze aanvraag heeft de minister, met zijn besluit van 2 september 2020, een tegemoetkoming op grond van de NOW 2 (de maanden juni, juli, augustus en september 2020) toegekend aan eiseres van € 655.693, waarvan € 524.556 als voorschot wordt betaald. Voor de definitieve berekening moet eiseres een nieuwe aanvraag indienen.
2.1.2.
Op 25 november 2020 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming op grond van de NOW 3.1. Daarop geeft zij aan een omzetverlies te verwachten over de periode van 1 december 2020 tot en met 28 februari 2021 van 22%. Deze aanvraag heeft geleid tot het besluit van de minister van 1 december 2020. Daarin is aan eiseres een tegemoetkoming op grond van de NOW 3.1 (de maanden oktober, november en december 2020) toegekend van € 404.323, waarvan € 323.460 als voorschot wordt betaald. Voor de definitieve berekening moet eiseres een nieuwe aanvraag indienen.
2.1.3.
Op 11 maart 2021 heeft eiseres een aanvraag voor een tegemoetkoming op grond van de NOW 3.2 ingediend. Daarop geeft zij aan een omzetverlies van 20% te verwachten over de periode van 1 maart 2021 tot en met 31 mei 2021. Deze aanvraag heeft geleid tot het besluit van de minister van 15 maart 2021. Daarbij is aan eiseres een tegemoetkoming op grond van de NOW 3.2 (de maanden maart, april en mei 2021) van € 390.559 toegekend. Daarvan wordt € 312.447 als voorschot betaald. Voor de definitieve berekening moet eiseres een nieuwe aanvraag indienen.
2.2.
De aanvraag voor de definitieve berekening op grond van de NOW 1 heeft eiseres op 25 augustus 2021 ingediend. Daarop geeft zij aan dat zij onderdeel is van een concern en dat het concern een omzetverlies heeft van 20% of meer. De netto-omzet in de referentieperiode (1 januari 2019 – 31 december 2019; hierna: de referentieperiode) bedroeg € 14.669.206. De netto-omzet in de periode van 1 mei 2020 tot en met 31 juli 2020 bedroeg € 2.642.073 en het omzetverlies was 28%. Bij deze aanvraag heeft eiseres een accountantsverklaring (een Assurancerapport met een redelijke mate van zekerheid) van 25 augustus 2021 gevoegd. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de minister op 16 september 2021 een besluit afgegeven. Daarin heeft hij de definitieve tegemoetkoming op grond van de NOW 1 vastgesteld op € 555.916. Omdat eiseres een voorschot van € 392.790 heeft ontvangen, heeft zij nog recht op een nabetaling van € 163.126.
2.2.1.
Op 27 september 2021 heeft eiseres een aanvraag voor de definitieve berekening op grond van de NOW 2 ingediend. Daarop geeft zij aan dat haar netto-omzet over de periode van 1 augustus 2020 tot en met 30 november 2020 € 3.603.005 bedroeg en het omzetverlies 27%. Ook over deze periode was het omzetverlies van het concern volgens de aanvraag 20% of meer. Bij haar aanvraag heeft eiseres een goedkeurende accountantsverklaring (een Assurancerapport met een redelijke mate van zekerheid) van 27 september 2021 gevoegd.
2.2.2.
De aanvraag voor de definitieve berekening op grond van de NOW 3.1 heeft eiseres op 15 oktober 2021 ingediend. Daarop geeft zij aan dat haar netto-omzet over de periode van 1 december 2020 tot en met 28 februari 2021 € 2.851.101 bedroeg en het omzetverlies 23%. Ook over deze periode was het omzetverlies van het concern volgens de aanvraag 20% of meer. Bij deze aanvraag heeft eiseres een goedkeurende accountantsverklaring (een Assurancerapport met een redelijke mate van zekerheid) van 15 oktober 2021 gevoegd.
2.3.
Op verzoek van het UWV heeft het UVB, naar aanleiding van een externe melding, een onderzoek verricht naar de aanvraag van eiseres van 25 augustus 2021 (NOW 1). Volgens deze externe melding heeft eiseres in 2019 een bedrag van
€ 1.750.000 uit hoofde van een vaststellingsovereenkomst ontvangen. Bij het onderzoek is onder meer de jaarrekening over 2019 (vastgesteld op 15 februari 2020) onderzocht en zijn vragen gesteld aan en beantwoord door eiseres. De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in het (concept) Rapport van bevindingen van 21 mei 2022. Daarin wordt het volgende geconcludeerd. De omzet over de referentieperiode moet gewijzigd vastgesteld worden op € 12.919.206. Er wordt ten onrechte een incidentele baat van € 1.750.000 als omzet verantwoord in de referentieperiode. Deze baat voldoet niet aan artikel 1, tweede lid, van de NOW-regeling. De baat ziet toe op de verkoop van een intern “gegenereerde” immaterieel vast actief, een domeinnaam. Het begrip netto-omzet moet worden geïnterpreteerd vanuit de normale, niet-incidentele bedrijfsactiviteiten. De incidentele verkoop van immateriële vaste activa valt buiten het omzetbegrip, zoals bedoeld in artikel 2:377, zesde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), vanwege het feit dat deze verkoop niet voortkomt uit de gewone bedrijfsuitoefening (normale, niet-incidentele bedrijfsactiviteiten). Ze maakt daarom geen deel uit van het omzetbegrip voor de uitvoering van de NOW-regeling en is in de jaarrekening 2019 van eiseres niet onder de netto-omzet verantwoord. Op pagina 19 van de jaarrekening wordt dit ook door eiseres zelf bevestigd met de volgende passage:
"Due to an highly incidental sales transaction, clearly distinguishable from ordinary activities, extra revenues of 1.7 million euro have been received. These are not expected to have any influence on future revenues."
Daaruit blijkt onomstotelijk dat ook voor de gebruikers van de jaarrekening 2019 van eiseres, dit moet worden gezien als een eenmalige opbrengst. Ook voldoet de aanvraag niet aan artikel 3 vanPro de NOW-regeling. Het doel van de regeling is om werkgevers tegemoet te komen in de betaling van de loonkosten, indien sprake is van een acute terugval in de omzet met ten minste 20% gedurende een periode van drie maanden, vanwege een vermindering in bedrijvigheid door buitengewone omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend, zodat zij werknemers in dienst kunnen houden voor de uren die zij werkten voordat sprake was van deze terugval. De terugval in omzetten is niet het gevolg van buitengewone omstandigheden als gevolg van de coronapandemie en de getroffen coronamaatregelen, maar wordt veroorzaakt door het lager uitvallen van incidentele baten in de meetperiode ten opzichte van het referentiejaar 2019. Op basis van de aangepaste omzetgegevens is er sprake van een omzetdaling van 19% in plaats van een omzetdaling van 28%.
2.4.
Naar aanleiding van dit rapport heeft de minister, bij brief van 22 juni 2022, aan eiseres meegedeeld het voornemen te hebben terug te komen van zijn besluit van 16 september 2021. Op basis van het rapport concludeert de minister dat de referentie-omzet over 2019 te hoog is vastgesteld. Dat betekent dat eiseres over de meetperiode van mei tot en met juli 2020 minder dan 20% omzetverlies heeft en er geen recht is op NOW. Eiseres wordt in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken te reageren. De besluiten op de aanvragen voor de definitieve berekeningen op grond van de NOW 2 en NOW 3 (3.1 en 3.2) houdt de minister aan, totdat een definitief besluit is genomen over de NOW 1. Met haar brief van 21 juli 2022 heeft de gemachtigde van eiseres op de brief van de minister van 22 juni 2022 gereageerd. Kort samengevat stelt eiseres daarin dat de verkoop wel onderdeel is van de referentie-omzet. Vervolgens heeft de minister het primaire besluit I afgegeven.
2.5.
Bij het primaire besluit II heeft de minister de aanvraag van eiseres voor de definitieve vaststelling op grond van de NOW 2 afgewezen. Gebleken is dat het omzetverlies minder dan 20% is. Daarom bestaat geen recht op een definitieve tegemoetkoming. Het voorschot dat eiseres heeft ontvangen ter hoogte van € 524.556, moet zij terugbetalen.
2.6.
Met het primaire besluit III heeft de minister de aanvraag van eiseres voor de definitieve vaststelling op grond van de NOW 3.1 afgewezen, omdat het omzetverlies minder dan 20% is. Daarom bestaat geen recht op een definitieve tegemoetkoming. Eiseres moet het voorschot dat zij ontvangen heeft, ter hoogte van € 323.460, terugbetalen.
2.7.
Op 13 december 2022 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor de definitieve berekening van de tegemoetkoming op grond van de NOW 3.2. De netto-omzet van eiseres bedroeg in de periode van 1 maart 2021 tot en met 31 mei 2021 € 2.936.232 en het omzetverlies 20%. Bij deze aanvraag is een goedkeurende accountantsverklaring (Assurancerapport met een redelijke mate van zekerheid) van 13 december 2022 gevoegd. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de minister het primaire besluit IV genomen. Daarin wijst hij de aanvraag af, omdat eiseres een omzetverlies van minder dan 20% heeft. Daarom bestaat geen recht op een definitieve tegemoetkoming. Het voorschot dat eiseres heeft ontvangen ter hoogte van € 312.447, moet zij terugbetalen.
2.8.
Naar aanleiding van de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten I, II, III en IV is de minister overgegaan tot het nemen van de bestreden besluiten zoals vermeld in 1.2 en 1.3.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt de herziening van het besluit tot de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming op grond van de NOW 1, de vaststelling daarvan op nihil, de afwijzing van de aanvragen voor de definitieve berekeningen van de tegemoetkomingen op grond van de NOW 2, de NOW 3.1 en de NOW 3.2 en de terugvorderingen van de betaalde (voorschotten aan) tegemoetkomingen ter hoogte van in totaal € 1.716.379. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Wat vindt de minister?
