ECLI:NL:CRVB:2022:213
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bestuurlijke boete wegens schending inlichtingenverplichting bij bijstandsverlening
Appellant ontving bijstand sinds april 2013 en werd onderzocht vanwege vermoedens van schending van de inlichtingenverplichting. Tijdens een onderzoek werden kostbare goederen, wapens en meerdere bankrekeningen aangetroffen die niet waren gemeld. Ook verrichtte appellant werkzaamheden als wildbeheerder die niet waren opgegeven.
Het college legde een bestuurlijke boete op wegens deze schendingen. Appellant voerde aan dat zijn wildbeheeractiviteiten een hobby waren en dat hij geen beschikking had over een en/of-bankrekening op zijn naam en die van zijn dochter.
De Raad oordeelde dat de wildbeheeractiviteiten als op geld waardeerbaar moesten worden beschouwd, ongeacht het ontbreken van een formele overeenkomst of daadwerkelijke betaling. Ook werd geoordeeld dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet over de en/of-rekening kon beschikken. De boete werd als evenredig en terecht bevestigd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd.