Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3118

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
ARN 25_431 Tus
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 PwArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:41a AwbArt. 8:51a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over terugwerkende kracht bijstand en vermogen in bezwaar Participatiewet

Eiser vroeg bijstand op grond van de Participatiewet met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2024, maar het college kende deze toe vanaf 11 april 2024. Eiser was het niet eens met de vaststelling van zijn vermogen en de proceskostenvergoeding in bezwaar, en stelde dat de bezwaarschriftenprocedure onzorgvuldig was verlopen.

De rechtbank oordeelt dat de bezwaarschriftenprocedure weliswaar niet perfect was, maar niet onzorgvuldig. Ook is geen sprake van bijzondere omstandigheden die terugwerkende kracht bijstand rechtvaardigen. Wel heeft het college het vermogen van eiser onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd vastgesteld, onder meer door het niet meenemen van huurachterstand april 2024 en schulden bij de Belastingdienst. Daarnaast heeft de gemachtigde van eiser recht op vergoeding van reiskosten voor twee hoorzittingen.

De rechtbank doet geen einduitspraak maar een tussenuitspraak en stelt het college in de gelegenheid de gebreken in het besluit binnen vier weken te herstellen. De verdere procedure wordt aangehouden tot de einduitspraak. Het college moet binnen twee weken aangeven of het van deze mogelijkheid gebruik maakt.

Uitkomst: Het college moet het vermogen van eiser opnieuw vaststellen en de proceskostenvergoeding aanpassen; de bezwaarschriftenprocedure en terugwerkende kracht bijstand zijn correct.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/431 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats 1] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] )
en

het college van burgemeester en wethouders van Rheden, het college

(gemachtigden: M. Alzaghtiti en T. Dorman).

Samenvatting

1. Deze tussenuitspraak gaat over de datum met ingang van wanneer de aanvraag van eiser voor bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) is toegewezen. Verder is eiser het niet eens met de hoogte van het door het college vastgestelde vermogen en de toegekende proceskostenvergoeding in bezwaar. Tot slot vindt eiser dat het college de bezwaarschriftenprocedure onzorgvuldig heeft verricht. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet op alle punten met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en een deugdelijke motivering heeft. Eiser krijgt daarom deels gelijk. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een onzorgvuldige bezwaarschriftenprocedure. Ook had het college eiser niet vanaf een eerdere ingangsdatum bijstand hoeven te verlenen. Het college heeft echter onvoldoende zorgvuldig het vermogen van eiser en de hoogte van de proceskostenvergoeding vastgesteld. Omdat de rechtbank zoveel mogelijk moet proberen om tot een uiteindelijke oplossing te komen voor het geschil (finale geschilbeslechting) doet de rechtbank nog geen einduitspraak, maar een tussenuitspraak. Met deze tussenuitspraak stelt de rechtbank het college in de gelegenheid om de geconstateerde gebreken te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
De uitspraak is als volgt opgebouwd. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen:
  • Is de bezwaarschriftenprocedure zorgvuldig verlopen?
  • Had het college met terugwerkende kracht bijstand moeten verlenen?
  • Heeft het college het vermogen van eiser juist vastgesteld?
  • Heeft het college de proceskostenvergoeding in bezwaar juist vastgesteld?
Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft zich op 11 april 2024 bij het college gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de Pw en daarbij verzocht om bijstand toe te kennen vanaf 1 januari 2024. Eiser heeft de aanvraag op 7 mei 2024 ingediend. Het college heeft de bijstand met het besluit van 28 juni 2024 toegekend vanaf 11 april 2024 en het vermogen van eiser daarbij vastgesteld op € 2.569,27 negatief. Met het bestreden besluit van 16 december 2024 op het bezwaar van eiser is het college in navolging van het advies van de commissie bezwaarschriften (hierna: commissie) bij deze ingangsdatum van de bijstand gebleven, maar heeft het vermogen van eiser nader vastgesteld op € 4.385,32 negatief en een bedrag van € 11,80 aan proceskosten toegekend.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het beroep van eiser in de zaak met nummer ARN 25/2113, op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst en doet de rechtbank in elke zaak afzonderlijk uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