5. De minister heeft aan de bestreden besluiten– samengevat – het volgende ten grondslag gelegd.
Om mogelijk recht te hebben op een definitieve tegemoetkoming op grond van de NOW moet het omzetverlies minimaal 20% bedragen. Daarbij wordt de netto-omzet over de referentieperiode vergeleken met de netto-omzet over de omzetdalingsperiode. Onder omzet wordt verstaan: de netto-omzet zoals gedefinieerd in artikel 2:377, zesde lid, van het BW, gecorrigeerd voor de in de winst-en-verliesrekening verantwoorde wijziging in onderhanden projecten en bepaald op basis van grondslagen en detailtoepassingen, die consistent zijn met de grondslagen en detailtoepassingen zoals deze door de werkgever zijn gehanteerd in de laatste voor 1 maart 2020 vastgestelde jaarrekening, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Op grond van de begrippen in artikel 2:377, zesde lid, van het BW en de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving (RJ 940) wordt uitgegaan van de netto-omzet, waarbij het gaat om de opbrengst uit levering van goederen en diensten uit het bedrijf van de rechtspersoon, onder aftrek van kortingen en dergelijke van over de omzet geheven belasting. Opbrengsten zijn baten die ontstaan bij de uitvoering van de normale activiteiten van een onderneming. Alle baten die voortkomen uit de uitvoering van normale activiteiten van een organisatie, ook als deze gewoonlijk met een andere term dan omzet worden aangeduid, vallen onder omzet in de zin van deze regeling. Eiseres heeft bij de aanvragen bevestigd dat deze naar waarheid zijn ingevuld en dat zij de juiste en volledige informatie over haar bedrijf heeft gegeven. Ook heeft eiseres bij de aanvragen bevestigd dat zij zich ervan bewust is dat de gegevens in het aanvraagformulier (extra) kunnen worden gecontroleerd. De gevolgen van verkeerde inschattingen van een door eiseres ingeschakelde derde dienen voor haar risico te blijven. De definitieve berekening NOW 1 is gebaseerd op de door eiseres opgegeven onjuiste omzetgegevens en omzetverlies. Het gaat om feiten op grond waarvan de subsidie lager zou zijn vastgesteld dan bij het verlenen is gebeurd en waarvan de minister bij de vaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn. Eiseres heeft namelijk een bedrag van € 1.750.000 ten onrechte geclassificeerd als zijnde een verkoop van de domeinnamen [website 1] en [website 2] . Dit is niet in lijn met de reguliere bedrijfsactiviteiten en daarmee is dit bedrag geen onderdeel van de netto-omzet in 2019 voor de NOW. De minister is van oordeel dat het bedrag van € 1.750.000 niet tot de omzet gerekend moet worden in het kader van de NOW. Dat bedrag is namelijk ontvangen naar aanleiding van een schikking van een dispuut en wordt niet gekwalificeerd als opbrengsten uit reguliere bedrijfsactiviteiten van eiseres en behoort daarmee niet tot de netto-omzet zoals gedefinieerd in artikel 2:377, zesde lid, van het BW. Op basis van de door de minister ontvangen Settlement Agreement van 9 april 2019 (tussen eiseres en een in de Verenigde Staten (VS) gevestigde IT-onderneming die actief is met een vergelijkbare merknaam, die internationaal opereert en software verkoopt met in de naam 'Snow') is gebleken dat er onduidelijkheden en mogelijke inbreuken op elkaars merkenrechten zijn, wat heeft geleid tot wat in de Settlement Agreement 'een dispuut' wordt genoemd. De Settlement Agreement is het resultaat van onderhandelingen en overeenstemming over een minnelijke schikking van het dispuut en de overdracht van het merk, handelsmerken, domeinnamen ( [website 1] en [website 2] ) en sociale media-accounts. De overdracht van de domeinnamen [website 1] en [website 2] is slechts een uitvloeisel van de schikking van het dispuut. Het gaat dus niet om een transactie sec gericht op de koop van de domeinnamen [website 1] en [website 2] . Dit wordt versterkt door het feit dat beide domeinnamen ( [website 1] en [website 2] ) op dit moment niet in gebruik zijn. De referentie-omzet over 2019 is daarmee lager dan eiseres heeft opgegeven bij de aanvragen voor de vaststelling van de tegemoetkomingen.
Haar netto-omzet over de referentieperiode 2019 bedraagt € 12.919.206, in plaats van de door haar opgegeven netto-omzet van € 14.669.206 en haar omzetverlies voor de NOW 1 bedraagt 19%, voor de NOW 2 17%, voor de NOW 3.1 12% en voor de NOW 3.2 10% (op basis van de netto-omzet van eiseres over de betreffende meetperioden), in plaats van de door eiseres opgegeven omzetverliezen van meer dan 20%. Op grond van de nieuwe berekeningen komt de minister tot de conclusie dat het omzetverlies in de betreffende meetperioden minder dan 20% bedraagt. Daarmee bestaat er geen recht op tegemoetkomingen. Het doel van de NOW is niet bereikt, omdat het omzetverlies van eiseres lager is dan het minimum van 20%.
De minister is van mening dat bij de besluitvorming niet in strijd is gehandeld met het verbod van vooringenomenheid. Van belang is dat UVB geen bestuursorgaan is, maar een adviserende rol heeft. De minister heeft bij het nemen van de besluiten onpartijdig/onbevooroordeeld gekeken naar de relevante feiten en de betrokken belangen. Dat eiseres de werkwijze/procedure als vooringenomen ervaart, is op zich beschouwd ontoereikend om te dienen als een objectief aanknopingspunt voor vooringenomenheid.
De minister is van mening dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet is geschonden. Voordat hij het primaire besluit I heeft genomen, heeft de minister advies ingewonnen van UVB over de juistheid van de ingediende aanvraag. Vervolgens heeft de minister eiseres in de gelegenheid gesteld te reageren op het advies en heeft de minister op basis van de feiten en de betrokken belangen het besluit genomen. Hieruit blijkt dat de minister de nodige kennis heeft vergaard en dat de relevante feiten en belangen zijn meegenomen bij/afgewogen in het besluit.
De minister is van mening dat het besluit van 16 september 2021 terecht is herzien, omdat gebleken is dat eiseres bij de aanvraag een onjuiste netto-omzet over de referentieperiode heeft vermeld en dat zij wist of behoorde te weten dat zij geen recht had op een definitieve tegemoetkoming NOW 1. De NOW-regeling en de daarbij behorende voorwaarden waren voldoende kenbaar, duidelijk en ondubbelzinnig. Daarom wist eiseres ten tijde van het doen van de aanvraag dat er geen recht op NOW 1 bestaat als het omzetverlies lager is dan 20% en dat alleen baten die voortkomen uit de uitvoering van normale activiteiten van een organisatie vallen onder omzet in de zin van de NOW-regeling. Eiseres had kunnen voorzien dat het besluit van 16 september 2021 zou kunnen worden aangepast als de minister op de hoogte zou raken van de juiste netto-omzet over 2019 en het omzetverlies van 19%. Op pagina 19 van de jaarrekening 2019 wordt door eiseres bevestigd dat er sprake is van een zeer incidentele verkooptransactie, die duidelijk te onderscheiden is van de reguliere bedrijfsactiviteiten van eiseres; "Due to an highly incidental sales transaction, clearly distinguishable from the ordinary activities, extra revenues of 1.7 million euro have been received. These are not expected to have any influence on future revenues.". Hieruit blijkt dat eiseres wist of behoorde te weten dat het bedrag van € 1.750.000 niet tot de omzet voor de NOW gerekend kan worden, dat haar netto-omzet over de referentieperiode 2019 € 12.919.206 bedraagt, in plaats van de door haar opgegeven netto-omzet van
€ 14.669.206 en dat haar omzetverlies 19% voor de NOW 1 bedraagt, in plaats van het door haar opgegeven omzetverlies van 28%. Dit betekent dan ook, gelet op het omzetverlies van eiseres van 19%, dat zij wist of behoorde te weten dat zij geen recht heeft op een definitieve tegemoetkoming NOW 1. Het besluit over de definitieve berekening NOW 1 is bekend gemaakt op 16 september 2021. De subsidievaststelling NOW 1 is ingetrokken op 17 oktober 2022. De subsidievaststelling is dus (tijdig) binnen vijf jaren na 16 september 2021 ingetrokken. Daarom is de minister van mening dat de beslissing van 17 oktober 2022 niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat eiseres aannemelijk maakt dat van de zijde van de minister toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de minister in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Van een dergelijke toezegging, uitlating of gedraging is in dit geval geen sprake. Daarbij is van belang dat het besluit van 16 september 2021 genomen is op basis van de door eiseres opgegeven onjuiste omzetverlies/omzetgegevens en dat er geen toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit eiseres in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de minister een tegemoetkoming NOW 1 verstrekt als het omzetverlies 19% bedraagt en/of er onjuiste gegevens zijn verstrekt bij de aanvraag. Daarom is de minister van mening dat eiseres geen gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen aan het besluit van 16 september 2022 dat zij recht heeft op een definitieve tegemoetkoming NOW 1 en dat er niet in strijd is gehandeld met het vertrouwensbeginsel.
De NOW 1, de NOW 2, de NOW 3.1 en de NOW 3.2 bevatten geen hardheidsclausule. Dit is een bewuste keuze geweest van de wetgever. In bezwaar vindt altijd een heroverweging plaats op basis van de omstandigheden van het geval.
Hoewel de NOW voor sommige werkgevers, zoals eiseres, nadelig kan uitpakken kan niet gezegd worden dat toepassing van de artikelen 3 van de NOW 1, 3 van de NOW 2, 3 van de NOW 3.1 en 3 van de NOW 3.2 (het doel van NOW) in strijd is met het evenredigheidsbeginsel of enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur of algemeen rechtsbeginsel. Van dermate bijzondere omstandigheden dat hier maatwerk moet worden verleend, is hier geen sprake. Van belang is dat de wetgever de negatieve gevolgen voor werkgevers zoals eiseres heeft laten meewegen.
In de primaire besluiten heeft de minister deugdelijk gemotiveerd waarom eiseres geen recht heeft op een definitieve tegemoetkoming en waarom de bedragen worden teruggevorderd. De minister is bevoegd de subsidie lager vast te stellen. De volgende vraag is of de minister van deze bevoegdheid gebruik kan maken, anders gezegd of bij het nemen van het besluit voldoende evenwicht wordt bewaakt tussen het belang van het individu en het algemeen belang. De minister is bevoegd de subsidie lager vast te stellen dan werd verleend indien de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten. De minister heeft met het UWV beleid ontwikkeld om in bepaalde situaties gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid de subsidie niet lager vast te stellen. Dit beleid is kenbaar uit kamerstukken. Als het omzetverlies lager is dan geschat bij de verlening, dan zal de subsidie navenant lager uitvallen. De regeling gaat er vanuit dat eiseres de loonkosten nog deels zelf kan financieren, naar gelang er nog omzet is. Immers, met de oorspronkelijke omzet konden alle loonkosten worden gefinancierd. Van het deel van de loonsom dat eiseres gelet op het omzetverlies niet zelf kan opbrengen, wordt 90% gesubsidieerd. De minister verstrekt een subsidie om loonkosten te financieren voor zover daar behoefte aan is volgens het doel van de regeling: om werkgevers tegemoet te komen in de betaling van de loonkosten, indien sprake is van een acute terugval in de omzet met ten minste 20% gedurende een periode van drie maanden, vanwege een vermindering in bedrijvigheid door buitengewone omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend, zodat zij werknemers in dienst kunnen houden voor de uren die zij werkten voordat sprake was van deze terugval. Eiseres heeft bij haar aanvragen van de subsidieverlening een verwacht omzetverlies van meer dan 20% doorgegeven. Indien zij bij de aanvragen van de subsidieverlening een verwacht omzetverlies van minder dan 20% zou hebben doorgegeven, dan zouden haar aanvragen zijn afgewezen. De minister is namelijk gehouden om aanvragen voor een tegemoetkoming NOW af te wijzen als het omzetverlies lager is dan 20%. Van belang is dat bij het aanvragen van het voorschot NOW moet worden uitgegaan van het geschatte omzetverlies. Dit hangt samen met de noodzaak om werkgevers zo snel mogelijk te voorzien van een voorschot NOW. Bij het vaststellen van de subsidie is er meer tijd om te corrigeren. Dit betekent dat werkgevers zich moeten realiseren dat de definitieve tegemoetkoming NOW lager kan uitvallen als het werkelijke omzetverlies lager is dan het verwachte omzetverlies. In het geval van eiseres geldt dat het werkelijke omzetverlies minder dan 20% bedraagt. Daarmee is het doel van de subsidie niet bereikt. Uit oogpunt van een zorgvuldige besteding van publieke middelen maakt de minister in beginsel gebruik van zijn bevoegdheid tot lager vaststellen en terugvorderen van de onverschuldigd betaalde subsidiegelden. Als de minister afziet van (een gedeelte) van de terugvordering, dan zou eiseres meer subsidie ontvangen dan waar zij volgens de NOW recht op heeft. Het doel van de terugvordering is gelegen in een goede besteding van publieke middelen. De minister heeft namelijk een zwaarwegend belang bij een juiste vaststelling vanuit het oogpunt van een zorgvuldige besteding van publieke middelen. Aangezien de subsidie op grond van de NOW moet toekomen aan werkgevers die het nodig en er recht op hebben en de minister het voor deze tijdelijke noodmaatregel beschikbare budget slechts één keer kan besteden, dient er zorgvuldig omgegaan te worden met de besteding hiervan. Overigens is niet gebleken dat de uitoefening van die bevoegdheid hier voor eiseres onevenwichtig uitpakt. Daarom is de minister van mening dat zijn belang hier zwaarder moet wegen.
Wat vindt eiseres?
