AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vermindering naheffingsaanslag BPM wegens te lage historische nieuwprijs en onterecht geen rekening gehouden met schade
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van € 5.486 opgelegd door de inspecteur, die het bezwaar ongegrond verklaarde. De kern van het geschil betrof de juiste vaststelling van de historische nieuwprijs, handelsinkoopwaarde en de bruto BPM, mede in het licht van de overgang van de CO2-meetmethode van NEDC naar WLTP.
De rechtbank oordeelt dat de historische nieuwprijs te laag is vastgesteld omdat deze moet worden gebaseerd op de bruto BPM van het te registreren voertuig en niet op een referentievoertuig. Belanghebbende stelde ook dat er sprake was van meer dan normale gebruiksschade, maar dit werd niet aannemelijk geacht omdat het DRZ-rapport geen schade constateerde en de foto's geen deuk op de motorkap lieten zien.
Verder faalde het beroep op strijdigheid met artikel 110 VWEUPro en het vertrouwensbeginsel met betrekking tot de hogere CO2-uitstoot door WLTP, omdat belanghebbende niet aannemelijk maakte dat in Nederland in de relevante periode een gelijksoortige auto in nieuwe staat was geregistreerd.
De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag tot € 3.550, veroordeelt de inspecteur en de Staat tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en wijst proceskosten en griffierecht toe aan belanghebbende.
Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot € 3.550 en belanghebbende krijgt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/1628
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 maart 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen,de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 28 november 2022.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 5.486.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens belanghebbende [persoon A] en namens de inspecteur [persoon B] en [persoon C].
Feiten
1. Belanghebbende heeft op 13 juni 2021 aangifte bpm gedaan voor een Jeep Compas 1.4 MultiAir limited 4x4 (de auto). In de aangifte zijn de volgende gegevens vermeld:
Brandstof
Benzine
CO2-uitstoot
171 gr/km
Datum eerste toelating
30-11-2018
Netto Catalogusprijs
€ 25.128
Historische nieuwprijs
€ 42.540
Handelsinkoopwaarde
€ 7.500
Bruto bpm
€ 16.715 (voordeligste tarief)
Te betalen bpm
€ 2.946
Belanghebbende heeft de te betalen bpm op aangifte voldaan.
2. De auto is op 1 juli 2021 tenaamgesteld.
3. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd, opgemaakt door [persoon D], gecertificeerd taxateur, met dagtekening 9 juni 2021. In het taxatierapport is een handelsinkoopwaarde zonder schade van € 16.825 (afgeleid van de handelsinkoopwaarde van € 16.813 volgens koerslijst Eurotax), een schadecalculatie van € 11.730 en een handelsinkoopwaarde met schade van € 7.500 vermeld.
4. Op verzoek van de inspecteur heeft belanghebbende de auto getoond bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ). DRZ heeft de auto opgenomen en hiervan een rapport opgemaakt (het DRZ-rapport). In het DRZ-rapport is geconcludeerd dat de auto geen meer dan normale gebruiksschade heeft, dat de handelsinkoopwaarde € 16.813 is, dat de historische nieuwprijs € 44.530 is en dat de netto-catalogusprijs € 26.772 is.
5. Met dagtekening 17 september 2021 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd. De inspecteur is daarbij uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 16.813, een historische nieuwprijs van € 44.530, een bruto bpm van € 22.738 (uitgaande van een CO2-uitstoot van 190 gr/km NEDC2) en een extra leeftijdskorting van € 151. De verschuldigde bpm heeft hij vastgesteld op € 8.432.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en niet te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
7. In geschil is de historische nieuwprijs, de handelsinkoopwaarde, en de bruto bpm. Daarbij is in het bijzonder in geschil of:
de historische nieuwprijs te laag is vastgesteld omdat moet uit worden gegaan van de bruto bpm van de auto en niet van het referentievoertuig;
de inspecteur ten onrechte geen schade in aanmerking heeft genomen.