Is de bezwaarschriftenprocedure zorgvuldig verlopen?
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat het college de bezwaarschriftenprocedure onzorgvuldig heeft verricht en wijst in dat verband op verschillende punten. Ten eerste heeft het college de medische verklaring van Pro Persona, die hij op 26 november 2024 heeft toegezonden, niet doorgezonden aan de commissie. Pas tijdens de hoorzitting werd deze verklaring, nadat eiser hierover begon, overhandigd. De medische verklaring, de bestudering ervan en het bespreken ervan tijdens de zitting zijn essentieel voor de beoordeling van de vraag of een ingangsdatum gelegen voor de datum van de melding mogelijk zou kunnen zijn.
Ten tweede stelt eiser dat hij tijdens de hoorzitting onvoldoende spreektijd heeft gekregen. Dit klemt temeer omdat zowel het verweerschrift van het college als het rapport onjuistheden bevatten. De commissie had eiser in de gelegenheid moeten stellen om hier op in te gaan. Tot slot betoogt eiser dat hij pas op 14 januari 2025, en na eigen verzoek, het advies van de commissie en het verslag van de hoorzitting heeft ontvangen. Dit terwijl deze stukken onderdeel uitmaken van het bestreden besluit van 16 december 2024.
3.1.
De rechtbank oordeelt dat de handelwijze van het college op enkele punten niet de schoonheidsprijs verdient, maar niet tot de conclusie kan leiden dat de bezwaarschriftenprocedure onzorgvuldig is verlopen. Hoewel de rechtbank het met eiser eens is dat het college er voor moet zorgen dat het dossier compleet wordt aangeleverd aan de commissie, betekent dat niet direct dat sprake is van een dusdanige onzorgvuldigheid dat dat tot gevolgen voor het bestreden besluit moet leiden. Uit het verslag van de hoorzitting volgt namelijk dat de medische verklaring van Pro Persona is besproken in het kader van de vraag of er bijzondere omstandigheden zijn om met terugwerkende kracht bijstand te verlenen. Ook heeft de commissie de verklaring van Pro Persona expliciet betrokken in zijn advies.
Verder is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat eiser tijdens de hoorzitting onvoldoende tijd heeft gekregen om zijn standpunten toe te lichten. Dat eiser dit gevoel heeft, is vervelend, maar maakt niet dat het bestreden besluit om die reden onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiser heeft bovendien in zijn beroepsgronden of tijdens de zitting niet verduidelijkt welke punten hij tijdens de hoorzitting onvoldoende naar voren heeft kunnen brengen.
Tot slot leidt het feit dat het college bij de toezending van het bestreden besluit niet direct het advies van de commissie en het verslag van de hoorzitting heeft meegezonden, niet tot een ander oordeel. Eiser heeft het advies en het verslag namelijk later alsnog ontvangen en kunnen betrekken bij zijn beroepsgronden.
Deze beroepsgronden slagen niet.
Had het college met terugwerkende kracht bijstand moeten verlenen?
4. Het college stelt zich op het standpunt dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan de bijstand van eiser met terugwerkende kracht toegekend moet worden. Het is namelijk de eigen verantwoordelijkheid van eiser om zich tijdig te melden voor bijstand. Eiser heeft niet aangetoond dat er zulke bijzondere omstandigheden aanwezig waren, waardoor hij zich niet, eventueel met hulp van derden, eerder had kunnen melden. Ook is er geen sprake van een zeer dringende reden.
4.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat het college hem vanwege zwaarwegende bijzondere omstandigheden of op grond van het evenredigheidsbeginsel met terugwerkende kracht bijstand had moeten toekennen. Uit de medische verklaring van Pro Persona blijkt namelijk dat eiser al voor 11 april 2024 en voor zijn eerste melding bij de huisarts op 15 maart 2024 in een toestand verkeerde waarin hij niet in staat was zijn belangen te behartigen. De poging om via een bezoek aan de huisarts iets in gang te zetten was op dat moment, na een reeds desolate periode daaraan voorafgaand, voor eiser het maximaal mogelijke. Typerend voor zijn mentale staat was dat hij aan een eerste verwijzing van de huisarts naar Pro Persona geen vervolg heeft kunnen geven. Dat traject is pas na april 2024 gestart met behulp van de vader van eiser. Bovendien heeft eiser zijn financiële belangen ernstig verwaarloosd. Het is daarom onbegrijpelijk dat het college van mening is dat hij zelf of met hulp van derden eerder een aanvraag om bijstand had kunnen doen. Ook stelt het college ten onrechte dat zijn ex-vriendin hem destijds had kunnen helpen. Zijn ex-vriendin was nog maar een jaar in Nederland en heeft maar voor korte tijd bij eiser gewoond. Eiser kon en wilde bovendien de ernst van zijn situatie niet met haar delen.