6. Eiseres voert – kort samengevat – het volgende aan tegen de bestreden besluiten.
De verkoop van de domeinnamen ‘ [website 1] ’ en ‘ [website 2] ’ in 2019 (hierna: de verkoop) betreft een normale, reguliere bedrijfsactiviteit van eiseres, die onder het omzetbegrip valt, zoals bedoeld in de NOW-regelingen. Er is volgens eiseres geen sprake van opbrengsten uit de verkoop naar aanleiding van de schikking van een dispuut en deze verkoop voldoet aan artikel 1, tweede lid, van de NOW-regeling. Eiseres verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 januari 2023 in een vergelijkbare zaak. [1] De uitleg van het omzetbegrip zoals bedoeld in de NOW-regelingen, en het onderzoeken of er sprake is van een reguliere bedrijfsactiviteit, zoals de rechtbank Den Haag deed in deze uitspraak, is toepasbaar op de onderhavige kwestie; de verkoop van de domeinnamen is eveneens omzet die voortkomt uit reguliere bedrijfsactiviteiten.
De verkoop is in de jaarrekening 2019 verantwoord als netto-omzet. Deze jaarrekening is opgesteld en ‘geaudit’ op basis van de International Financial Reporting Standards (IFRS). IFRS vereist dat wanneer er in de jaarrekening sprake is van inkomsten die niet voortkomen uit reguliere activiteiten, het bedrag van de verkoop uitgebreid en cijfermatig verantwoord moet worden in de jaarrekening. Dit is in de jaarrekening niet gebeurd. De verkoop is verantwoord onder de netto-omzet in de jaarrekening en er is geen enkele aanleiding (zeker niet wanneer de richtlijnen en de eisen van IFRS meegenomen worden) om de jaarrekening op een andere manier uit te leggen.
Het gaat hier ook niet om de verkoop van een intern gegenereerd immaterieel vast actief. Een immaterieel vast actief dient volgens de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving voor middelgrote en grote rechtspersonen (RJ 210.201) op de balans te worden verantwoord; dat is hier niet gebeurd. De argumenten daarvoor zijn de volgende: het registreren en/of kopen van domeinnamen wordt onder de kosten geboekt; zolang je jaarlijkse kosten blijft voldoen blijft het je eigendom; het behoort tot de reguliere bedrijfsactiviteiten; activering van de kosten vindt niet plaats; domeinnamen worden door eiseres te koop aangeboden. Ook al zou er wel sprake zijn van een intern gegenereerd immaterieel vast actief, dan kan deze volgens eiseres toch kwalificeren als netto-omzet, zoals gedefinieerd in artikel 2:377 BWPro, bijvoorbeeld bij een softwarebedrijf dat gespecialiseerd is in het ontwikkelen en verkopen van een geavanceerd boekhoudprogramma en daarnaast licenties verkoopt voor de intern ontwikkelde software.
De herziening is wel in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Uit de bestreden besluiten blijkt niet dat de minister een individuele belangafweging heeft verricht, zoals wel is vereist op grond van art. 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). [2] Volgens eiseres moet in dit geval haar belang zwaarder wegen dan het belang van de minister. Met betrekking tot de NOW 1 heeft het besluit van 16 september 2021 tot de eerste definitieve vaststelling formele rechtskracht gekregen. Eiseres heeft haar bedrijfsvoering op de vaststelling ingericht, heeft vertrouwd én had mogen vertrouwen op de definitieve vaststelling. Dat de minister tien maanden later tot een gewijzigd inzicht komt en zich voorneemt de definitieve vaststelling te herzien, druist in tegen ieder rechtsgevoel en rechtszekerheid. Temeer nu de minister al in augustus 2021 bekend was met alle gegevens en deze gegevens niet gewijzigd zijn. Eiseres wijst erop dat - voor zover moet worden uitgegaan van een omzetdaling van 19% - slechts sprake is van een verschil van 1%, waarvoor zij volledig wordt belast. Uit het bestreden besluit NOW 1 blijkt in geen geval dat de minister rekening heeft gehouden met deze onevenredige nadelen van het besluit voor eiseres.
Daarnaast stelt eiseres zich op het standpunt dat de NOW 1-regeling niet als grondslag kan dienen voor het NOW 1-besluit wegens het disproportionele karakter van de regeling. De NOW 1, althans artikel 16 vanPro de NOW 1, en de wijze waarop de NOW 1, althans dit artikel, in deze situatie wordt toegepast, is onrechtmatig en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Voor alle bestreden besluiten geldt dat het enkele feit dat in de NOW geen hardheidsclausule is opgenomen, niet betekent dat ruimte voor maatwerk ontbreekt. [3] Eiseres doet een beroep op artikel 4:84 vanPro de Awb, dat voorschrijft dat een beleidsmaatregel niet wordt toegepast als de gevolgen voor een belanghebbende niet in verhouding staan tot de te dienen doelen.
Onverkorte toepassing van de uitleg die de minister aan het omzetbegrip geeft, is volgens eiseres niet aan de orde, omdat dit leidt tot nadelige gevolgen die niet in lijn liggen met het doel van de regeling. De berekeningsmethode van de referentie-omzet zoals gehanteerd door de minister moet wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing worden verklaard, aldus eiseres.
Het bestreden besluit over de NOW 1 berust niet op een deugdelijke belangenafweging. Eiseres heeft aantoonbaar te maken gehad met een forse omzetdaling en desondanks heeft zij tijdens de coronapandemie de loonkosten gewoon door moeten betalen. Dat is waar deze regeling voor in het leven is geroepen en daarom is het volstrekt onredelijk om eiseres hiervan uit te sluiten.
Voor de herziening van het NOW 1-besluit bestond geen grondslag. De gegevens zijn bij de aanvraag direct op 25 augustus 2021 bekend gemaakt. Deze gegevens zijn daarna niet gewijzigd. Het bestreden besluit NOW 1 is niet gebaseerd op andere gegevens dan toentertijd aan de minister bekend zijn gemaakt. Indien de minister de gegevens onvoldoende achtte of onjuist, dan had het op zijn weg gelegen om eiseres te wijzen op de onjuistheid of op onduidelijkheden in de aanvraag. Eiseres had in deze situatie geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid van de gegevens en aan de juistheid van het definitieve besluit NOW 1. Toepassing van artikel 4:49 vanPro de Awb en artikel 16 vanPro de NOW 1 is alleen mogelijk als er een verwijt te maken valt aan de subsidieontvanger. [4] Daarvan is in haar geval geen sprake, aldus eiseres. Eiseres heeft alle vereiste gegevens juist en volledig opgegeven en de definitieve subsidieaanvraag door een accountant laten controleren. Bij het opstellen en vaststellen van de jaarrekening over 2019 is een bestendige gedragslijn gevolgd en deze jaarrekening is goedgekeurd door de accountant. De NOW-regeling schrijft voor dat de jaarrekening over 2019 moet worden gevolgd en eiseres had geen mogelijkheid om hiervan af te wijken. Van misbruik of oneigenlijk gebruik van de NOW 1, zoals bedoeld in de toelichting op artikel 16 vanPro de NOW 1, is geen sprake. Er zijn geen zaken doelbewust anders voorgesteld. De jaarrekening over 2019 is op dezelfde wijze (als voorheen) opgesteld en door de accountant gecontroleerd. De coronacrisis en de NOW-regeling speelden toen nog niet. Gezien wat eiseres heeft aangevoerd, bestond er voor de minister geen bevoegdheid om het eerste definitieve vaststellingsbesluit te wijzigen.
Met name voor de herziening van het definitieve besluit inzake NOW 1 doet eiseres ook een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel. Zij heeft een officieel besluit gekregen
inhoudende de mededeling dat de subsidie definitief was vastgesteld. Dat besluit was
genomen door het UWV namens de minister. Het UWV is de instantie die de
bevoegdheid heeft dergelijke besluiten te nemen. Zodoende kon eiseres ervan uitgaan dat het UWV een standpuntbepaling deed uitgaan ten aanzien van de te nemen beslissing, namens het daartoe bevoegde orgaan. Tevens mocht zij in verband met de inhoud van de mededeling en de rechtspersoon die de mededeling deed er gerechtvaardigd op vertrouwen dat dit het standpunt was. Eiseres concludeert dan ook dat zij ervan mocht uitgaan dat de subsidie definitief conform het definitieve besluit aan haar was verleend.
Tot slot stelt eiseres dat er sprake is van schending van het verbod op vooringenomenheid en het fair-play beginsel. Eiseres kan zich niet aan de indruk onttrekken dat er sprake is van
vooringenomenheid en dat zij wordt onderworpen aan de willekeur van UVB/de
minister. UVB heeft in de verschillende adviezen en rapporten van bevindingen het standpunt ingenomen dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard, maar
baseert dat steeds op andere uitgangspunten. Eiseres moet zich continu tegen andere stellingen verweren. In de daaropvolgende reacties en adviezen van UVB/de minister worden de argumenten van eiseres niet dan wel nauwelijks meegenomen en in plaats daarvan wordt steeds gekozen voor een nieuwe invalshoek, ter onderbouwing van het standpunt dat er geen sprake zou zijn van omzet. Eiseres is het niet enkel oneens met de conclusies van UVB/de minister, maar heeft ook erg veel moeite met de procedurele aspecten van dit dossier.
Het verweer van de minister
7. De minister voert in zijn verweerschrift van 3 februari 2025 samengevat het volgende aan. De kern van het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van de NOW 1 (en de gelijkluidende artikelen in de latere NOW-regelingen) is dat de baten voortkomen uit de uitvoering van normale activiteiten van een organisatie. Met het artikel is nadrukkelijk beoogd dat incidentele baten niet tot de omzet voor de NOW dienen te worden gerekend. Doel is de werkgever te compenseren voor de acute terugval in de omzet voor zover deze betrekking heeft op de normale activiteiten van de organisatie. De accountantsdienst UWW, de Auditdienst Rijk en SZW/UVB stellen dat de ter discussie staande transactie niet als omzet voor de NOW kan worden gekwalificeerd. Op basis van de Settlement Agreement van 9 april 2019 merkt de minister het volgende op:
- Sue B.V. (voorheen Snow B.V.) is als IT-onderneming sinds 1997 actief in de Benelux handelend onder de merknaam Snow. Waarbij Snow B.V.:
1. sinds 1998 onder deze merknaam is ingeschreven in de KvK;
2. de domeinnamen [website 1] en [website 2] respectievelijk sinds 1997 en 2011 bezit;
3. bepaalde handelsmerken en designs heeft geregistreerd;
4. bepaalde sociale media-accounts bezit gerelateerd aan Snow BV.
- In de VS is een IT onderneming actief met een vergelijkbare merknaam, die internationaal opereert en software verkoopt met in de naam 'Snow' (hierna: Koper).
- Sue B.V. (voorheen Snow BV) heeft in de Benelux te maken gehad met onduidelijkheid ten aanzien van gebruik van de merknaam van Koper.
- Sue B.V. is van mening dat Koper hiermee inbreuk heeft gemaakt op haar merknaam en
handelsmerken en heeft in mei 2013 Koper hierover per brief gewaarschuwd.
- Koper is van mening dat Sue B.V. inbreuk heeft gemaakt op haar merkrechten in andere jurisdicties, waaronder de VS.
- Voorgaande onduidelijkheden en mogelijke inbreuken op elkaars merkenrecht hebben geleid tot wat in de Overeenkomst 'een dispuut' wordt genoemd.
- De Settlement Agreement is het resultaat van onderhandelingen en overeenstemming over:
1. een minnelijke schikking van het dispuut;
2. de overdracht van het merk, handelsmerken, domeinnamen en sociale media-accounts.
