Eiser werd geconfronteerd met een medeterugvordering van bijstandskosten door Fijnder, omdat hij vanaf 1 maart 2024 een gezamenlijke huishouding zou hebben gevoerd met zijn ex-partner [persoon A]. Fijnder baseerde dit op een onderzoek met waarnemingen, getuigenverklaringen en een rapportage, maar verwees in het bestreden besluit vrijwel uitsluitend naar de beslissing op bezwaar van de ex-partner, die later door de rechtbank werd vernietigd wegens een motiveringsgebrek.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd was omdat Fijnder niet zelfstandig is ingegaan op de argumenten en bewijsstukken van eiser. Ook was het onderzoek naar het hoofdverblijf van eiser onzorgvuldig en onvolledig, waarbij eiser niet is gehoord en niet thuis is bezocht. De rechtbank stelde vast dat het zwaartepunt van het persoonlijke leven van eiser onvoldoende was vastgesteld.
Daarnaast vernietigde de rechtbank in een gerelateerde zaak de besluiten over de intrekking en terugvordering van de bijstand van [persoon A], waardoor de motivering voor de terugvordering van eiser eveneens faalde. De rechtbank vernietigde daarom het bestreden besluit en bepaalde dat Fijnder binnen acht weken een nieuw besluit moet nemen, met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.
Tot slot werd Fijnder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser. De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke motivering en zorgvuldige vaststelling van feiten bij terugvorderingen in het kader van de Participatiewet.