ECLI:NL:RBGEL:2025:11117

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
ARN 24/9272
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 ParticipatiewetArt. 2:4 Algemene wet bestuursrechtArt. 10:13 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsaanvraag na onvoldoende gegevensverstrekking ondanks faillissement

Eisers, failliet verklaard, vroegen bijstand aan op grond van de Participatiewet. Het dagelijks bestuur weigerde de aanvraag vanwege onvoldoende en onvolledige informatie over hun financiële situatie, waaronder inkomsten uit werkzaamheden en verkoop van goederen. Eisers stelden dat zij niet beschikten over de gevraagde gegevens en betwistten de objectiviteit van het dagelijks bestuur.

De rechtbank oordeelde dat eisers niet aannemelijk maakten dat zij niet over de gevraagde informatie konden beschikken en dat de curator hen niet belemmerde. Ook werd geoordeeld dat het dagelijks bestuur niet vooringenomen was, ondanks het faillissement aangevraagd door het college dat verantwoordelijk is voor het bijstandsbeleid.

De werkzaamheden voor de (voormalig) buurvrouw werden als op geld waardeerbare arbeid beschouwd, ongeacht het ontbreken van daadwerkelijke vergoeding. De rechtbank verwierp het beroep en handhaafde de afwijzing van de bijstandsaanvraag. Eisers kregen geen recht op griffierechtteruggave of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/9272