Hiervoor heeft koper aan Sue B.V. een 'settlement fee' betaald van € 1,75 miljoen. De minister kan zich niet vinden in de conclusie van de accountant van eiseres dat deze transacties een verkoop van een domeinnaam zijn, in lijn met de reguliere bedrijfsactiviteiten van de onderneming (eiseres heeft in de jaren 2019 - 2021 meer domeinnamen geclaimd en verkocht) en daarmee onderdeel van de netto-omzet in 2019. Naar de mening van de minister is de transactie een minnelijke schikking van een dispuut over (inbreuken op) merkenrecht. De verkoop van de eigen merknaam verschilt daarmee wezenlijk van de verkoop van een domeinnaam die eiseres voor handelsdoeleinden heeft geclaimd. De overdracht van de domeinnamen [website 1] en [website 2] is slechts een uitvloeisel van de schikking van het dispuut en de overdracht van de merknaam aan de koper. De conclusie van de minister dat de transactie niet puur gericht is op de koop van de domeinnamen, wordt versterkt door het feit dat beide domeinnamen op dit moment niet in gebruik zijn. Het belang van de koper is primair de merknaam, het feit dat de domeinnamen niet in gebruik zijn benadrukt dit belang. Uit de hoogte van de settlement fee valt af te leiden dat Sue B.V. wordt gecompenseerd voor de waarde van het door de organisatie opgebouwde immateriële vaste actief en daarmee investeringen in het opbouwen van de nieuwe merknaam en huisstijl van eiseres kan financieren. Ontvangsten naar aanleiding van een schikking van een dispuut - en de daaruit voortvloeiende overdracht van de eigen merknaam en het immateriële vaste actief de eigen domeinnaam - kwalificeren niet als opbrengsten uit normale activiteiten van de organisatie en daarmee niet als (netto-)omzet voor de NOW. Uit IFRS 15 valt af te leiden dat als het om een eenmalige of zeldzame gebeurtenis gaat dit niet als een normale activiteit (ordinary activity) kan worden beschouwd.
Op bladzijde 11 van de jaarrekening van 2019 is vermeld:
“The Consolidated financial statements are prepared according to the International Financial Reporting Standard (IFRS) as adopted by the European Union (EU) and the stipulations in Title 9 Book 2 of the Dutch Civil Code.”
Het omzetbegrip (revenu) is op bladzijde 13 van de jaarrekening 2019 gedefinieerd:
“Revenue represents amounts invoices for services supplied during the financial year reported on, net of discounts and value added taxes. Revenues from services are recognized in proportion to the services rendered, based on cost incurred in respect of the services performed up to balance sheet date, in proportion to the estimated cost of the aggregate services to be performed. The cost price of these services is allocated to the same period.”
De minister verwijst naar de definitie van het begrip omzet in artikel 2:377, zesde lid, van het BW. Daaruit en de omschrijving van het begrip netto-omzet in de Richtlijn voor de Jaarverslaggeving (RJ) 270 [5] , kan samengevat gesteld worden, dat het bij de bepaling van de omzet voor de NOW dient te gaan om baten uit de normale/reguliere bedrijfsvoering en dat baten die incidenteel zijn niet tot de omzet voor de NOW horen. Deze samenvatting van het omzetbegrip wordt overigens ook weer bevestigd in Bijlage III, waaraan eiseres in haar reactie van 21 juli 2022 zelf ook refereert:
“In het Jaarrekeningenrecht is opgenomen dat omzet bestaat uit de inkomsten die toe te rekenen zijn aan de reguliere activiteiten van de onderneming. Voor bedrijven die goederen of diensten leveren, betekent dit dat de opbrengsten die een bedrijf haalt uit het leveren van goederen en/of diensten moeten worden gezien als omzet. Om tot de netto-omzet te komen worden de daaraan gerelateerde kortingen en de over de omzet geheven belasting daarvan afgehaald. Ook de overige opbrengsten worden als omzet gezien voor de NOW voor zover zij zien op de reguliere bedrijfsactiviteiten van de onderneming.”
Uit de jaarrekening 2019 (pagina 18) blijkt dat de transactie zo uitzonderlijk was dat deze door eiseres zelf overduidelijk niet als normale bedrijfsactiviteit wordt aangemerkt, maar zelfs als hoogst uitzonderlijk transactie is beoordeeld. Zelfs zo uitzonderlijk, dat de gebruikers van de jaarrekening 2019 van eiseres daar expliciet schriftelijk op gewezen dienen te worden. De baat ziet immers toe op de verkoop van een intern gegenereerd immaterieel vast actief, het betreft de eigen merknaam, waaronder de eigen domeinnaam. Het begrip netto-omzet dient te worden geïnterpreteerd vanuit de normale activiteiten van de organisatie. De incidentele verkoop van immateriële vaste activa valt buiten het omzetbegrip zoals bedoeld in artikel 2:377, zesde lid, van het BW, vanwege het feit dat deze verkoop niet
voortkomt uit de gewone bedrijfsuitoefening (normale, niet-incidentele bedrijfsactiviteiten).
De vraag voor NOW is niet zozeer of de bij de schikking na een dispuut verkregen eenmalige vergoeding voor de verkoop van de eigen bedrijfsnaam en domeinnamen tot de omzet mag/moet worden gerekend. Volgens het BW2 [6] , NL GAAP [7] en IFRS is dat wel het geval. In IFRS is het begrip 'ordinary activities' (normale c.q. reguliere activiteiten) niet gedefinieerd. IAS 1 [8] (IFRS) biedt ruimte om materiële incidentele opbrengsten onder het 'comprehensive income' te presenteren, waarbij de toelichting op de resultatenrekening een nadere uiteenzetting geeft van die betreffende incidentele opbrengst. Bij het opstellen van de jaarrekening is dit onderkend en heeft dat tot het opnemen van de eerder geciteerde passage op bladzijde 18 van de jaarrekening 2019 geleid. Daarom is de redenatie van de aanvrager dat het opnemen van de transactie onder omzet en “het daar mee een normale activiteit impliceert” niet gegrond. Het feit dat de transactie is geclassificeerd onder de omzet (revenues) legitimeert derhalve niet dat het gaat om een normale activiteit van de onderneming.
Daarbij komt dat deze opbrengst tot een eenmalige piek heeft geleid in de omzet, zonder dat daar een noemenswaardige kostprijs tegenover stond. Er is geen directe relatie tussen de ontwikkeling van de hoogte van de specifieke opbrengst van de bedrijfsnaam en daarvan afgeleide domeinnamen en die van de bedrijfskosten in dat jaar zichtbaar. Dit ondanks hetgeen als grondslag wordt gesteld op pagina 14 van het jaarverslag onder ‘Revenue’. De eenmalige opbrengst staat in geen verhouding tot de kostprijs van deze dienstverlening in 2019. Het jaarverslag laat in 2019 een toename in het resultaat voor belasting zien met
€ 1.802.000 ofwel 186,3% ten opzichte van 2018. Als die eenmalige opbrengst buiten beschouwing zou worden gelaten is het resultaat slechts met € 52.000 toegenomen ofwel 5,4%.
Het mag duidelijk zijn dat de verkoop van de eigen merknaam zich nadrukkelijk onderscheidt van de verkoop van een domeinnaam voor handelsdoeleinden. Hoewel het standpunt van de minister helder is, kan de vraag worden opgeworpen in hoeverre de handel in domeinnamen tot de reguliere activiteiten van de organisatie behoort. Uit de omschrijving van de activiteiten uit de jaarrekening 2019 valt dit niet af te leiden. In de reactie van 21 juli 2022 geeft eiseres aan dat zij nu en dan hardware en subscriptions verkoopt en dat zij handelt in domeinnamen. De verkoop van de domeinnaam is op basis van deze bewoording en de bijlagen bij de reactie niet onder de reguliere/gewone bedrijfsactiviteiten te scharen. De suggestie wordt gewekt dat gekozen is voor een bedrijfsnaam en een daarmee verbonden domeinnaam, waardoor een dispuut wordt veroorzaakt. Omdat het de verkoop van de
Bedrijfsnaam - en daarmee een immaterieel actief is - zal hier een hogere prijs mee gemoeid zijn, omdat de organisatie kosten moet maken om weer een nieuwe bedrijfsnaam op te bouwen (naamsbekendheid) en een compensatie wil ontvangen voor de kosten en inspanningen die zij zich heeft getroost voor het opbouwen van de oude bedrijfsnaam. Omdat hier sprake is van een dispuut, is het verwijzen naar marktwerking niet relevant. Er is een dispuut tussen twee partijen en geen markt waarbij meerdere partijen geïnteresseerd zijn in dezelfde bedrijfsnaam. De verkoop van de bedrijfsnaam ziet de minister niet als een onderdeel van het bedrijfsmodel en kan niet als een normale c.q. reguliere activiteit worden gezien. Bij de verkoop van immateriële activa zoals bedrijfsnamen is dit niet aan de orde. Uit de inschrijving bij de KvK en de toelichting bij de jaarrekening blijken de normale activiteiten van de onderneming. De verkoop van de bedrijfsnaam maakt hier geen deel van uit.
Van de accountant mag bij het verrichten van de werkzaamheden voor de bij de aanvraag gevoegde verklaring worden verwacht, dat hij/zij zich kritisch opstelt juist gegeven de cruciale rol van de accountant bij de uitvoering van de NOW-regeling. De controle van de einddeclaratie door een registeraccountant (of accountant administratieconsulent) is een cruciale pijler in de uitvoering van de regeling. De minister moet op een professioneel kritische houding van de accountant en een deugdelijke grondslag bij het oordeel kunnen vertrouwen. De huidige accountant had, gegeven de bijzondere toelichting in de jaarrekening bij 'Revenues', vaktechnisch overleg moeten plegen met de controlerend accountant van de jaarrekening. De accountant had zich, gezien de bijzondere situatie, op de hoogte moeten stellen van de aard en achtergrond van eerdergenoemde transactie en de motivering van de wijze van verwerking in de jaarrekening. Het is de minister niet gebleken uit de overlegde documentatie, dat dit overleg heeft plaatsgevonden. De toelichting (“Due to highly incidental sales transaction ... future revenues") in de jaarrekening is volgens de minister wel doorslaggevend. Zonder deze toelichting geeft de jaarrekening geen getrouw beeld. De gebruiker wordt voor wat betreft de hoogte van de omzet op het verkeerde been gezet en heeft anders verkeerde verwachtingen ten aanzien van de in de toekomt te realiseren omzet. Het is maar zeer de vraag of zonder deze opmerking een goedkeurende verklaring kan worden overgelegd. Hiervoor heeft de minister al gesteld dat de transactie een materiële invloed heeft op het resultaat van de onderneming over 2019. Het kwalificeren van een dispuut als een langlopend project, is volstrekt ongeloofwaardig. Evenals het feit dat het verkopen van de bedrijfsnaam een kernactiviteit zou zijn. Het feit dat in 2021 een domeinnaam is verkocht, maakt niet dat met terugwerkende kracht de verkoop van de bedrijfsnaam als kernactiviteit kan worden bestempeld. Dat met de bewoordingen “handel in software, hardware en aanverwante zaken en diensten” in de statuten ook gedoeld wordt op de verkoop van domeinnamen is mogelijk. Echter, dat de verkoop van domeinnamen hiermee tot een normale activiteit is geworden, betwist de minister; dat moet blijken uit het feitelijk handelen van de onderneming. Een enkele verkoop van een domeinnaam maakt deze activiteit (transactie) niet tot een kernactiviteit. De verkoop van de eigen bedrijfsnaam valt hier uitdrukkelijk niet onder. Indien de handel in domeinnamen tot de kernactiviteiten behoort, mag de gebruiker van de jaarrekening erop vertrouwen dat dit wordt genoemd en toegelicht. Nu dit niet is gebeurd, mag de gebruiker uitgaan van de activiteiten zoals in de jaarrekening genoemd. Dit is wezenlijk voor het interpreteren van de cijfers in de jaarrekening. Het feit dat transacties in domeinnamen niet afdoende zijn gedocumenteerd en gearchiveerd, doet afbreuk aan de controleerbaarheid van de administratie. Indien sprake is van handel in domeinnamen, dienen de domeinnamen die voor handelsdoeleinden worden aangehouden als voorraad te worden aangemerkt. Dat is de minister uit de overgelegde stukken niet gebleken. De verkoop van drie domeinnamen in 2021 betekent niet dat de handel in domeinnamen als reguliere activiteit in 2019 moet worden gezien. Dit los van het feit dat deze zaak niet over de domeinnaam gaat maar over de bedrijfsnaam en het oplossen van een dispuut.