Verder blijkt uit stukken, die eiser naar aanleiding van een verzoek op grond van de Wet open overheid van het college heeft ontvangen, dat het college wel degelijk onder omstandigheden met terugwerkende kracht bijstand verleent. Sommige van de in die besluiten gegeven redeneringen, lijken ook op eiser van toepassing.
4.2.
Op grond van artikel 44, eerste lid, van de Pw, kent het college, als het vaststelt dat er recht op bijstand is, bijstand toe met ingang van de datum waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om daartoe een aanvraag in te dienen. [1] Het is daarmee in beginsel niet mogelijk om bijstand met terugwerkende kracht te verlenen: de belanghebbende is er zelf verantwoordelijk voor om zijn aanspraak op bijstand op tijd geldend te maken. Bijzondere omstandigheden kunnen rechtvaardigen dat met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend. Van zulke omstandigheden is met name sprake als de belanghebbende over de verlate melding en aanvraag redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als iemand vanwege psychische klachten niet in staat is zijn of haar belangen te (laten) behartigen. [2]
4.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die kunnen rechtvaardigen dat met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat niet is gebleken dat eiser niet zelf, of met behulp van derden, een aanvraag om bijstand had kunnen doen. In (een gedeelte) van februari en maart 2024 woonde eiser namelijk samen met zijn (nu ex-)vriendin. Bovendien kon eiser in de eerste maanden van 2024 nog verschillende handelingen verrichten. Zo blijkt dat eiser in die periode nog verschillende transacties buiten de deur heeft gedaan, in crypto heeft gehandeld, speelkaarten heeft verkocht en betaalverzoeken heeft voldaan. Tijdens de zitting heeft eiser bovendien verklaard dat – hoewel zijn werkopdrachten vanaf december 2023 steeds verder opdroogden – hij in januari 2024 hier en daar nog een opdracht uitvoerde. Ook verbleef hij, voordat zijn ex-vriendin en hij in februari gingen samenwonen, in de weekenden af en toe bij haar in [plaats 2] .
4.4.
In zoverre eiser een beroep heeft willen doen op het gelijkheidsbeginsel, slaagt dat betoog niet. Eiser heeft met de overgelegde besluiten, waar overigens grote delen van de motivering zijn weggelakt, niet aannemelijk gemaakt dat in die gevallen sprake was van gelijke gevallen.
4.5.
Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt evenmin. Artikel 44 van Pro de Pw heeft een verplichtend karakter. Daarom is er in beginsel geen ruimte voor toetsing van het daarop gebaseerde besluit aan het evenredigheidsbeginsel. Uit het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet volgt dat de rechter een bepaling van een wet in formele zin, zoals de Pw, niet mag toetsen aan de Grondwet en ook niet aan algemene rechtsbeginselen. Dit brengt mee dat de rechter niet mag oordelen over de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht bij de totstandkoming van die wettelijke bepaling. Als zich bijzondere omstandigheden voordoen, waarmee de wetgever in zijn afweging geen rekening heeft gehouden, kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval als die bijzondere omstandigheden de toepassing van die bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. [3] In dat wat eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen bijzondere omstandigheden die niet of niet volledig in de keuze van de wetgever zijn verdisconteerd.
Heeft het college het vermogen van eiser juist vastgesteld?
5. Eiser stelt zich vervolgens op het standpunt dat zijn vermogen niet juist is vastgesteld. Het college heeft namelijk ten onrechte alleen de huurachterstand van januari tot en met maart 2024 meegenomen in de berekening, en niet die van april 2024. Ten tijde van de aanvraag had eiser de huur van april 2024, die bij voortuitbetaling is verschuldigd, nog niet voldaan. Hij had hiertoe ook niet de middelen.
Verder heeft het college de achterstanden bij de Belastingdienst, met name inzake Btw [4] over delen van 2023, niet meegenomen in de berekening. Deze stukken zijn, in tegenstelling tot wat het college beweert, wel aangeleverd.
5.1.
De rechtbank stelt allereerst vast, in zoverre het college dat in het verweerschrift heeft willen betwisten, dat voldoende procesbelang bestaat om te oordelen over de vaststelling van het vermogen. Hoewel bij vaststelling van het vermogen beneden de vermogensgrens sprake is van een relatief belang, staat dit relatieve belang niet in de weg aan de mogelijkheid van een betrokkene om de vaststelling ter toetsing aan de bestuursrechter voor te leggen. Daarbij ligt het wel op de weg van de betrokkene om aannemelijk te maken dat de vaststelling onjuist is geweest. De rechtbank wijst in dat kader op vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. [5]
