ECLI:NL:RBGEL:2025:7484

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
31 juli 2025
Publicatiedatum
5 september 2025
Zaaknummer
C/05/453690 / HA RK 25-80
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zakenArt. 3 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zakenArt. 10 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zakenArt. 3 lid 5 Wet griffierechten burgerlijke zakenArt. 3:300 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen hoogte griffierecht in civiele bodemprocedure afgewezen

Verzoekster werd gedagvaard in een civiele bodemprocedure waarin onder meer werd gevorderd dat zij medewerking verleent aan de levering van een woning en een bedrag betaalt voor forensisch onderzoek. Na betaling van een griffierecht van €1.374,00 door verzoekster, stelde zij verzet tegen de hoogte van dit griffierecht omdat zij meende dat het griffierecht €331,00 had moeten bedragen, aangezien de vordering volgens haar van onbepaalde waarde was.

De rechtbank oordeelt dat het verzet tijdig is ingediend en ontvankelijk is. Vervolgens wordt het toepasselijke wettelijke kader besproken: het griffierecht wordt bepaald aan de hand van de waarde van de vordering. Hoewel verzoekster zich beroept op jurisprudentie die een ander bedrag zou rechtvaardigen, volgt de rechtbank de meer recente jurisprudentie die stelt dat indien een bedrag genoemd wordt, dit als basis dient voor de griffierechtberekening.

De rechtbank concludeert dat de griffier het griffierecht terecht heeft vastgesteld op €1.374,00 en verklaart het verzet ongegrond. Er is geen wettelijke grondslag voor een proportionaliteits- of redelijkheidstoets bij de berekening van het griffierecht. De beschikking is gegeven door mr. S.A. van den Toorn en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2025.

Uitkomst: Het verzet tegen de hoogte van het griffierecht van €1.374,00 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: C/05/453690 / HA RK 25-80
Beschikking van 31 juli 2025
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te Hooge Mierde,
verzoekster,
advocaat: mr. W.P.G.M. Schellens-Stoks te Nijmegen,
tegen
DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK GELDERLAND,
gevestigd te Arnhem,
hierna te noemen: de griffier,
belanghebbende.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de e-mail van 12 juni 2025 van mr. B. Theunissen, advocaat en kantoorgenoot van mr. Schellens-Stoks;
  • het verzetschrift griffierecht van 14 juli 2025, met 3 producties;
  • het verweerschrift van 16 juli 2025 van de griffier.
1.2.
Ten slotte is beschikking bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 28 april 2025 is verzoekster gedagvaard om op 14 mei 2025 voor deze rechtbank in een civiele bodemprocedure te verschijnen. De eiser (hierna: eiser) in die bodemprocedure heeft, voor zover van belang, gevorderd dat de rechtbank verzoekster veroordeelt:
I. om (…) haar onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan levering van de woning aan eiser dan wel de ondertekening van de akte van verdeling, bij gebreke waarvan verzoekster een dwangsom zal verbeuren ad € 1.000,00 per dag, met een maximum van € 25.000,00, althans een dwangsom die de rechtbank juist acht, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat verzoekster in gebreke zal blijven om aan het vonnis c.q. een van voornoemde veroordelingen te voldoen;
II. om in geval verzoekster niet binnen de gestelde termijn haar medewerking verleent aan de levering van de woning aan eiser, te bepalen dat voor zover nodig het te wijzen vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW Pro in de plaats zal treden van een akte als bedoeld in die wetsbepaling, althans op grond van artikel 3:300 BW Pro een vertegenwoordiger aan te wijzen die voor verzoekster rechtshandelingen kan verrichten die noodzakelijk zijn voor de levering van de gemeenschappelijke woning aan eiser,
III. om binnen vijf dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis een bedrag van
€ 1.860,00 aan eiser te voldoen ten behoeve van het forensisch onderzoek;
IV. in de kosten van deze procedure, waaronder ook de nakosten dienen te worden begrepen.
2.2.
Bij B2-formulier van 12 mei 2025 heeft mr. Schellens-Stoks zich in de bodemprocedure als advocaat voor verzoekster gesteld (met als roldatum 14 mei 2025).
2.3.
Op 14 mei 2025 heeft de griffier verzoekster € 1.374,00 aan griffierecht in rekening gebracht, welk bedrag op 15 mei 2025 via de rekening-courant van het kantoor van mr. Schellens-Stoks is voldaan.