In de uitspraken omtrent subsidies waaronder die van de rechtbank Den Haag, waar eiseres naar verwijst, wordt een verband gelegd tussen de kernactiviteiten en de normale activiteiten van de onderneming en dat in dat verband het begrip omzet ruim dient te worden uitgelegd. In deze zaak behoort de transactie juist niet tot de reguliere activiteiten en kan geen beroep op een ruime uitleg van het omzet begrip worden gedaan.
Het gebruik van IFRS is niet bezwaarlijk. De minister verzet zich niet tegen het gebruik van IFRS. Hoewel onder de post ‘Revenues’ verantwoord, laat de toelichting op een deel van deze post in de jaarrekening niets aan duidelijkheid te wensen over. Eerder heeft de minister aangegeven dat de post een materiële invloed heeft op het beeld van de jaarrekening, zowel qua omzet als resultaat. Het gaat om een specifieke post die voor de NOW materieel is. Immers de post leidt tot een andere uitkomst voor wat betreft de omzetdaling. Onder het Nederlandse jaarrekeningrecht moet de betreffende post onder de post ‘Overige opbrengsten’ worden verantwoord. Gegeven de melding bij de afdeling Handhaving van het UWV heeft de minister op grond van artikel 13, eerste lid, onder e, van de NOW 1 alle recht om nadere gegevens op te vragen en niet zonder meer van de jaarrekening uit te gaan. Waar het om gaat is dat een consistente vergelijking op het niveau van de normale en reguliere activiteiten van de onderneming wordt gemaakt. Dit is noodzakelijk vanuit de doelstelling van de regeling, zoals geformuleerd in artikel 3 vanPro de NOW 1. Het meenemen van incidentele opbrengsten leidt tot oversubsidiëring. Van de overheid, in dit geval de minister, mag worden verwacht dat zorgvuldig met schaarse publieke middelen wordt omgegaan. Oversubsidiëring is hiermee in strijd.
De bedrijfsnaam is een intern gegenereerd immaterieel actief dat niet op de balans wordt
verantwoord. In de RJ 210.229 worden intern ontwikkelde immateriële activa zoals merken (bedrijfsnaam) logo's, uitgave rechten, klantenbestanden, overige gelijke zaken uitdrukkelijk van activering uitgesloten (RJ 210.229). De reden dat intern ontwikkelde merken, waaronder de bedrijfsnaam en logo's, niet dienen te worden geactiveerd, is omdat ze niet kunnen worden onderscheiden van kosten ter ontwikkeling van de onderneming als zodanig. Het aanhalen van de RJ 210.201 is niet ter zake doende. De bedrijfsnaam kan niet anders worden gezien dan als een intern gegenereerd immaterieel actief. De onderneming werkt in continuïteit aan zijn bedrijfsnaam, omdat dat bepalend is voor de perceptie van (potentiële) klanten op de markt waarop de onderneming zich begeeft. Klanten melden zich immers niet zomaar. De perceptie van de bedrijfsnaam omvat begrippen als vertrouwen, geloofwaardigheid en kwaliteit van de producten en diensten.
Nu de incidentele verkooptransactie van € 1.750.000 met betrekking tot de domeinnamen
[website 1] en [website 2] duidelijk te onderscheiden is van de reguliere activiteiten van eiseres en eiseres had kunnen weten dat voor de vaststelling van de omzet in het kader van de N0W 1 uitgegaan wordt van de omzet uit reguliere bedrijfsactiviteiten, is de minister van mening dat hij de vaststelling van de subsidie kon herzien en terugvorderen. Er is naar zijn oordeel dan ook geen sprake van een herziening in strijd met een wettelijke bepaling, dan wel algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Het is de minister niet gebleken dat zijn besluitvorming voor eiseres heeft geleid tot onnodige nadelige gevolgen. Niet is gesteld of gebleken dat er sprake is van omstandigheden, waaruit volgt dat het financiële nadeel als onevenredig moet worden beoordeeld. De minister heeft hierbij rekening gehouden met de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van het bestreden besluit. De minister is niet gebleken dat de uitoefening van die bevoegdheid voor eiser onevenredig uitpakt. Hij is
daarom van oordeel dat zijn belang hier zwaarder moet wegen.
De minister kan eiseres niet volgen dat sprake zou zijn van vooringenomenheid dan wel handelen in strijd met het fair-play beginsel. Hij is van oordeel dat hij de zaak van eiseres onpartijdig heeft beoordeeld. Dit blijkt naar zijn oordeel ook uit het feit dat de zaak van eiseres geanonimiseerd is besproken in de Kleine Commissie. De wijziging van het standpunt van de minister is ingegeven door nieuwe informatie die hij ontving. Eiseres is voldoende in de gelegenheid gesteld hierop te reageren zodat geen sprake is van strijdigheid met het fair play-beginsel. Niet zou zijn toegelicht waarom er geen sprake is van omzet. De minister is van oordeel dat hij duidelijk heeft aangegeven, wat naar zijn oordeel onder het begrip 'omzet' dient te worden verstaan en waarom hij bij eiseres is uitgegaan van een andere referentieomzet dan waarvan eiser uitgaat.
Wat vindt de rechtbank?
Van welke referentieomzet over 2019 moet worden uitgegaan bij de NOW-vaststelling?
8. In zowel de NOW 1, de NOW 2 als in de NOW 3 is in artikel 1, tweede lid bepaald dat alle baten die voortkomen uit de uitvoering van normale activiteiten van een organisatie onder omzet in de zin van deze regeling vallen. Dat staat niet letterlijk in het artikellid, maar dat is wel wat de regelgever voor ogen heeft gehad, zo blijkt uit de toelichting op de NOW 1.
“Voor de definitie van omzet wordt aangesloten bij de omzetdefinitie in het
jaarrekeningenrecht. Kern is dat het omzetbegrip in deze regeling zo dicht mogelijk aansluit bij het activiteitenniveau van de onderneming, instelling, of het concern. Dit is van belang omdat de ontwikkeling van de omzetdaling daarmee voor een belangrijk deel kan samenhangen. Op grond van de begrippen in het Burgerlijk Wetboek (artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek) en de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving (RJ 940) wordt uitgegaan van de netto-omzet, waarbij het gaat om de opbrengst uit levering van goederen en diensten uit het bedrijf van de rechtspersoon onder aftrek van kortingen en dergelijke van over de omzet geheven belasting. Opbrengsten zijn baten die ontstaan bij de uitvoering van de normale activiteiten van een onderneming. Dit betekent dat omzet wordt verantwoord als de activiteiten betrekking hebben op de levering van goederen of diensten voor een specifieke klant waarmee een (verkoop)contract is gesloten.”
8.1.
Uit artikel 13, tweede lid, van de NOW 1, artikel 16, eerste lid, van de NOW 2 en artikel 13, eerste lid, van de NOW 3 volgt, dat bij de aanvragen voor de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming van werkgevers, zoals eiseres, een accountantsverklaring moet worden overgelegd. Deze accountantsverklaring heeft volgens deze artikelleden betrekking op de naleving van de subsidievoorwaarden en moet voldoen aan (kort gezegd) de standaarden van de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants en de vereisten van het accountantsprotocol bij de betreffende NOW-regeling. In paragraaf 2.2. van het accountantsprotocol van de NOW 1 wordt voor het netto-omzetbegrip verwezen naar het omzetbegrip van artikel 1, tweede lid, van de NOW 1 en de toelichting op dit begrip. In het accountantsprotocol van de NOW 2 en de NOW 3 wordt in paragraaf 2.2 voor het netto-omzetbegrip ook verwezen naar artikel 1, tweede lid, van de NOW 2 respectievelijk artikel 1, tweede lid, van de NOW 3. De netto-omzet over de referentieperiode is één van de gegevens die moet worden meegezonden met de aanvragen om definitieve vaststelling van de tegemoetkoming.
8.2.
Uit de artikelen 1, tweede lid, van de NOW 1, de NOW 2 en de NOW 3, de toelichting daarop en de accountantsprotocollen van de NOW 1, de NOW 2 en de NOW 3 blijkt, naar het oordeel van de rechtbank, dat voor het bepalen van de referentieomzet uitsluitend mag worden gekeken naar de omzet die eiseres heeft behaald over het kalenderjaar 2019 bij de uitvoering van haar normale bedrijfsactiviteiten.
8.3.
Gelet op het voorgaande, is het daarom van belang vast te stellen of het bedrag van
€ 1.750.000 dat eiseres in het kader van de Settlement Agreement heeft ontvangen tot de omzet uit haar normale bedrijfsactiviteiten moet worden gerekend. De rechtbank is van oordeel dat dit bedrag niet tot de omzet uit de normale bedrijfsactiviteiten van eiseres kan worden gerekend. Zij zal hierna uitleggen waarom zij tot dit oordeel komt.
8.4.
De rechtbank leidt uit de Settlement Agreement af, zoals reeds opgemerkt door de minister in het verweerschrift van 3 februari 2025 (zie rechtsoverweging 7), dat geen sprake was van slechts de verkoop van de domeinnamen ‘ [website 1] ’ en ‘ [website 2] ’. Eiseres was sinds 1997 actief onder de naam Snow B.V. Daarbij had zij de domeinnamen [website 1] en [website 2] en sociale media-accounts gerelateerd aan Snow B.V. in haar bezit. Een IT-onderneming in de VS opereert internationaal onder de (merk)naam Snow. Eiseres en deze IT-onderneming waren van oordeel dat de andere onderneming inbreuk maakte op onder meer hun merkrechten. Zij zijn hierover met elkaar in onderhandeling gegaan. Dat heeft geleid tot de Settlement Agreement van 9 april 2019, waarin een minnelijke schikking is getroffen. De IT-onderneming heeft als onderdeel van de gesloten vaststellingsovereenkomst een bedrag van € 1.750.000 aan eiseres betaald. Eiseres heeft vervolgens haar (handels)naam gewijzigd in Sue B.V. Ook zijn de statuten gewijzigd. Uit artikel 4.1 van de Settlement Agreement blijkt dat eiseres het bedrag van € 1.750.000 heeft ontvangen voor de overdracht van de Assigned Rights (handelsmerken, domeinnamen en sociale media-accounts), het stoppen van het gebruik van de Assigned Rights en de handelsnaam Snow, en de beëindiging van het geschil. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat het bedrag van € 1.750.000 als omzet uit de normale bedrijfsactiviteiten van eiseres moet worden beschouwd. Er is sprake van een incidentele en uitzonderlijke transactie die veel verder gaat dan de verkoop van alleen domeinnamen. Daarom behoeft de vraag of de verkoop van domeinnamen tot de normale bedrijfsactiviteiten van eiseres behoort niet meer besproken te worden. Dat geldt ook voor de vraag of het hier gaat om de verkoop van een immaterieel vast actief (en of de opbrengst van die verkoop tot de omzet uit normale bedrijfsactiviteiten gerekend moet worden).
8.5.