5.2.
Het college stelt zich wat betreft de huurachterstand op het standpunt dat eiser hierin niet wordt gevolgd. De huurachterstand betreft de maanden januari tot en met maart 2024. Eiser heeft niet aangetoond dat in april 2024 een schuld is ontstaan aan zijn vader, die hem in die periode heeft ondersteund. Wat betreft de schuld bij de Belastingdienst stelt het college zich op het standpunt dat het dossier, behalve een e-mail van de gemachtigde van eiser, waarin een aantal bedragen worden genoemd, geen stukken bevat die dit onderbouwen.
5.3.
De rechtbank oordeelt dat het college het vermogen van eiser onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd heeft vastgesteld. De rechtbank ziet in het dossier namelijk wel degelijk verschillende stukken van de Belastingdienst terug. Het gaat dan om een dwangbevel tot betaling gedateerd op 15 april 2024, die gekoppeld is aan een aanslagnummer met dagtekening 28 februari 2024, en twee keer een betalingsverzoek voor de omzetbelasting van het derde kwartaal van 2023. Tijdens de zitting heeft het college geen antwoord kunnen geven op de vraag of deze stukken zijn meegenomen in de beoordeling. De rechtbank oordeelt dat het college deze stukken daarbij wel had moeten betrekken.
Verder heeft het college zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld, waarom de maand april 2024 niet is meegenomen bij de vaststelling van de huurachterstand. De peildatum voor de vermogensvaststelling is namelijk 11 april 2024. Uit de verklaring van de verhuurder van eiser blijkt dat eiser op 11 april 2024 een betalingsachterstand had in zijn huurbetalingen van vier maanden. Uit het dossier volgt dat de huur over april 2024 uiteindelijk door de vader van eiser is voldaan, maar pas ná 11 april 2024.
Heeft het college de proceskostenvergoeding in bezwaar juist vastgesteld?
6. Eiser stelt dat zijn gemachtigde in bezwaar ten onrechte slechts een reiskostenvergoeding heeft ontvangen voor het verschijnen op één hoorzitting. Hij is namelijk twee keer op een hoorzitting verschenen. De eerste hoorzitting, op 5 november 2024, kon echter niet doorgaan, omdat het college de bestreden beschikking niet had toegevoegd aan het dossier voor de commissie.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat eiser slechts recht heeft op reiskostenvergoeding voor de hoorzitting van 3 december 2024. Hoewel eiser ook op 5 november 2024 is verschenen voor een hoorzitting, vond toen ook een hoorzitting plaats in een andere zaak van eiser, namelijk de afwijzing van bijzondere bijstand voor tandartskosten. Dat bezwaar is ongegrond verklaard. Eiser had op 5 november 2024 dus al aanleiding om te verschijnen.
6.2.
De rechtbank volgt het college hier niet in. Het bezwaar van eiser in onderhavige zaak is gedeeltelijk gegrond verklaard. Dit betekent dat de gemachtigde van eiser recht heeft op vergoeding van zijn reiskosten in verband met het verschijnen op de hoorzitting. Eiser is in het kader van de bezwaarprocedure in onderhavige zaak twee keer op een hoorzitting verschenen en heeft daarom recht op vergoeding van zijn reiskosten voor het verschijnen op beide hoorzittingen. Dat eiser geen recht zou hebben op een reiskostenvergoeding voor het verschijnen op de eerste hoorzitting van 5 november 2024, omdat hij toch al aanwezig was voor een ander bezwaar, volgt de rechtbank niet. De hoorzitting van 5 november 2024 kon namelijk – onbetwist – niet doorgaan, omdat het college de bestreden beschikking niet had toegevoegd aan het dossier voor de commissie. Dit is een fout die bij het college ligt. Bovendien heeft het college tijdens de zitting aangegeven dat eiser wél twee keer reiskostenvergoeding gekregen zou hebben als de hoorzitting in de andere zaak niet op dezelfde dag had plaatsgevonden.
Aanvraag om bijzondere bijstand voor schulden
7. Tot slot merkt de rechtbank volledigheidshalve het volgende op. Eiser heeft zowel in bezwaar als beroep aangevoerd dat, als het college niet met terugwerkende kracht bijstand zou verlenen, de voorliggende periode als een aanvraag om bijzondere bijstand voor schulden had moeten worden aangemerkt. Het college heeft in reactie hierop gesteld dat niet inhoudelijk op dit verzoek kan worden ingegaan, omdat eiser een aanvraag heeft gedaan om algemene bijstand en niet om bijzondere bijstand voor schulden. Hoewel dit buiten de grenzen van onderhavige beroep valt, merkt de rechtbank op dat zij het standpunt van het college hierin niet kan volgen. Het college had dit verzoek als een aanvraag om bijzondere bijstand moeten aanmerken. Voor zover eiser dit verzoek nu nog handhaaft, moet het college dat verzoek dus alsnog in behandeling nemen en daarop separaat beslissen.