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres], uit [plaats], eisers

(gemachtigde: mr. C.J. Driessen),
en

het dagelijks bestuur van Werkzaak Rivierenland, het dagelijks bestuur

(gemachtigde: L.S. Derks).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers om bijstand op grond van de Participatiewet (Pw). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is
.Eisers krijgen daarom geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben een aanvraag ingediend voor bijstand. Het dagelijks bestuur heeft deze aanvraag met het besluit van 3 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 december 2024 op het bezwaar van eisers is het dagelijks bestuur bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het dagelijks bestuur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, hun gemachtigde en de gemachtigde van het dagelijks bestuur.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. Op 31 oktober 2023 zijn eisers, bij vonnis van de rechtbank Gelderland, zowel zakelijk als persoonlijk failliet verklaard. De boedel van eisers wordt vanaf dat moment beheerd door de curator. Eisers zijn in hoger beroep gegaan tegen het vonnis. Het vonnis is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigd. Daarop zijn eisers in cassatie gegaan. Op 28 maart 2024 hebben eisers zich gemeld om bijstand aan te vragen en op 12 april 2024 heeft een intakegesprek plaatsgevonden. Met de brief van dezelfde datum zijn bewijsstukken opgevraagd bij eisers. Op 13 mei 2024 hebben eisers de aanvraag voor bijstand ingediend.
3.1.
Met de brief van 11 juni 2024 heeft het dagelijks bestuur aan eisers kenbaar gemaakt, dat eisers niet alle gegevens hebben aangeleverd die zijn opgevraagd. Verzocht wordt om gegevens omtrent de zorgpolissen, eigendomsakte van de woning en andere kadastrale eigendommen, afschriften van de spaarrekening met kenmerk [kenmerk spaarrekening] over de periode 1 februari 2024 tot 13 mei 2024, afschriften van een zakelijke bankrekening over de periode 1 februari 2024 tot heden, inclusief eventueel bewijs van blokkade, bewijsstukken welke bankrekeningen geblokkeerd staan en kentekenbewijzen van de auto’s op naam van eisers te overleggen. Ook wordt aangegeven dat er onduidelijkheid bestaat over de zorgwoning op het erf van eisers en de zorg die eisers aan De (voormalig) buurvrouw verlenen, het bedrijfsmatig houden van en handel in honden en de (verkoop van) auto’s en aanhangers. Van eisers wordt verlangd daaromtrent stukken te overleggen. Eisers hebben tot 2 juli 2024 de tijd gekregen de stukken te overleggen. Later is die termijn op verzoek van eisers verlengd met twee weken tot 16 juli 2024. Op 17 juli 2024 hebben eisers de ontbrekende gegevens toegezonden aan het dagelijks bestuur, voor zover zij daarover konden beschikken. Ook is een bericht van de curator bijgevoegd, inhoudende dat al hetgeen tot het vermogen van eisers behoort, onder het algemene faillissementsverslag valt, eisers daarover niet kunnen beschikken, zij niet of nauwelijks inkomen hebben, de middelen uit de verkoop van honden aangewend mogen worden voor hun eigen onderhoud, hij weinig van de gevraagde stukken kan aanleveren, maar dat (hij meent dat) de rekeningafschriften doorgestuurd worden aan eisers.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Met het besluit van 3 september 2024 is de aanvraag van eisers om bijstand afgewezen, omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Eisers hebben namelijk onvoldoende informatie verstrekt. De gevraagde gegevens zijn niet (volledig) overgelegd.
De werkzaamheden die eisers voor de (voormalig) buurvrouw verlenen, zijn aan te merken als op geld waardeerbare arbeid. Het dagelijks bestuur heeft geen deugdelijke administratie ontvangen van de zorg die aan de (voormalig) buurvrouw wordt verleend. Hierdoor bestaat geen overzicht welke werkzaamheden zijn verricht en hoeveel tijd daaraan is besteed. Aangezien de omvang van de werkzaamheden niet is vast te stellen, is er geen ruimte voor het in aanmerking nemen van een fictief inkomen.
Daarnaast blijkt uit het faillissementsverslag en de informatie van de curator, dat de verkoop van honden wordt toegestaan en het geld mag worden gebruikt om in eigen levensonderhoud te voorzien. Op bankafschriften is zichtbaar dat eisers inkomsten hebben uit de verkoop van honden en katten. Het dagelijks bestuur heeft geen (volledig) controleerbare en verifieerbare gegevens hieromtrent ontvangen. Hierdoor is niet vast te stellen hoeveel inkomsten er zijn.
Verder blijkt uit advertenties op Marktplaats, dat vanuit het adres van eisers auto’s, een pipowagen en een paardencamper te koop worden aangeboden. Op de bankrekening van eisers zijn meerdere betalingen aan Marktplaats te zien. Eisers hebben deze gevraagde informatie ook niet overgelegd. Hierdoor is niet mogelijk vast te stellen welke inkomsten er zijn (geweest) uit de verkoop van goederen op Marktplaats.
Tenslotte ontbreken nog bewijsstukken, zoals bankafschriften van spaarrekening [kenmerk spaarrekening] en zakelijke bankrekening(en), inclusief een eventueel bestaande blokkade. Het dagelijks bestuur heeft geen zeer dringende redenen gezien om toch bijstand aan eisers te verlenen.