Nu het hier om de opbrengst van een incidentele en uitzonderlijke transactie gaat had eiseres, wilde zij voldoen aan de subsidievoorwaarden, bij het aanvragen van de definitieve vaststellingen van de tegemoetkomingen in haar opgaven van de netto-omzet in de referentieperiode het bedrag van deze opbrengst moeten afzonderen van de overige door haar over de referentieperiode behaalde opbrengsten. De rechtbank deelt daarom niet het standpunt van eiseres (zoals de rechtbank dat verstaat) dat zij bij deze opgaven mocht uitgaan van het bedrag dat in haar jaarrekening over 2019 onder de post ‘Revenues’ is opgenomen, omdat bij de jaarrekening waarin deze Revenues zijn verantwoord als opbrengst, een goedkeurende accountantsverklaring is afgegeven. Daartoe is het volgende redengevend. 8.6. Van de accountant die een verklaring afgeeft die kan worden gevoegd bij de aanvragen van werkgevers, zoals eiseres, om vaststelling van de tegemoetkoming, wordt volgens de tekst van de verklaring verlangd dat hij een oordeel uitspreekt over (onder meer) de in de aanvragen opgegeven netto-omzet over de referentieperiode. Dat oordeel houdt volgens de verklaringen in dat “in alle van materieel belang zijnde aspecten” de in de bijgevoegde aanvraag opgenomen opgave van (het bedrag van) de netto-omzet “[is] opgesteld in overeenstemming met de vereisten bij of krachtens de NOW-regeling.” Over het onderzoek dat aan dit oordeel ten grondslag ligt, staat in de accountantsprotocollen voor de situatie dat bij de jaarrekening over 2019 een controleverklaring door een accountant is verstrekt, dat de accountant in het kader van zijn werkzaamheden kan uitgaan van de omzet, opgenomen of afgeleid van de onderzochte jaarrekening waarbij de verklaring is verstrekt. Daaraan is toegevoegd: “Hierbij hoeft alleen te worden vastgesteld of rekening is gehouden met de definitie en bepalingen ten aanzien van de omzet zoals is opgenomen in de regeling. (…) Van de accountant wordt geen aanvullend onderzoek op de juistheid en volledigheid van de omzet gevraagd in het kader van deze regeling, anders dan opgenomen in de laatste twee alinea’s van deze subparagraaf 2.2.1”. In de eerste van deze twee alinea’s staat (samengevat) over de vereisten inzake de netto-omzet dat de accountant bedacht moet zijn op mogelijke risico’s en werkzaamheden moet uitvoeren die op deze risico’s zijn afgestemd. In de voor de aanvragen van eiseres toepasselijke tabel B.2 (risico’s en werkzaamheden omzet referentieperiode) is als risico geïdentificeerd, dat de netto-omzet over de referentieperiode niet is bepaald in overeenstemming met de definitie in artikel 1, tweede lid, van de NOW 1 alsmede de toelichting hierop. De uit te voeren werkzaamheden behelzen bijvoorbeeld een bespreking met het management over hoe de opgave van de netto-omzet is opgesteld. Daaraan is toegevoegd: “Hoe de netto-omzet is bepaald t.b.v. de NOW-subsidie op grond van de NOW-regeling: Hoe is gewaarborgd dat grondslagen goed zijn toegepast; en hoe juistheid referentie-omzet is gewaarborgd. Hierbij mag uitgegaan worden van de gecontroleerde en/of samengesteld definitieve (inrichtings)jaarrekening 2019 (…) waarbij wel vastgesteld wordt of de juiste definitie is gehanteerd.” In de nadere toelichting op (onder meer) deze tabel in het accountantsprotocol is vermeld, dat de tabellen niet alle risico’s bevatten en dat de accountant op basis van zijn professioneel kritische instelling en risicoanalyse moet bepalen welke risico’s aanwezig zijn in de specifieke situatie en welke werkzaamheden dan uitgevoerd moeten worden. Welke werkzaamheden dat zijn, is volgens de toelichting onder meer afhankelijk van de omstandigheid of er eerder accountantscontrole heeft plaatsgevonden. Hierbij is relevant dat de gebruiker van de accountant verwacht, dat er een volledige risicoanalyse en planning en uitvoering van de werkzaamheden heeft plaatsgevonden en is vastgelegd in het dossier. Uit de hier toepasselijke standaard 3900N volgt, dat de gebruiker van de verklaring bij de aanvraag de minister (het UWV) is.
8.7.
Uit al wat hiervoor is overwogen, leidt de rechtbank af dat bij het opgeven van de netto-omzet over de referentieperiode in de aanvragen om definitieve vaststelling en bij het oordeel van de accountant over die opgaven ruimte bestaat voor afwijking van de post die in de jaarrekening over 2019 als opbrengst/netto-omzet is verantwoord, ook als bij deze jaarrekening een goedkeurende verklaring van een controlerend accountant is verstrekt. Daartoe bestond alle aanleiding, aangezien in deze jaarrekening op bladzijde 18 expliciet als toelichting op “extra revenues” is opgenomen dat deze voortvloeien uit een “highly incidental sales transaction”. Dat de accountant in zijn goedkeurende verklaring bij de jaarrekening over 2019 heeft verklaard (zoals uit deze verklaring blijkt), dat de verantwoording van onder meer de Revenues een “true and fair view” van de behaalde opbrengsten geeft (in de woorden van de minister in het verweerschrift: een getrouw beeld) in overeenstemming met de gehanteerde grondslagen voor deze verantwoording (in dit geval: de grondslagen in IFRS en in titel 9 van Boek 2 van het BW), betekent niet dat bij de opgaven van de netto-omzet in de referentieperiode door eiseres ook is voldaan aan de vereisten van de NOW. Het behoeft geen betoog dat de juistheid van de opgegeven behaalde netto-omzet over de referentieperiode één van de kernvariabelen is voor de definitieve vaststelling van de tegemoetkomingen door de minister. Juist daarom diende eiseres zich bij het opgeven van de netto-omzet over deze periode te realiseren, dat opbrengst die is gegenereerd met niet normale activiteiten niet als voor het geleden omzetverlies relevante omzet beschouwd kan worden. Ook de accountant had daarvoor oog moeten hebben bij het geven van zijn oordeel over de opgave van eiseres.
8.8.
Gelet op wat hiervoor is overwogen en geoordeeld, is de rechtbank met de minister van oordeel dat het bedrag van € 1.750.000 dat eiseres heeft ontvangen, buiten de referentieomzet over 2019 moet worden gelaten voor de vaststelling van de tegemoetkomingen op grond van de NOW. Dat betekent dat de referentieomzet over 2019 terecht door de minister is vastgesteld op € 12.919.206, in plaats van op de door eiseres opgegeven netto-omzet van € 14.669.206. Het gevolg daarvan is dat de percentages van het omzetverlies van eiseres voor de NOW 1 moeten worden vastgesteld op 19%, voor de NOW 2 op 17%, voor de NOW op 3.1 12% en voor de NOW 3.2 op 10%. Deze percentages zijn door eiseres niet betwist. Omdat voor het recht op een tegemoetkoming het omzetverlies minimaal 20% dient te bedragen [10] , betekent dit dat eiseres over alle aanvraagperioden geen recht op een tegemoetkoming heeft.
Mocht de minister het besluit van 16 september 2021 intrekken en de tegemoetkoming NOW 1 vaststellen op nihil?
9. Nu de rechtbank in 8.8 tot het oordeel is gekomen dat eiseres, gelet op haar omzetverlies van 19%, geen recht heeft op een tegemoetkoming op grond van de NOW 1, dient zij de vraag te beantwoorden of de minister zijn besluit van 16 september 2021 (vaststelling van de tegemoetkoming NOW 1) mocht intrekken en de tegemoetkoming alsnog op nihil mocht vaststellen. De rechtbank komt hierna tot het oordeel dat de minister dat allebei mocht.
9.1.
Op grond van artikel 4:49, eerste lid, van de Awb kan de minister de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan hij bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld;
b. indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten, of
c. indien de subsidieontvanger na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
9.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de tegemoetkoming in mogen trekken op grond van het bepaalde in artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de minister bij de vaststelling van de tegemoetkoming in zijn besluit van 16 september 2021 uit heeft mogen gaan van de bij de aanvraag voor de vaststelling gevoegde accountantsverklaring van 25 augustus 2021 en de in de aanvraag opgenomen gegevens omtrent - onder meer - de referentieomzet over 2019. Dat de door eiseres opgegeven netto-omzet gedeeltelijk voortvloeide uit niet normale activiteiten van eiseres in dat jaar, kon de minister toen niet weten. Hij hoefde dat ook niet te weten, aangezien de accountantsverklaring inhield dat de accountant (met een redelijke mate van zekerheid) van oordeel was dat de opgegeven netto-omzet in overeenstemming was met de vereisten bij of krachtens de NOW-regeling. Er is geen reden om te oordelen dat de minister zich bij besluit van 16 september 2021 niet mocht baseren op dit onderdeel van de verklaring van de accountant. Van de accountant die deze verklaring verstrekte, mocht de minister immers een bepaalde deskundigheid verwachten en mocht hij ook verwachten dat hij of zij zich houdt aan de vereisten waaraan de accountantsverklaring volgens onder meer het accountantsprotocol van de NOW 1 moet voldoen. Met andere woorden: van de accountant moet een professioneel kritische houding worden verwacht bij het afgeven en van de accountantsverklaring, waarbij hij of zij controleert of de opgegeven gegevens over de referentieomzet voldoen aan de vereisten bij of krachtens de NOW-regeling. Dat betekent dat de accountant hier actief had moeten controleren of de opgegeven referentieomzet over 2019 correct was opgesteld en deze omzet had moeten corrigeren met het bedrag dat eiseres op basis van de Settlement Agreement heeft ontvangen. Dat de accountant dat niet heeft gedaan, dient, naar het oordeel van de rechtbank, voor rekening en risico van eiseres te komen. De minister mocht daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om het besluit van 16 september 2021 in te trekken en de tegemoetkoming op grond van de NOW 1 alsnog op nihil vast te stellen.
9.3.
Het besluit tot intrekking van het besluit van 16 september 2021 en het alsnog op nihil vaststellen van de tegemoetkoming op grond van de NOW 1 berust op een discretionaire bevoegdheid van de minister. Bij de toepassing van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb moet de minister een afweging maken tussen het belang van een juiste vaststelling van de tegemoetkoming in de loonkosten enerzijds en de gevolgen van een lagere vaststelling voor eiseres anderzijds. Op grond van het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel mogen de voor eiseres nadelige gevolgen van de lagere vaststelling en de terugvordering van de als gevolg daarvan ten onrechte ontvangen bedragen niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Zoals de CRvB in de uitspraak van 11 oktober 2022 [11] in navolging van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022 [12] heeft overwogen, is de ratio van het evenredigheidsbeginsel niet zozeer het in het algemeen tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodige nadelige gevolgen. Daarbij gaat het hier om een directe toetsing aan het evenredigheidsbeginsel, waarbij het aankomt op een afweging van de belangen van eiseres bij een hogere tegemoetkoming en de belangen van de minister bij een zorgvuldige besteding van publieke middelen.
9.4.
Eiseres wijst erop dat - voor zover uit moet worden gegaan van een omzetdaling van 19% - slechts sprake is van een verschil van 1% waarvoor eiseres volledig wordt belast. Uit het bestreden besluit NOW 1 blijkt in geen geval, dat de minister rekening heeft gehouden met deze onevenredige nadelen van het besluit voor haar, aldus eiseres.
9.5.
De rechtbank merkt op dat door de minister bij het opstellen van de NOW-regelingen een bewuste keuze is gemaakt om alleen bij een omzetverlies van ten minste 20% een tegemoetkoming toe te kennen. De rechtbank begrijpt uit de toelichting op de NOW 1 [13] dat de minister van oordeel is, dat een omzetverlies van minder dan 20% tot het normale ondernemingsrisico behoort. Naar het oordeel van de rechtbank is dit geen onredelijke motivering. Inherent aan de keuze van de regelgever is dat werkgevers die een omzetverlies van minder dan 20% hebben, zoals eiseres, niet in aanmerking komen voor deze tegemoetkoming. Dat maakt niet dat er sprake is van onnodige nadelige gevolgen voor eiseres door het intrekken van het besluit van 16 september 2021 en het alsnog op nihil vaststellen van de tegemoetkoming op grond van de NOW 1. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het algemeen belang van de minister bij een zorgvuldige besteding van publieke middelen zwaar moet wegen. Ook heeft eiseres geen specifieke feiten of omstandigheden naar voren gebracht, waaruit zou volgen dat in haar situatie sprake is van onnodig nadelige gevolgen.
10. Eiseres heeft aangevoerd dat het besluit van 16 september 2021 formele rechtskracht had gekregen. Zij heeft haar bedrijfsvoering op de vaststelling ingericht, heeft vertrouwd én mocht vertrouwen op de definitieve vaststelling. Daarmee doet eiseres een beroep op het vertrouwensbeginsel. Dit beroep slaagt, naar het oordeel van de rechtbank, niet.