Conclusie en gevolgen

8. Gelet op dat wat in rechtsoverwegingen 5.3 en 6.2 is geoordeeld, is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit is daarom in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
8.1.
Omdat de rechtbank zoveel mogelijk moet proberen om tot een uiteindelijke oplossing te komen voor het geschil (finale geschilbeslechting), moet aansluitend worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. [6] In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit niet in stand worden gelaten en kan de rechtbank – voor wat betreft het vaststellen van het vermogen per peildatum 11 april 2024 – niet zelf in de zaak voorzien. Dit kan zij wel ten aanzien van de proceskosten in bezwaar en dat zal de rechtbank dan ook doen bij de einduitspraak, tenzij het college dit in het kader van deze bestuurlijke lus al doet.
8.2.
Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek in de vermogensvaststelling te herstellen. Dat herstellen kan of met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het bestreden besluit, of met en aanvullende motivering. Om het gebrek te herstellen, moet het college het vermogen van eiser opnieuw vaststellen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.
8.3.
Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of het college gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
8.4.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. [7]
8.5.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten in beroep en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
  • draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of het college gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken in het bestreden besluit te herstellen;
  • stelt het college in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Met de inwerkingtreding van de Participatiewet in Balans op 1 januari 2026 is een vijfde lid toegevoegd aan artikel 44 van Pro de Pw. Op grond van dit vijfde lid kan het college in afwijking van het eerste lid bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was deze wijziging nog niet in werking getreden. In onderhavige zaak toetst de rechtbank dus aan het destijds geldende artikel 44 van Pro de Pw.
3.Zie bv. de uitspraak van de CRvB van 12 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1798.
4.Btw betekent: Belasting over toegevoegde waarde.
5.Zie o.a. de uitspraken van 27 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM5211 en 2 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2901.
6.Zie artikel 8:41a van de Awb.
7.De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).