AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Samenloopvrijstelling overdrachtsbelasting niet van toepassing op aandelenverkrijging in onroerendezaakrechtspersoon
Belanghebbende verkreeg 60% van de aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon die een appartementscomplex bezit dat meer dan zes maanden voor de overdracht in gebruik is genomen. De inspecteur legde een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op omdat de samenloopvrijstelling niet van toepassing zou zijn.
De rechtbank oordeelt dat de samenloopvrijstelling alleen geldt bij cumulatie van overdrachtsbelasting en omzetbelasting en voor nieuwe, ongebruikte onroerende zaken in de bouw- en handelsfase. Omdat het gebouw al in gebruik was genomen, is er geen sprake van een ongebruikte onroerende zaak en is de vrijstelling niet van toepassing.
De levering van aandelen is een vrijgestelde prestatie voor de omzetbelasting, waardoor geen cumulatie optreedt. Ook het beroep op het samenloopbesluit en het Belastingplan 2024 faalt. Wel kent de rechtbank een vergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsprocedure.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting blijft in stand.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/7005
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 6 maart 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V. , uit [plaats 1] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht , de inspecteur,
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 8 september 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd van € 1.153.440. Tevens heeft de inspecteur bij beschikking € 60.876 aan belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Namens belanghebbende hebben hieraan deelgenomen: [gemachtigde] , [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] . Namens de inspecteur hebben hieraan deelgenomen: [persoon D] , [persoon E] en [persoon F] .
Feiten
1. Op 31 december 2021 heeft belanghebbende in totaal 60% van de aandelen in [naam bedrijf 1] ( [naam bedrijf 1] ) verkregen. Zij heeft 49% van die aandelen verkregen van [naam bedrijf 2] en 11% van [naam bedrijf 3] .
2. [naam bedrijf 1] voldoet aan de voorwaarden die artikel 4, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) stelt om te worden aangemerkt als een zogenoemde onroerendezaakrechtspersoon (OZR).
3. [naam bedrijf 1] bezit een indirect belang van 90% in een appartementencomplex gelegen aan de [locatie] in [plaats 2] (gebouw D). Met de verkrijging van de aandelen [naam bedrijf 1] heeft belanghebbende indirect 54% van Gebouw D verkregen.
4. De appartementen zijn opgeleverd op 8 januari 2021 en gedurende diezelfde maand voor het eerst in gebruik genomen. Ter zake van de realisatie van Gebouw D is geen omzetbelasting in aftrek gebracht, omdat de appartementen vrijgesteld van omzetbelasting worden verhuurd.
5. De waarde in het economische verkeer van gebouw D op 31 december 2021 bedraagt € 26.700.000. Gebouw D is op de geconsolideerde balans van [naam bedrijf 1] derhalve voor € 26.700.000 x 90% = € 24.030.000 meegenomen.
6. Belanghebbende heeft op 31 december 2021 ter zake van de verkrijging van het 11% belang in [naam bedrijf 1] € 69.876 aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan. Daarnaast heeft zij op 28 januari 2022 ter zake van de verkrijging van het 49%-belang in [naam bedrijf 1] € 311.265 aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan. Belanghebbende heeft in beide aangiften met betrekking tot de verkrijging van het aandeel in gebouw D een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de WBR (de samenloopvrijstelling).
7. Met dagtekening 11 april 2023 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd ter zake van de verkrijging van het indirecte aandeel in gebouw D, berekend als volgt: 60% x 90% x € 26.700.000 x 8% = € 1.153.440.
Beoordeling door de rechtbank
8. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
9. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de samenloopvrijstelling van toepassing is op de verkrijging door belanghebbende van de aandelen [naam bedrijf 1] voor zover de waarde van de aandelen toerekenbaar is aan gebouw D.
10. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is .Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Primair: beroep op de samenloopvrijstelling
11. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de samenloopvrijstelling van toepassing is voor de indirecte verkrijging van een aandeel in gebouw D. Ter onderbouwing hiervan verwijst zij naar de zogenoemde doorkijkarresten van de Hoge Raad. [1] Hierbij geldt dat indirect sprake is van cumulatie van omzetbelasting en overdrachtsbelasting, omdat de omzetbelasting over de stichtingskosten van gebouw D niet in aftrek konden worden gebracht. Deze omzetbelasting zit dus verdisconteerd in de koopprijs.
12. De inspecteur is van mening dat in de onderhavige situatie de samenloopvrijstelling niet van toepassing is, omdat geen sprake is van cumulatie van omzetbelasting en overdrachtsbelasting. De levering van aandelen is voor de omzetbelasting namelijk een vrijgestelde prestatie. Het doorkijkarrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011 [2] ziet enkel op de situatie waarin het vastgoed zich nog in de zogenoemde bouw- en handelsfase bevindt. Daar is in dit geval geen sprake van omdat gebouw D meer dan zes maanden voor de indirecte overdracht in gebruik is genomen.