10.1.
Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. [14] Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval indien de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan. Bij deze belangenafweging kan ook een rol spelen of de betrokkene op basis van de gewekte verwachtingen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan hij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden.
10.2.
In artikel 4:49, derde lid, van de Awb is – kort samengevat en hier van belang – bepaald dat de subsidievaststelling niet meer kan worden ingetrokken of ten nadele van de ontvanger worden gewijzigd indien vijf jaren zijn verstreken sinds de dag waarop zij is bekendgemaakt. Dat betekent dat eiseres er rekening mee had moeten houden dat het besluit van 16 september 2021 nog tot vijf jaar daarna kon worden ingetrokken of ten nadele van haar kon worden gewijzigd. Verder is het rechtbank niet gebleken dat er door of namens de minister toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht, waaruit eiseres redelijkerwijs had kunnen afleiden dat de minister de vaststelling van de tegemoetkoming op grond van de NOW 1 niet meer zou herzien of intrekken.
Mocht de minister de tegemoetkomingen voor de NOW 2, de NOW 3.1 en de NOW 3.2. op nihil vaststellen?
11. Op grond van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb wordt de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vastgesteld, tenzij er sprake is van één van de (limitatief) in het tweede lid genoemde situaties. In die gevallen kan de subsidie lager worden vastgesteld.
11.1.
Naar het oordeel van de rechtbank was de minister bevoegd om de subsidie lager vast te stellen op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb, omdat dat de subsidieverlening anderszins onjuist was en de eiseres dit wist of behoorde te weten. Daarbij is van belang dat bij het aanvragen van de NOW-subsidie en de verlening van het voorschot noodgedwongen moet worden uitgegaan van een aantal onzekere factoren. Er moet bijvoorbeeld een schatting worden gemaakt van het omzetverlies (verwachte omzetverlies). Ook wordt ervan uitgegaan dat de loonsom in de subsidieperiode nagenoeg gelijk zal blijven aan de loonsom in januari 2020. Een en ander hangt samen met de noodzaak om werkgevers zo snel mogelijk van een voorschot te voorzien. Bij de subsidievaststelling is er meer tijd om te corrigeren. Dit betekent dat werkgevers die een aanvraag indienen voor loonkostensubsidies op grond van de NOW zich moeten realiseren, dat het definitieve subsidiebedrag lager kan uitvallen als bijvoorbeeld het daadwerkelijke omzetverlies lager is dan het verwachte omzetverlies, of als de loonsom in de subsidieperiode lager is dan driemaal de loonsom in de maand januari 2020. Eiseres is er in de voorschotbesluiten ook op gewezen dat de definitieve bedragen aan subsidie waarop zij recht heeft lager kunnen zijn dan de bedragen die aan subsidie zijn verleend.
11.2.
Net zoals het besluit tot toepassing van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, berusten ook de besluiten tot vaststelling van de tegemoetkomingen op grond van de NOW 2, 3.1 en 3.2 op een lager bedrag dan bij de subsidieverlening is vastgesteld, op een discretionaire bevoegdheid van de minister. Ook daarbij dient de minister een belangenafweging te maken, op grond van het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel. Waarbij ook hier, gelet op de in 9.3 vermelde rechtspraak, onnodige nadelige gevolgen van de besluiten voor eiseres voorkomen moeten worden.
11.3.
De rechtbank is van oordeel dat de gevolgen van de vaststelling van de subsidies op nihil niet maken dat de besluitvorming in dit geval voor eiseres als onredelijk bezwarend moet worden beoordeeld. De uitkomst van de door de minister gemaakte belangenafweging is, anders dan eiseres heeft betoogd, in overeenstemming met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Daartoe wordt als volgt overwogen.
11.3.1.
De minister heeft bij de totstandkoming van een subsidieregeling zoals de NOW veel beslissingsruimte. Bovendien is de NOW-regeling het resultaat van een politiek-bestuurlijke afweging om werkgevers, die te maken hebben met een acute terugval in de omzet door vermindering van de bedrijvigheid door bijzondere omstandigheden, die niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend, zoals door COVID-19, een tegemoetkoming te bieden in de loonkosten met het doel werkgelegenheid zoveel mogelijk te behouden. Het is verder een noodmaatregel waarbij een zeer groot aantal werkgevers op korte termijn duidelijkheid moest worden verschaft over de aard en de inhoud van de regeling. De regeling heeft daardoor noodgedwongen een generiek karakter waarbij niet steeds maatwerk kan worden geboden. Een en ander betekent dat de onderhavige toetsing minder intensief is, vergelijk de uitspraak van de CRvB van 18 januari 2023. [15]
11.3.2.
In de bestreden besluiten heeft de minister met betrekking tot de belangenafweging – kort samengevat – alleen opgemerkt dat zijn belang bij een zorgvuldige besteding van publieke middelen zwaarder moet wegen dan de belangen van eiseres bij het hoger vaststellen van de tegemoetkomingen. In zijn verweerschrift van 3 februari 2025 heeft de minister hier nog aan toegevoegd, dat het hem niet gebleken is dat zijn besluitvorming voor eiseres heeft geleid tot onnodig nadelige gevolgen. Niet is gesteld of gebleken dat er sprake is van omstandigheden waaruit volgt dat het financiële nadeel als onevenredig moet worden beoordeeld. De minister heeft hierbij rekening gehouden met de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van het bestreden besluit. De minister is niet gebleken dat de uitoefening van die bevoegdheid voor eiser onevenredig uitpakt. Hij is
daarom van oordeel dat zijn belang hier zwaarder moet wegen.
11.3.3.
In beroep heeft eiseres aangevoerd dat de bestreden besluiten niet berusten op een deugdelijke belangenafweging. Eiseres heeft aantoonbaar te maken gehad met een forse omzetdaling en desondanks heeft zij tijdens de coronapandemie de loonkosten gewoon door moeten betalen. Dat is waar deze regeling voor in het leven is geroepen en daarom is het volstrekt onredelijk om eiseres hiervan uit te sluiten.
11.3.4.
Nu eiseres, behoudens hetgeen onder 11.3.3 is opgemerkt, niet nader onderbouwd heeft waarom door de minister onvoldoende rekening is gehouden met haar belangen, is de rechtbank van oordeel dat de belangen van de minister zwaarder moeten wegen. De minister heeft daarom de tegemoetkomingen op grond van de NOW 2, de NOW 3.1 en de NOW 3.2 op nihil mogen vaststellen.
Mocht de minister de betaalde (voorschot)bedragen van de tegemoetkomingen terugvorderen?
12. Gelet op wat hiervoor over de vaststelling van de tegemoetkomingen op nihil is overwogen, staat vast dat de minister ten onrechte aan eiseres tegemoetkomingen op grond van de NOW 1 en voorschotten op de tegemoetkomingen op grond van de NOW 2, 3.1 en 3.2 heeft verstrekt. Artikel 19 vanPro de NOW 2 en artikel 25 vanPro de NOW 3 bepalen dat, onverminderd artikel 4:95, vierde lid, van de Awb, het verstrekte voorschot geheel of gedeeltelijk kan worden teruggevorderd van de subsidieontvanger indien dit ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verstrekt of indien niet aan de in bepaalde artikelen van de NOW-regelingen genoemde verplichtingen, is voldaan. De minister heeft zowel op grond voornoemde artikelen als op grond van artikel 4:95, vierde lid, van de Awb een discretionaire bevoegdheid om het onverschuldigd betaalde voorschot geheel of gedeeltelijk terug te vorderen van de subsidieontvanger. Op grond van artikel 4:57, eerste lid, van de Awb heeft de minister ook een discretionaire bevoegdheid om de op grond van de NOW 1 betaalde tegemoetkoming van eiseres terug te vorderen. Ook met betrekking tot de terugvorderingen geldt dat, gelet op artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, beoordeeld moet worden of de nadelige gevolgen van de terugvordering voor eiseres niet onevenredig zijn in verhouding met de doelen die met het besluit worden gediend.
12.1.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat vanuit het oogpunt van zorgvuldige besteding van publieke middelen in beginsel gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid tot terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten op grond van de NOW. Dat is een legitiem doel waaraan belangrijke betekenis toekomt.
12.2.
Het gevolg van de bestreden besluiten voor eiseres is dat zij een bedrag van in totaal € 1.716.379 moet terugbetalen. Dit financiële gevolg van de terugvordering voor eiseres beoordeelt de rechtbank niet als onevenredig nadelig. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres in beroep geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat op 31 augustus 2023 en 8 september 2023, de data van de bestreden besluiten, sprake was van een financiële noodsituatie. De conclusie van de rechtbank is dan ook dat de in de bestreden besluiten neergelegde uitkomst van de belangenafweging, te weten dat de verstrekte voorschotten geheel van eiseres worden teruggevorderd, in overeenstemming is met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.
Heeft de minister bij zijn besluitvorming gehandeld in strijd met het fair-play beginsel?
13. Eiseres stelt dat er sprake is van schending van het verbod op vooringenomenheid en het fair-play beginsel. Volgens eiseres wordt zij onderworpen aan de willekeur van UVB/de minister. UVB heeft in de verschillende adviezen en rapporten van bevindingen het standpunt ingenomen dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard, maar baseert dat steeds op andere uitgangspunten. Eiseres moet zich volgens haar continu tegen andere stellingen verweren.
13.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet gehandeld in strijd met het verbod op vooringenomenheid of het fair-play beginsel. Daartoe acht de rechtbank van belang dat er in de bezwaarprocedure een volledige heroverweging plaats dient te vinden. Dat betekent dat de minister in zijn beslissingen op bezwaar de motivering mag aanvullen of wijzigen. Verder acht de rechtbank van belang dat UVB in de bezwaarprocedure op 16 juni 2023 een advies heeft uitgebracht aan de minister over de bezwaren van eiseres en dat eiseres in de gelegenheid is gesteld om op dit advies te reageren. Van deze mogelijkheid heeft zij, middels een brief van haar gemachtigde van 21 augustus 2023, ook gebruik gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres voldoende in de gelegenheid gesteld om tussentijds op de argumenten van de minister te reageren. Van strijd met het verbod van vooringenomenheid of het fair-play beginsel is daarom geen sprake.
Heeft eiseres recht op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?
14. Eiseres heeft verzocht om toekenning van schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn.
14.1.
Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid voert de Staat geen verweer op het verzoek om schadevergoeding. [16]
14.2.
De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. [17]
14.3.
De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van partijen gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene.
14.4.
De behandeling van zaken als deze mag in beginsel maximaal twee jaar in beslag nemen: een half jaar voor de bezwaarfase bij het bestuursorgaan en anderhalf jaar voor de beroepsfase bij de rechtbank. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. De omstandigheden van het geval kunnen een langere behandelduur rechtvaardigen. Er kunnen zich ook bijzondere omstandigheden voordoen die aanleiding kunnen geven tot een verkorting van de termijnen in verband met het belang dat voor de betrokkene op het spel staat.
14.5.
Als de redelijke termijn is overschreden, wordt in beginsel verondersteld dat de betrokkene immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500 per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
14.6.
Indien sprake is van overschrijding van de redelijke termijn moet ook worden beoordeeld op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase.
14.7.
De minister heeft het bezwaarschrift van eiseres tegen het primaire besluit I ontvangen op 24 november 2022. [18] Vanaf 24 november 2022 tot het moment waarop de rechtbank uitspraak doet zijn drie jaar en twee maanden verstreken. Dat zijn 38 maanden. Dat betekent, uitgaande van een uitspraak uiterlijk op 24 januari 2026, dat de in beginsel redelijk geachte termijn van twee jaar met veertien maanden is overschreden.
14.8.
De bezwaarfase heeft, gerekend vanaf het moment van ontvangen van het bezwaarschrift op 24 november 2022 tot het moment van verzenden van het bestreden besluit op 31 augustus 2023, iets meer dan negen maanden geduurd. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging van de termijn. De rechtbank acht de zaken niet dusdanig ingewikkeld dat daar reden voor is. Het overige deel van de overschrijding van de redelijke termijn moet worden toegerekend aan de Staat.
