Verzoekster werd gedagvaard in een civiele bodemprocedure waarin onder meer werd gevorderd dat zij medewerking verleent aan de levering van een woning en een bedrag betaalt voor forensisch onderzoek. Na betaling van een griffierecht van €1.374,00 door verzoekster, stelde zij verzet tegen de hoogte van dit griffierecht omdat zij meende dat het griffierecht €331,00 had moeten bedragen, aangezien de vordering volgens haar van onbepaalde waarde was.
De rechtbank oordeelt dat het verzet tijdig is ingediend en ontvankelijk is. Vervolgens wordt het toepasselijke wettelijke kader besproken: het griffierecht wordt bepaald aan de hand van de waarde van de vordering. Hoewel verzoekster zich beroept op jurisprudentie die een ander bedrag zou rechtvaardigen, volgt de rechtbank de meer recente jurisprudentie die stelt dat indien een bedrag genoemd wordt, dit als basis dient voor de griffierechtberekening.
De rechtbank concludeert dat de griffier het griffierecht terecht heeft vastgesteld op €1.374,00 en verklaart het verzet ongegrond. Er is geen wettelijke grondslag voor een proportionaliteits- of redelijkheidstoets bij de berekening van het griffierecht. De beschikking is gegeven door mr. S.A. van den Toorn en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2025.