3.De beoordeling

3.1.
Artikel 29 lid 1 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) bepaalt onder meer dat degene die de griffierechten heeft betaald, gedurende een maand na die betaling tegen de beslissing van de griffier tot heffing van het griffierecht door indiening van een verzoek in verzet kan komen bij het gerecht waaraan het griffierecht werden betaald.
3.2.
Het door verzoekster verschuldigde griffierecht is op 15 mei 2025 betaald. Dit betekent dat door of namens verzoekster uiterlijk op 12 juni 2025 verzet kon worden aangetekend tegen de heffing van het griffierecht. Gelet op de e-mail van 12 juni 2025 is de rechtbank van oordeel dat het verzet tijdig is ingesteld, zodat verzoekster in haar verzet ontvankelijk is. De omstandigheid dat het verzet (op dat moment nog) niet aan alle daaraan, op grond van het ‘Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken: kanton, handel en voorzieningenrechter’ te stellen eisen voldeed (onder meer het ontbreken van de in het procesreglement genoemde bijlagen), is onvoldoende aanleiding om anders te oordelen.
3.3.
Op grond van artikel 3 lid 1 Wgbz Pro wordt in dagvaardingszaken van elke eiser en elke verschenen gedaagde een griffierecht geheven. Op grond van artikel 10 lid 1 Wgbz Pro wordt de hoogte van het griffierecht bepaald aan de hand van de vordering in de dagvaarding. Uit artikel 3 lid 5 Wgbz Pro volgt dat de hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van de tabel die als bijlage bij de Wgbz is gevoegd. In die tabel wordt onderscheid gemaakt tussen vorderingen van onbepaalde waarde en vorderingen met een beloop van een bepaald bedrag, waarbij moet worden aangeknoopt bij de waarde van de vordering of wel het financiële belang van de zaak. Blijkens voormelde tabel wordt het griffierecht in zaken met betrekking tot een vordering van onbepaalde waarde voor een natuurlijk persoon bepaald op een bedrag van € 331,00. In zaken met betrekking tot een vordering met een beloop van niet meer dan € 100.000,00 wordt het bedrag van het griffierecht voor een natuurlijk persoon bepaald op € 1.374,00.
3.4.
Volgens verzoekster is ten onrechte een griffierecht van € 1.374,00 geheven; de griffier had € 331,00 moeten heffen. De vorderingen zien immers op een verdeling en zijn daarom van onbepaalde waarde. In dit verband heeft verzoekster verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 25 september 2014 (ECLI:NL:GBNHO:2014:9636). Weliswaar heeft eiser € 1.860,00 aan onderzoekskosten gevorderd, maar die vordering staat niet op zichzelf. De onderzoekskosten zijn een onderdeel van de verdelingsvordering, dan wel hangen daar nauw mee samen. De hoogte van het griffierecht is ook disproportioneel en onredelijk, omdat de totale griffierechten van eiser en verzoekster meer bedragen dan de gevorderde onderzoekskosten en omdat de vordering ter zake van de onderzoekskosten op zichzelf bezien tot de competentie van de kantonrechter behoort, in welk geval het griffierecht slechts € 257,00 zou bedragen. Tenslotte heeft verzoekster aangegeven af te zien van een mondelinge behandeling.
3.5.
De griffier heeft, onder verwijzing naar artikel 3 en Pro 10 Wgbz, aangevoerd dat en waarom het berekende griffierecht juist is.
3.6.
De rechtbank volgt het standpunt van verzoekster niet. Als sprake is van één of meer vorderingen van onbepaalde waarde én er wordt een bedrag genoemd, dan wordt dat bedrag als basis genomen voor de bepaling van het griffierecht. Uit de geldende jurisprudentie [1] (die recenter is dan de door verzoekster aangehaalde jurisprudentie) volgt dat de vordering dan namelijk bepaalbaar is op een beloop of de waarde van dat bedrag. Essentie van genoemde jurisprudentie is dat voor de berekening van het griffierecht moet worden aangeknoopt bij de waarde van de vordering. Voor de door verzoekster gestelde proportionaliteits- en/of redelijkheidstoets bestaat geen wettelijke grondslag.
3.7.
Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft de griffier de hoogte van het griffierecht terecht bepaald op € 1.374,00 De rechtbank zal de beslissing van de griffier in stand laten en het verzet ongegrond verklaren.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
verklaart het verzet ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.A. van den Toorn en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2025.
1542

Voetnoten

1.Zie o.a. Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1014, Hoge Raad 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1912, gerechtshof Den Haag 7 juli 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2006 en gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 december 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:5243.