4.1.
Bij besluit van 18 december 2024 is het bezwaar van eisers ongegrond verklaard, omdat de aanvraag volgens het dagelijks bestuur terecht is afgewezen. Het ligt op de weg van eisers om aannemelijk te maken dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren. Als eisers daarover geen, onvoldoende of niet aannemelijke informatie verstrekken, is sprake van een schending van de inlichtingenplicht en/of van de medewerkingsplicht in de zin van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Pw. Wanneer als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate recht op bijstand bestaat, is dat een reden om de aanvraag af te wijzen.
Gedurende het aanvraagproces zijn bij eisers diverse bewijsstukken opgevraagd. Een deel van de opgevraagde stukken en informatie is niet verstrekt. Eisers hebben – kort gezegd – onvoldoende openheid van zaken gegeven omtrent de werkzaamheden voor de (voormalig) buurvrouw, de handel in honden, de opbrengst van de verkoop van voertuigen zoals auto’s, aanhangers en een paardencamper, de zakelijke bankrekening(en), en de spaarrekening met nummer [kenmerk spaarrekening].
Heeft het dagelijks bestuur de bijstandsaanvraag terecht afgewezen?
5. In geding is of eisers de inlichtingen en/of medewerkingsplicht hebben geschonden en of zij aannemelijk hebben gemaakt dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren. Eisers hebben – kort samengevat – aangevoerd, dat zij de inlichtingen- en/of medewerkingsplicht niet hebben geschonden, dat zij volledige openheid van zaken hebben gegeven, de curator alle zeggenschap en informatie heeft over het eventueel aanwezige vermogen en de bezittingen en dat het dagelijks bestuur navraag had moeten doen bij de curator. Ook trekken eisers de objectiviteit van de beoordeling van de bijstandsaanvraag in twijfel. Bovendien is er, gelet op de omstandigheden, sprake van een onevenredige belangenafweging.
5.1.
Het dagelijks bestuur bestrijdt dat er sprake is van vooringenomenheid. Dit is niet onderbouwd door eisers. Het ligt daarnaast op de weg van eisers om met behulp van de nodige bewijsstukken aannemelijk te maken dat er recht op bijstand bestaat. Het dagelijks bestuur was daarom niet gehouden de informatie op te vragen bij de curator. Dat de curator niet mee zou willen werken met eisers is niet aannemelijk, omdat de curator eisers heeft aangespoord een bijstandsaanvraag in te dienen. Daarnaast hebben eisers verklaard geen stukken bij de curator te hebben opgevraagd, vanwege de daarmee gemoeide kosten. Voor het overige verwijst het dagelijks bestuur naar het bestreden besluit.
5.2.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5.3.
Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. Voor de beoordeling of de aanvrager in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is zijn financiële situatie een essentieel gegeven. De aanvrager is daarom gehouden hier openheid over te geven en de daarvoor vereiste gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is het bijstandverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd en, als daar aanleiding toe is, over een periode die verder in het verleden ligt. [1] Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag.
5.4.
Eisers worden niet gevolgd in hun beroepsgrond dat de omstandigheid dat zij failliet zijn verklaard, de schulden het vermogen overstijgen en er na het faillissement geen inkomen is gegenereerd, maakt dat de gevraagde gegevens niet nodig waren voor een goede beoordeling van de aanvraag. Het dagelijkse bestuur heeft er terecht op gewezen, dat hij inzicht wilde verkrijgen in de inkomsten en de vermogenspositie van eisers vanaf de datum van de aanvraag om bijstand en dat op de bankafschriften inkomsten zouden kunnen staan die van belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. [2] Ook als de schulden het vermogen in grote mate overstijgen en de curator eisers heeft verboden bedrijfsmatige activiteiten uit te voeren, is het aan eisers om dit aannemelijk te maken. Te meer, nu naar het oordeel van de rechtbank uit het dossier blijkt dat de curator terughoudend optreedt richting eisers, zolang de hoger beroeps- en cassatieprocedure tegen de faillissementsverklaring aanhangig was. Eisers mochten de handel in honden voortzetten en de gelden hieruit gebruiken om in hun levensonderhoud te voorzien. Ook de voertuigen die op naam stonden van eisers, mochten zij van de curator verkopen. Daarnaast blijken uit de bankafschriften van de bankrekening met het rekeningnummer eindigend op [nummer] bijschrijvingen in het kader van de verkoop van honden en katten. Eisers hebben niet ontkend dat zij de honden en voertuigen op naam hebben verkocht. Dat zij de middelen hebben aangewend ten behoeve van voedsel voor de honden en de dierenarts is niet onderbouwd.
5.5.
Verder hebben eisers aangevoerd te twijfelen aan de objectiviteit van de beoordeling van de aanvraag om bijstand. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Maas en Maas (het college), dat hun faillissement heeft aangevraagd, is eindverantwoordelijk voor het bijstandsbeleid en de uitvoering ervan, ondanks dat de uitvoering is toebedeeld aan het dagelijks bestuur. Er is volgens eisers sprake van vooringenomenheid en (daarmee) strijdigheid met artikel 2:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank oordeelt als volgt. In de eerste plaats hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat het college eindverantwoordelijk is voor het bijstandsbeleid en de uitvoering ervan. De rechtbank acht daarbij van belang dat uit de akte van oprichting van het dagelijks bestuur blijkt dat het college de uitvoering van alle bevoegdheden van de Pw heeft overgedragen aan het dagelijks bestuur. De rechtbank stelt vast dat sprake is van delegatie in de zin van artikel 10:13 van Pro de Awb. Uit de Awb volgt dat delegatie niet geschiedt aan ondergeschikten en dat het dagelijks bestuur ter zake van de uitoefening van de gedelegeerde bevoegdheid uitsluitend beleidsregels kan geven, en dus niet individuele instructies.
Daarnaast hebben eisers op geen enkele wijze onderbouwd, dat er sprake is van vooringenomenheid aan de kant van het dagelijks bestuur. Dat het college het faillissement van eisers hebben aangevraagd, betekent niet zonder meer dat het dagelijks bestuur vooringenomen is. De beroepsgrond slaagt niet.
5.6.
Voor zover eisers hebben aangevoerd dat de zorg voor de (voormalig) buurvrouw op vrijwillige basis is verleend en daarmee niet relevant is voor de aanvraag om bijstand, volgt de rechtbank eisers daarin niet. Het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten is een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Of het om bedrijfsmatig verrichtte of, bij wijze van hobby dan wel om, zoals eisers stellen, als vriendendienst uitgeoefende activiteiten gaat, is voor de Pw geen relevant onderscheid. [3] Ook de intenties van eisers doen dus niet ter zake. [4] Het dagelijks bestuur heeft, naar het oordeel van de rechtbank, terecht aangevoerd dat eisers werkzaamheden hebben verricht, waarvoor doorgaans een beloning tegenover staat of die zij daarvoor redelijkerwijs hadden kunnen bedingen. De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat uit de verklaringen van eisers blijkt dat zij zo’n twee tot vier uur per dag, zeven dagen in de week, werkzaamheden hebben verricht voor de (voormalig) buurvrouw. Dat eisers daar geen vergoeding voor ontvingen, maakt niet uit, omdat zij er redelijkerwijs een vergoeding voor konden vragen.
5.7.
De beroepsgrond dat de bankrekeningen van eisers geblokkeerd zijn en dat zij niet over de bevoegdheid of middelen beschikken om bankafschriften van rekening [kenmerk spaarrekening] op te vragen, slaagt niet. Eisers hebben ten eerste niet aannemelijk gemaakt over geen gelden te beschikken. Uit de bankafschriften van de bankrekening met het rekeningnummer eindigend op [nummer] blijken bij- en afschrijvingen van na de datum van de faillissementsverklaring. De betreffende bankrekening is dus niet geblokkeerd. Ook blijkt er een positief saldo. Eisers beschikten dus over middelen om bankafschriften op te vragen. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat zij wel informatie hebben opgevraagd bij de bank, maar niet hebben gekregen. Ook het betoog dat het dagelijks bestuur navraag had moeten doen bij de curator slaagt niet, reeds omdat eisers contact hadden met de curator en de curator heeft aangegeven, bij mailbericht van 17 juli 2024, dat hij niet over meer stukken beschikt. Bovendien heeft de curator verklaard de rekeningafschriften door te sturen aan eisers, zodat ook onaannemelijk is dat eisers niet over meer rekeningafschriften beschikten dan zij hebben overgelegd.
5.8.
Eisers hebben betoogd dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het verlangen van gegevens en bescheiden waarover aanvragers niet kunnen beschikken en ook niet de bevoegdheid toe hebben om op te vragen, is onredelijk. Er is sprake van een overmachtssituatie. De geschetste bijzondere omstandigheden maken dat er sprake is van een onevenredige belangafweging, aldus eisers. De rechtbank volgt het betoog niet. Onder 5.7 is overwogen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt, dat zij niet over de gevraagde gegevens konden beschikken. Niet aannemelijk is dus dat er sprake is van een overmachtssituatie. De beroepsgrond behoeft naar het oordeel van de rechtbank daarom verder geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

6. De voorgaande overwegingen leiden tot de conclusie dat het beroep niet slaagt. Eisers krijgen geen gelijk. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen het griffierecht niet terug. Ook bestaat er geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de CRvB van 4 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1297.
2.Vergelijk de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 22 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2876 en 23 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1468.
3.Uitspraak van de CRvB van 1 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:213.
4.Uitspraak van de CRvB van 15 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2089.