13. Op grond van artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van de WBR is van overdrachtsbelasting vrijgesteld de verkrijging krachtens een levering als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, onder 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) ter zake waarvan omzetbelasting is verschuldigd, tenzij het goed als bedrijfsmiddel is gebruikt en de verkrijger de omzetbelasting geheel of gedeeltelijk in aftrek kan brengen.
14. De Hoge Raad heeft in het arrest van 10 juni 2011 (het zogenoemde tweede doorkijkarrest) als volgt geoordeeld:
“3.4.1. Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld.
(…)
Blijkens de parlementaire geschiedenis is deze regeling bedoeld voor twee situaties. In de eerste plaats (…) om cumulatie van de omzetbelasting en overdrachtsbelasting te voorkomen in het geval het gaat om de verkrijgingen van onroerende zaken die als bedrijfsmiddel zijn gebruikt waarbij de verkrijger de omzetbelasting niet geheel of gedeeltelijk in aftrek kan brengen. In de tweede plaats is bedoeld om van overdrachtsbelasting vrij te stellen verkrijgingen van 'nieuwbouw', dat wil zeggen nieuwe nog ongebruikte onroerende zaken die zich bevinden in de bouw- en handelsfase en waarvan de levering belast is met omzetbelasting (Kamerstukken II 1967/68, 9324, nr. 3, blz. 23 en 33, Kamerstukken II 1969/1970, 10 560, nr. 3, blz. 27, Kamerstukken II 1994/95, 24 172, nr. 3, blz. 19, en nr. 5, blz. 18, 25-26). Voor deze situatie is niet van belang of de verkrijger de ter zake van de levering geheven omzetbelasting in aftrek kan brengen.
3.4.2. Artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet BRV dient mede te worden gelezen in verbinding met artikel 4, lid 1, aanhef en letter a, en artikel 10 vanPro de Wet BRV. Laatstvermelde bepalingen bewerkstelligen, zoals de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.5 van het hiervoor in 3.2 vermelde arrest heeft overwogen, dat de verkrijging van aandelen in, kort gezegd, onroerendezaaklichamen wordt belast als werden de betrokken onroerende zaken zelf verkregen. Deze wetsfictie heeft geen verdere strekking dan te voorkomen dat door middel van het tussenschuiven van rechtspersonen de heffing van overdrachtsbelasting wordt ontgaan. Met deze wetsfictie is niet beoogd de verkrijging van aandelen in een onroerendezaaklichaam onder de heffing van overdrachtsbelasting te brengen voor zover de verkrijging van een onroerende zaak van dat lichaam zelf buiten de heffing van overdrachtsbelasting zou blijven vanwege de vrijstellingsbepaling van artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet BRV.
In het licht daarvan moet - mede gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.1 is opgemerkt met betrekking tot het relatieve belang van verschuldigdheid van omzetbelasting ter zake van levering van onroerende zaken die zich in de bouw- en handelsfase bevinden - onder 'verkrijging krachtens een levering als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter a, onder 1º, van de Wet OB ter zake waarvan omzetbelasting is verschuldigd, tenzij het goed als bedrijfsmiddel is gebruikt' in artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet BRV mede worden verstaan de verkrijging van aandelen die als gevolg van de hiervoor bedoelde wetsfictie als onroerende zaak worden aangemerkt, voor zover daarbij geheven zou worden over de waarde van nieuwe nog ongebruikte onroerende zaken die zich bevinden in de bouw- en handelsfase, bouwterreinen daaronder begrepen. In zoverre komt de Hoge Raad terug van zijn oordeel in zijn arrest van 13 januari 1982, nr. 20875, BNB 1982/74, als gevolg waarvan de toepassing van de onderhavige vrijstelling bij de verkrijging van de aandelen van een onroerendezaaklichaam zonder meer was uitgesloten.”
15. De rechtbank is van oordeel dat de samenloopvrijstelling in dit geval niet van toepassing is en overweegt daartoe als volgt.
16. De samenloopvrijstelling is naar de bedoeling van de wetgever van toepassing wanneer sprake is van 1) cumulatie van overdrachtsbelasting en omzetbelasting en 2) een verkrijging van nieuwe, nog ongebruikte onroerende zaken die zich in de bouw- en handelsfase bevinden en waarvan de levering is belast voor de omzetbelasting.
17. De Hoge Raad heeft in het tweede doorkijkarrest expliciet beslist dat alleen in dit tweede geval de samenloopvrijstelling van toepassing is op de verkrijging van aandelen in een OZR voor zover omzetbelasting zou worden geheven bij de rechtstreekse verkrijging van de onroerende zaak. Gebouw D is geen ongebruikte onroerende zaak omdat het langer dan zes maanden voor de overdracht voor het eerst in gebruik is genomen. De doorkijkarresten zijn dus niet op deze zaak van toepassing. Dat de samenloopvrijstelling bij een rechtstreekse verkrijging van gebouw D van toepassing is, zoals tussen partijen niet in geschil is, maakt het voorgaande niet anders.
18. De levering van aandelen is een vrijgestelde prestatie voor de omzetbelasting. [3] Bij de verkrijging van de aandelen [naam bedrijf 1] is dus geen sprake van cumulatie van overdrachtsbelasting en omzetbelasting. Het gevolg is dat op deze verkrijging de samenloopvrijstelling niet van toepassing is. Het betoog dat de omzetbelasting die is begrepen in de stichtingskosten niet aftrekbaar is, maakt dit niet anders. De omzetbelasting ter zake van deze kosten drukt namelijk niet op belanghebbende als verkrijger van de aandelen [naam bedrijf 1] , ook niet wanneer deze verdisconteerd zou zitten in de koopprijs van de aandelen. In dat geval is sprake van een te ver verwijderd verband tussen de niet aftrekbare omzetbelasting over de stichtingskosten en de koopprijs voor de aandelen [naam bedrijf 1] .
Subsidiair: beroep op het samenloopbesluit
19. Belanghebbende heeft zich verder beroepen op paragraaf 2.2.2. van het zogenoemde samenloopbesluit [4] . Hierin is goedgekeurd dat ingeval van een overdracht van een algemeenheid van goederen onder voorwaarden de samenloopvrijstelling van toepassing is. Bij de levering van de onroerende zaak zelf zou de goedkeuring van toepassing zijn geweest omdat de onroerende zaak als algemeenheid van goederen kwalificeert. Om deze reden zou de goedkeuring, gelet op de doorkijkarresten, ook in dit geval van toepassing moeten zijn.
20. Het is vaste jurisprudentie dat goedkeuringen beperkt moeten worden uitgelegd. Omdat in onderhavig geval geen sprake is van een overgang van een algemeenheid van goederen maar van een aandelenoverdracht, is de goedkeuring naar het oordeel van de rechtbank niet van toepassing. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.
Meer subsidiair: verwijzing naar het Belastingplan 2024
21. Belanghebbende wijst verder op artikel XV, onderdeel c, van het Belastingplan 2024 [5] . Dit artikel impliceert volgens belanghebbende dat de indirecte verkrijging van gebouw D op basis van de vigerende wetgeving ten tijde van de overdracht van de aandelen [naam bedrijf 1] onder de samenloopvrijstelling zou moeten vallen.
22. Uit de memorie van toelichting blijkt dat de voorgestelde wetswijziging er – kort gezegd – voor zorgt dat de samenloopvrijstelling in beginsel geen toepassing vindt bij een verkrijging van een kwalificerend aandelenbelang in een OZR. [6] In de parlementaire geschiedenis is geen aanknopingspunt te vinden voor het standpunt van belanghebbende dat als gevolg van de voorgestelde wetswijziging haar situatie als gevolg daarvan onder de samenloopvrijstelling valt. Nu de rechtbank al heeft geoordeeld dat de samenloopvrijstelling niet van toepassing is, kan deze beroepsgrond niet slagen.
Overschrijding van de redelijke termijn
23. Ter zitting heeft belanghebbende de rechtbank verzocht om een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen wegens een overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek. [7]
24. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016. [8] Belastingzaken moeten binnen een redelijke termijn worden behandeld van in beginsel twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding deze termijn te verkorten of te verlengen.
25. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 11 mei 2023. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) tien maanden langer dan twee jaar. Daarom krijgt belanghebbende een schadevergoeding van € 1.000. De uitspraak op bezwaar is van 8 september 2023. De gehele overschrijding van de redelijke termijn is dus toerekenbaar aan de beroepsfase. De rechtbank zal de Staat daarom veroordelen om dit bedrag aan belanghebbende te betalen.
Conclusie en gevolgen
26. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente in stand blijven. Omdat het beroep ongegrond is, komt de rechtbank niet toe aan het verzoek van belanghebbende om een vergoeding van de werkelijke proceskosten. Wel krijgt belanghebbende een forfaitaire vergoeding van haar proceskosten, uitsluitend omdat het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen. De proceskosten stelt de rechtbank vast op € 233,50. [9] De Staat moet die vergoeding betalen. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [10] ziet de rechtbank geen reden de Staat te gelasten het betaalde griffierecht te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 1.000;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding voor de proceskosten van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, voorzitter, mr. L.L. van Benthem en mr. J. Kluft, leden, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
Uitgesproken op 6 maart 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
voorzitter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
3.Artikel 11, eerste lid, letter i, van de Wet OB.
4.Besluit van 16 maart 2017, Overdrachtsbelasting en omzetbelasting. Samenloop, nr. 2017-51500.
7.Beleidsregel van de Minister van veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.