8. Het geschil met betrekking tot de bruto bpm spitst zich toe op de vraag welke gevolgen moeten worden verbonden aan de wijziging van de CO2-meetmethode van NEDC naar WLTP. Daarbij zijn in het bijzonder de antwoorden op de volgende vragen in geschil:
Hebben auto's door de invoering van de WLTP/NEDC2 testmethode een hogere CO2-uitstoot gekregen?
Worden WLTP/NEDC2 geteste auto's daardoor zwaarder belast?
Zo ja, komt dit dan in strijd met artikel 110 VWEUPro, omdat gelijksoortige referentievoertuigen die in dezelfde periode worden ingevoerd, doch waarvan de CO2-uitstoot is vastgesteld op basis van de NEDC1 testmethode, tot een lager bedrag in de heffing worden betrokken?
Als WLTP/NEDC2 geteste auto's tot een hoger bedrag in de heffing van bpm worden betrokken, handelt de inspecteur dan in strijd met het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel, aangezien de staatssecretaris zich op het standpunt heeft gesteld dat de invoering van de WLTP/NEDC2bniet tot een hogere belastingdruk mag leiden?
9. De rechtbank komt tot het oordeel dat de naheffingsaanslag te hoog is vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Historische nieuwprijs
10. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de gehanteerde historische nieuwprijs te laag is en moet worden vastgesteld op € 57.811, uitgaande van een netto catalogusprijs van € 26.772, € 5.622 btw en een bruto bpm van € 25.417.
11. Deze beroepsgrond slaagt. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de afschrijving moet plaatsvinden op de som van onder meer het bedrag aan bpm dat voor het te registreren motorrijtuig verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop dat motorrijtuig voor het eerst in gebruik werd genomen en niet het bedrag aan bpm van een referentievoertuig. [1] De netto catalogusprijs is niet in geschil. De historische nieuwprijs moet daarom worden vastgesteld op € 57.811
Handelsinkoopwaarde
12. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een deuk op de motorkap. Deze deuk is volgens belanghebbende goed in beeld gebracht door de taxateur. Ook wijst belanghebbende op in de branche ontwikkeld beleid.
13. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van meer dan normale gebruiksschade en verwijst naar het DRZ-rapport. DRZ heeft ook de motorkap bekeken en geen schade aangetroffen. Aan beleid van de branche hoeft de inspecteur zich niet te conformeren. De inspecteur stelt zich ook op het standpunt dat de handelsinkoopwaarde hoger moet worden vastgesteld, als van een hogere historische nieuwprijs moet worden uitgegaan.
14. De rechtbank komt tot het oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto meer dan normale gebruiksschade aanwezig had. Op de foto’s bij het taxatierapport en het DRZ-rapport is de deuk op de motorkap niet waar te nemen. Belanghebbende heeft verder niet concreet gesteld welke schade aanwezig zou zijn en uit de foto’s bij het taxatierapport en het DRZ-rapport kan dit niet worden afgeleid. De inspecteur is daarnaast niet gebonden aan binnen de branche ontwikkeld beleid bij de beoordeling van de schade.
15. De vermindering kan dus alleen worden vastgesteld met toepassing van de koerslijstmethode of de tabelafschrijving.
16. De taxateur en DRZ hebben beide gebruik gemaakt van een koerslijst die heeft geleidt tot een handelsinkoopwaarde van € 16.813. De inspecteur heeft niet gesteld dat de auto als zodanig niet voorkomt in een koerslijst. DRZ heeft over de gegevens uit het SilverDAT VIN-informatie rapport en het juiste merk, model, type, uitvoering en leeftijd gebruikt. [2] De rechtbank ziet geen reden voor een oordeel dat DRZ hierbij foutieve gegevens heeft gebruikt. De inspecteur heeft op dat punt niets concreets gesteld of een andere koerslijst overgelegd op grond waarvan uit moet worden gegaan van een lagere handelsinkoopwaarde. De inspecteur heeft alleen gesteld dat, omdat wordt uitgegaan van een hogere historische nieuwprijs, de handelsinkoopwaarde hoger moet worden vastgesteld. Bij toepassing van de koerslijstmethode kan de handelsinkoopwaarde niet buiten de koerslijst om worden gecorrigeerd. De blote stelling van de inspecteur dat een hogere CO2-uitstoot wel moet leiden tot een hogere handelsinkoopwaarde, is onvoldoende om de door DRZ gebruikte koerslijst ter zijde te schuiven. Het is geen feit van algemene bekendheid dat een hogere CO2-uitstoot een hogere handelsinkoopwaarde tot gevolg heeft.
17. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de handelsinkoopwaarde op basis van de door DRZ en de taxateur gebruikte koerslijst moet worden vastgesteld op € 16.813.
Bruto bpm: CO2-uitstoot
18. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat WLTP-NEDC2 geteste auto’s gemiddeld 6 gr/km zwaarder worden belast. Dit is in strijd met artikel 110 vanPro het VWEU, omdat gelijksoortige auto’s die in dezelfde periode zijn ingevoerd en waarvan de CO2-uitstoot is vastgesteld met de NEDC-methode, lager worden belast. Belanghebbende wijst op een uitspraak van Rechtbank Noord-Holland van 30 juli 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:6453. De heffing op basis van een hogere CO2-uitstoot is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, omdat de staatsecretaris van Financiën zich op het standpunt heeft gesteld dat de wijziging van meetmethode niet tot een hogere belastingdruk mag leiden.
19. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de CO2-uitstoot juist is vastgesteld. De RDW heeft voor de onderhavige voertuigen op basis van uniforme Europese wet- en regelgeving op correcte wijze een CO2-uitstoot geregistreerd. Belanghebbende heeft niet aan zijn stelplicht voldaan, om gelijksoortige voertuigen aan te wijzen, dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse auto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige auto in nieuwe staat is geregistreerd.
20. De rechtbank komt tot het oordeel dat deze beroepsgrond faalt.
21. De Hoge Raad heeft in een arrest van 26 april 2024 [3] geoordeeld dat een belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 VWEUPro is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.
22. Belanghebbende heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat in de hiervoor bedoelde periode in Nederland te minste één gelijksoortige personenauto in nieuwe staat is geregistreerd. Belanghebbende heeft weliswaar een lijst overgelegd van auto’s van hetzelfde merk en model, maar heeft niet inzichtelijk gemaakt dat deze auto’s op de essentiële punten, zoals bedoeld in het arrest van 26 april 2024, identiek zijn aan de auto, in het bijzonder de essentiële aspecten van de constructie en het ontwerp en het aantal aangedreven en gestuurde assen. Daar komt bij dat de auto een limited edition is en de in de lijst vermelde catalogusprijs van de auto aanzienlijk hoger is dan die van de andere in de lijst vermelde auto’s.
Tussenconclusie
23. Gelet op het voorgaande dient de verschuldigde en de na te heffen bpm als volgt te worden berekend.
Handelsinkoopwaarde € 16.813
Historische nieuwprijs € 57.811
Bruto bpm € 22.738
Verschuldigde bpm € 6.496 (inclusief 117 extra leeftijdskorting)
Op aangifte voldaan € 2.946
Na te heffen € 3.550
Redelijke termijn
24. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens een overschrijding van de redelijke termijn.
25. Het bezwaarschrift van belanghebbende is ontvangen op 27 september 2021. De redelijke termijn van twee jaar is met (afgerond) dertig maanden overschreden. Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 3.000. De uitspraak op bezwaar is van 28 november 2022, wat acht maanden langer is dan zes maanden. De inspecteur moet daarom (8/30 x € 3.000 = ) € 800 betalen. De rest moet de Staat betalen.
Conclusie en gevolgen
26. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd en de naheffingsaanslag wordt verminderd. Belanghebbende krijgt een vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 3.200 [4] . Belanghebbende krijgt ook het griffierecht terug. De inspecteur moet deze bedragen betalen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de naheffingsaanslag tot € 3.550;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
veroordeelt de inspecteur tot betaling van een schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 800;
veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 2.200;
veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.200;
bepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 365 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.
Uitgesproken op 20 maart 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
4.1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 934, en een wegingsfactor 1.