ECLI:NL:CRVB:2014:2901
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens overschrijding vermogensgrens na erfenis
Appellante ontvangt sinds 2004 bijstand op grond van de WWB. Na de afwikkeling van de nalatenschap van haar vader werd haar vermogen per 21 november 2006 vastgesteld op €9.732,64. In 2012 ontving zij een bedrag van €2.802,44 uit de nalatenschap van haar oma, waardoor het vermogen werd vastgesteld op €12.535,08, wat de vermogensgrens van €11.370,- overschreed. Het college trok daarop de bijstand over een deel van april 2012 in.
Appellante voerde aan dat bij de eerdere vermogensvaststelling niet alle schulden waren meegenomen en dat de waarde van de inboedel fictief was vastgesteld. Ook stelde zij dat de erfenis van haar oma was besteed aan noodzakelijke gebruiksgoederen. De Raad oordeelde dat het aan appellante was om schulden aannemelijk te maken, wat zij niet deed, en dat het college terecht de waarde van de inboedel had betrokken.
Verder bevestigde de Raad dat de ontvangst van middelen boven de resterende ruimte voor vermogensaanwas het recht op bijstand uitsluit. De aanschaf van gebruiksgoederen na de erfenis leidde niet tot een lagere vermogensvaststelling. De Raad bevestigde daarom de intrekking van de bijstand en verwierp het hoger beroep van appellante.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand wegens overschrijding van de vermogensgrens.