14.9.
Gelet op het uitgangspunt dat een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500 per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn overschreden is, wordt de door eiseres geleden immateriële schade vastgesteld op een bedrag van in totaal (3 x 500) € 1.500. Daarvan komt (3/14 x € 1.500) € 321,43 ten laste van de minister en (11/14 x € 1.500) € 1.178,57 ten laste van de Staat. [19]
Conclusie en gevolgen
15. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Zij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Wel heeft eiseres recht op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van het bepaalde in artikel 8:94, tweede lid, van de Awb is bij indiening van een verzoek als bedoeld in artikel 8:91, eerste lid, van de Awb, zoals hier aan de orde, geen griffierecht verschuldigd. Eiseres krijgt wel een vergoeding van de proceskosten voor de indiening van dit verzoek. De rechtbank stelt deze vergoeding vast op een bedrag van € 467 (1 punt voor het indienen van het verzoek, wegingsfactor 0,5 (licht) met een waarde van € 934 per punt).
15.1.
Omdat de overschrijding van de redelijke termijn deels aan de minister en deels aan de Staat moet worden toegerekend, moeten zij beiden de helft van dit bedrag betalen aan eiseres. Daarom veroordeelt de rechtbank de minister tot het betalen van een bedrag van € 233,50 aan proceskosten aan eiseres. De rechtbank veroordeelt ook de Staat tot het betalen van een bedrag van € 233,50 aan proceskosten aan eiseres.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de minister tot vergoeding van schade aan eiseres tot een bedrag van € 321,43;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van schade aan eiseres tot een bedrag van € 1.178,57;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. van Lee, voorzitter, en mr. D.J. Post en
mr. P.L. de Vos, leden, in aanwezigheid van mr. H. Peters, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 2:4, eerste lid
Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid.
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 4:46, tweede lid
De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:
a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;
b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;
c. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of
d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.
Artikel 4:49
1. Het bestuursorgaan kan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld;
b. indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten, of
c. indien de subsidie-ontvanger na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan aan de subsidie verbonden verplichtingen.
2. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.
3. De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de ontvanger worden gewijzigd indien vijf jaren zijn verstreken sedert de dag waarop zij is bekendgemaakt dan wel, in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, sedert de dag waarop de handeling in strijd met de verplichting is verricht of de dag waarop aan de verplichting had moeten zijn voldaan.
Artikel 4:57
1. Het bestuursorgaan kan onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terugvorderen.
2. Het bestuursorgaan kan het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen.
3. Het bestuursorgaan kan het terug te vorderen bedrag verrekenen met een aan dezelfde subsidie-ontvanger voor dezelfde activiteiten verstrekte subsidie voor een ander tijdvak.
4. Terugvordering van een subsidiebedrag of een voorschot vindt niet plaats voor zover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld, dan wel de handeling, bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, onderdeel c, heeft plaatsgevonden, vijf jaren zijn verstreken.
Artikel 4:95, vierde lid
Betaalde voorschotten worden verrekend met de te betalen geldsom. Onverschuldigd betaalde voorschotten kunnen worden teruggevorderd.
Artikel 4:84
Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Burgerlijk Wetboek
Artikel 2:377, zesde lid
Onder de netto-omzet wordt verstaan de opbrengst uit levering van goederen en diensten uit het bedrijf van de rechtspersoon, onder aftrek van kortingen en dergelijke en van over de omzet geheven belastingen.
Artikel 2:362, achtste lid
Een rechtspersoon kan de jaarrekening opstellen volgens de door de International Accounting Standards Board vastgestelde en door de Europese Commissie goedgekeurde standaarden, mits de rechtspersoon daarbij alle voor hem van toepassing zijnde vastgestelde en goedgekeurde standaarden toepast. Een rechtspersoon die de geconsolideerde jaarrekening opstelt volgens deze titel, kan niet de enkelvoudige jaarrekening opstellen volgens de vastgestelde en goedgekeurde standaarden. Een rechtspersoon die de geconsolideerde jaarrekening opstelt volgens de in de eerste zin van dit lid genoemde standaarden, kan in de enkelvoudige jaarrekening de waarderingsgrondslagen toepassen die hij ook in de geconsolideerde jaarrekening heeft toegepast.
Eerste tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid
Artikel 1, tweede lid
Onder omzet wordt in deze regeling verstaan de netto-omzet zoals gedefinieerd in artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gecorrigeerd voor de in de winst-en-verliesrekening verantwoorde wijziging in onderhanden projecten en bepaald op basis van grondslagen en detailtoepassingen die consistent zijn met de grondslagen en detailtoepassingen zoals deze door de werkgever zijn gehanteerd in de laatste voor 1 maart 2020 vastgestelde jaarrekening, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Voor natuurlijke personen is dit de omzetbepaling die de basis is geweest voor de laatst vastgestelde aangifte voor de Wet inkomstenbelasting 2001, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Alle baten die voortkomen uit de uitvoering van normale activiteiten van een organisatie, ook als deze gewoonlijk met een andere term dan omzet worden aangeduid, vallen onder omzet in de zin van deze regeling.
Artikel 3
Het doel van deze regeling is om werkgevers tegemoet te komen in de betaling van de loonkosten, indien sprake is van een acute terugval in de omzet met ten minste 20% gedurende een periode van drie maanden, vanwege een vermindering in bedrijvigheid door buitengewone omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend, zodat zij werknemers in dienst kunnen houden voor de uren die zij werkten voordat sprake was van deze terugval.
Artikel 4
De Minister kan aan een werkgever, die gedurende een aaneengesloten periode van drie kalendermaanden in de periode van 1 maart tot en met 31 juli 2020 verwacht te worden geconfronteerd met een daling van de omzet van ten minste 20%, per loonheffingennummer een subsidie verlenen over de loonsom in de periode van 1 maart tot en met 31 mei 2020.
Artikel 5
Onverminderd artikel 4:35, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt de subsidieverlening geweigerd, indien of voor zover:
a. niet of onvoldoende aannemelijk is dat de omzetdaling van de betreffende werkgever ten minste 20% zal zijn;
b. het rekeningnummer dat bij de aanvraag is opgegeven niet correspondeert met het in de aanvraag opgegeven loonheffingennummer en de daaraan verbonden rekeninggegevens;
c. geen loongegevens beschikbaar zijn in de polisadministratie, bedoeld in artikel 33 vanPro de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, over de aangiftetijdvakken, bedoeld in artikel 10, tweede tot en met vierde lid en artikel 7, zevende lid; of
d. de aanvraag anderszins niet voldoet aan de in deze regeling gestelde eisen.
Artikel 6, eerste lid
De omzetdaling wordt vastgesteld door het verschil tussen de referentie-omzet en de omzet in de periode als bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, te delen door de referentie-omzet. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt, in hele procenten en naar boven afgerond.
Artikel 6, tweede lid
De referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, is de omzet over het kalenderjaar 2019, gedeeld door vier.
Artikel 13, eerste lid
Aan de werkgever aan wie subsidie wordt verleend, worden de volgende verplichtingen opgelegd:
a. de werkgever is verplicht de loonsom zoveel mogelijk gelijk te houden;
b. de werkgever doet na 17 maart 2020 geen verzoek om toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen op grond van artikel 669, derde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, gedurende het tijdvak waarover subsidie is verleend;
c. de werkgever is verplicht de subsidie uitsluitend aan te wenden voor de betaling van de loonkosten;
d. de werkgever is verplicht de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging, bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden, of bij het ontbreken daarvan, de werknemers te informeren over de subsidieverlening;
e. de werkgever voert een zodanig controleerbare administratie dat alle voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde gegevens kunnen worden nagegaan en verleent desgevraagd tot vijf jaar na de datum van vaststelling van de subsidie inzage in deze administratie;
f. de werkgever doet de loonaangifte op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 op de voorgeschreven momenten;
g. de werkgever meldt onverwijld en schriftelijk aan de Minister indien zich andere omstandigheden voordoen die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie;
h. de werkgever overlegt na afloop van de periode waarover subsidie is verleend een definitieve opgave van de omzetdaling in de periode, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c;
i. de werkgever werkt tot vijf jaar na de datum van vaststelling van de subsidie, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, mee aan door of namens de Minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de Minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor het nemen van een besluit over het verstrekken van de subsidie, de vaststelling van de rechtmatigheid daarvan, of de ontwikkeling van het beleid van de Minister.
Artikel 13, tweede lid
De aanvraag van de vaststelling gaat vergezeld van een verklaring over de naleving van de subsidievoorwaarden, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 1 vanPro de Wet op het accountantsberoep. Deze verklaring voldoet aan standaarden die door de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants zijn vastgesteld, met inachtneming van het in de bijlage bij deze regeling opgenomen accountantsprotocol. Van de verplichting om een verklaring van een accountant over te leggen is de werkgever vrijgesteld, indien het totale voorschot dat is verstrekt aan die natuurlijke persoon, rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, minder is dan € 100.000,–. In afwijking van de vorige zin geldt de vrijstelling van de verplichting om een verklaring van een accountant over te leggen niet indien de totale subsidie voor die natuurlijke persoon, rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, wordt vastgesteld op een bedrag van € 125.000,– of meer, of indien de werkgever heeft verzocht om toepassing van artikel 6a.
Artikel 14, vijfde lid
De subsidie wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningswijze, bedoeld in artikel 7, met dien verstande dat de subsidie in ieder geval op nihil wordt vastgesteld, indien:
a. de omzetdaling in de periode, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, minder dan 20% bedraagt;
b. de werkgever geen verklaring van een accountant, als bedoeld in artikel 13, tweede lid, of een verklaring van een deskundige derde als bedoeld in artikel 13, derde lid, verstrekt, tenzij hij daarvan op grond van artikel 13, tweede of derde lid, is vrijgesteld; of
c. de werkgever die verzocht heeft om toepassing van artikel 6a, niet voldoet aan de voorwaarden in artikel 6a of indien in strijd is gehandeld met de verklaring, bedoeld in artikel 6a, eerste lid, onderdeel c.
Artikel 15
Onverminderd artikel 4:95, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het verstrekte voorschot geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd van de subsidieontvanger, indien dit ten onrechte of voor een te hoog bedrag is verstrekt of indien niet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 13, is voldaan.
Artikel 16
Onverminderd artikel 4:49 vanPro de Algemene wet bestuursrecht kan de Minister de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de werkgever wijzigen, indien de werkgever door zijn handelen of nalaten tijdens of na de periode waarover hij subsidie heeft ontvangen geacht wordt niet te hebben voldaan aan het doel van deze regeling, bedoeld in artikel 3.
2.Eiseres verwijst naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022, ECLI:RVS:2022:285.
3.Eiseres verwijst onder meer naar de kamerbrief van de Minister van SZW van 28 mei 2021 ,2021-0000077650, antwoord 9, Kamerstukken II 2020/21, 29 362, nr. 289 en de oproep van Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 23 oktober 2019 aan de Belastingdienst/Toeslagen.
4.Eiseres verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 oktober 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:7657.
5.Het begrip netto-omzet dient te worden geïnterpreteerd vanuit de normale, niet incidentele bedrijfsactiviteiten. (RJ 270.201))
6.Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
7.Dutch Generally Accepted Accounting Principles.
8.International Accounting Standard 1.
9.Staatscourant 2020 nr. 19874, pagina 13.
10.Dat volgt uit de artikelen 4 van de NOW 1, 4 van de NOW 2 en 15 en 18 van de NOW 3.
18.De rechtbank gaat voor de aanvang van de redelijke termijn uit van de datum waarop het eerste bezwaarschrift door eiseres is ingediend bij de minister. Vanaf dat moment is het geschil tussen partijen ontstaan.
19.Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 (rechtsoverweging 3.10.2), volgt dat één keer € 500 per half jaar of een gedeelte daarvan een vergoeding moet worden toegekend, wanneer meerdere zaken van dezelfde eiser(es) gezamenlijk zijn behandeld en die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp.