Beoordeling door de rechtbank
10. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
11. De rechtbank komt tot het oordeel dat de inspecteur de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
12. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur de beslissing van 20 juli 2023 ten onrechte heeft aangemerkt als een niet voor bezwaar vatbare beslissing. Belanghebbende voert daarvoor aan dat de beslissing van 20 juli 2023 is aan te merken als een beslissing in de zin van artikel 20b, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1968 (Wet Vpb), dat expliciet bepaalt dat de inspecteur het verlies bij voor bewaar vatbare beschikking vaststelt. Belanghebbende verzoekt de rechtbank de inspecteur te gelasten de verliesbeschikkingen voor de jaren 2010 en 2012 tot en met 2015 aan belanghebbende op te leggen overeenkomstig de bedragen.
13. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende uiterlijk vóór het verstrijken van de aanslagtermijn om uitreiking van aangiftebiljetten had moeten verzoeken en deze aangiftebiljetten had moeten indienen. Voor zover de rechtbank tot het oordeel komt dat de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard, verzoekt de inspecteur de zaak inhoudelijk te behandelen.
14. De rechtbank oordeelt als volgt.
15. Indien geen bezwaar en beroep openstaat tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit, maar daartegen wordt wel bezwaar gemaakt en vervolgens wordt uitspraak op bezwaar gedaan, is de belastingrechter bevoegd kennis te nemen van het beroep tegen die uitspraak op bezwaar.De rechtbank kan daarom de uitspraak op bezwaar van 20 september 2023 zonder meer beoordelen. Daarbij moet de vraag worden beantwoord of de beslissing van 20 juli 2023 een voor bezwaar vatbare beslissing is.
16. Artikel 20b, eerste lid, van de Wet Vpb is ingevoerd bij ‘Wet van 23 december 1994 tot wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (onbeperkte voorwaartse verrekening van ondernemingsverliezen en vaststelling van verliezen bij beschikking)’ en was aanvankelijk opgenomen in artikel 20a, eerste lid, van de Wet Vpb.Met de Wet ondernemerspakket 2001is artikel 20a van de Wet Vpb verplaats naar artikel 20b van de Wet Vpb.
17. Artikel 20b, eerste tot en met het derde lid, van de Wet Vpb luidt als volgt:
1. De inspecteur stelt het bedrag van een verlies van een jaar vast bij voor bezwaar vatbare beschikking, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over dat jaar.
2. Het bedrag van het verlies wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld.
3. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat het verlies te hoog is vastgesteld, kan de inspecteur de in het eerste lid bedoelde beschikking herzien bij voor bezwaar vatbare beschikking. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor herziening opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, derde en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.
18. In de memorie van toelichting bij de invoering van deze bepaling is onder meer het volgende vermeld:
“(…) Uitgangspunt voor zowel de inkomstenbelasting als de vennootschapsbelasting is dat de inspecteur de omvang van het verlies op verzoek van de belastingplichtige bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststelt. De belastingplichtige doet dit verzoek door een aangifte in te dienen. In de uitwerking rijzen er enige verschillen tussen de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting.
(…)
Zoals gezegd dient een belastingplichtige die dit verlies wil laten vaststellen, aangifte te doen voor de inkomstenbelasting onderscheidenlijk de vennootschapsbelasting. De inspecteur is immers alleen op basis van een aangifte in staat het bedrag van het te verrekenen verlies te bepalen. Met dit systeem wordt bereikt dat op het moment dat verliezen verrekend gaan worden, zowel voor de inspecteur, als voor de belastingplichtige reeds vast staat wat de grootte van het te verrekenen verlies is.
(…)
De in artikel 20a opgenomen regeling met betrekking tot de vaststelling van verliezen stemt in grote lijnen overeen met de in artikel I, onderdeel B (artikel 51a van de Wet op de inkomstenbelasting) opgenomen regeling. (…)”
19. In de memorie van toelichting is bij Artikel I, onderdeel B (artikel 51a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964) het volgende opgenomen:
“(…) Dit onderdeel bevat de regeling met betrekking tot de vaststelling van verliezen door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking. In het eerste lid van artikel 51 a is de bepaling opgenomen dat een verlies en een ondernemingsverlies worden vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag. Met deze koppeling aan het vaststellen van de aanslag wordt bereikt dat voor het geven van de beschikking dezelfde termijn geldt als voor het vaststellen van de aanslag. Als de beschikking niet of niet-tijdig wordt gegeven, terwijl de inspecteur daartoe wel verplicht was omdat een aanslag is vastgesteld of vastgesteld had moeten worden, kan de belastingplichtige op grond van artikel 23 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht een bezwaarschrift indienen bij de inspecteur, teneinde het geleden verlies alsnog bij voor bezwaar vatbare beschikking te laten vaststellen. De koppeling van de verliesvaststellingsbeschikking aan het vaststellen van de aanslag betekent in dit geval ook dat voor het indienen van een dergelijk bezwaarschrift dezelfde termijn geldt als voor het indienen van een bezwaarschrift tegen het niet-tijdig vaststellen van de aanslag. (…)”
20. De Hoge Raad heeft in een arrest van 22 november 2002 het volgende geoordeeld:
“(…) Artikel 20a, lid 1, van de Wet bepaalt dat de inspecteur het bedrag van een verlies van een jaar vaststelt bij voor bezwaar vatbare beschikking, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over dat jaar. Als uitgangspunt heeft derhalve te gelden dat de verliesbeschikking gelijktijdig met de aanslag over het desbetreffende jaar wordt genomen. Uit de tekst van deze bepaling volgt evenwel niet dat een verliesbeschikking uitsluitend mag worden vastgesteld indien tevens een aanslag wordt vastgesteld. Een dergelijke uitleg komt bovendien in strijd met de aan die bepaling ten grondslag liggende rechtszekerheidsgedachte. Blijkens de in onderdeel 3.1 van de conclusie van de Advocaat-Generaal vermelde geschiedenis van totstandkoming van de Wet is met de onderhavige bepaling met name beoogd te bewerkstelligen dat het bedrag van het verlies tijdig bij de belastingplichtige bekend is, en is het systeem van de vaststelling van de verliesbeschikking gelijktijdig met de aanslag gebaseerd op de gedachte dat de inspecteur de aangifte nodig heeft om het bedrag van het verlies te bepalen. De belastingplichtige heeft bij het vaststellen van de verliesbeschikking voorts een materieel belang, nu artikel 20, lid 2, van de Wet aan de verrekening van een verlies de voorwaarde stelt dat het verlies door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.
De vaststelling van het verlies van een jaar door de inspecteur moet derhalve ook mogelijk worden geacht in een geval waarin op grond van artikel 25a van de Wet geen aanslag dient te worden vastgesteld. Middel II faalt. (…)”
21. In een arrest van 23 februari 2018 oordeelde de Hoge Raad:
“(…) 2.4.2. Dienaangaande heeft het volgende te gelden. Artikel 20b, lid 1, van de Wet bepaalt dat de inspecteur het bedrag van een verlies van een jaar vaststelt bij voor bezwaar vatbare beschikking, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over dat jaar. In een geval waarin de inspecteur een aanslag van nihil oplegt en op het aanslagbiljet melding maakt van een vastgesteld bedrag aan negatieve belastbare winst, dient – zoals het Hof terecht heeft geoordeeld - die vermelding op het aanslagbiljet als een verliesvaststellingsbeschikking naar dat bedrag te worden aangemerkt.
2.4.3. Zoals het Hof terecht heeft overwogen, heeft het bepaalde in artikel 11, lid 3, AWR geen verdere strekking dan dat het na het verstrijken van de termijn van drie jaren niet kan komen tot het vaststellen van een belastingschuld (zie HR 2 juni 2006, nr. 41052, ECLI:NL:HR:2006:AU2297, BNB 2007/148, rechtsoverweging 5.1, tweede alinea). Die bepaling biedt derhalve, anders dan het middel betoogt, geen grond voor de opvatting dat indien een aanslag buiten de in die bepaling voorgeschreven termijn is opgelegd, een gelijktijdig daarmee, voor hetzelfde jaar gegeven verliesvaststellingsbeschikking het lot deelt van die aanslag. Dat in artikel 20b, lid 1, van de Wet is bepaald dat de vaststelling van een verlies van een jaar plaatsvindt gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag voor dat jaar, brengt niet mee dat de vaststelling van het verlies uitsluitend bij die gelegenheid kan geschieden of dat de vernietiging van die aanslag invloed heeft op de geldigheid van de verliesvaststellingsbeschikking. De door het middel voorgestane uitleg zou ook niet bijdragen aan de met artikel 20b van de Wet beoogde rechtszekerheid, doch uitsluitend de belastingplichtige schaden in het materiële belang dat hij heeft bij het vaststellen van de verliesvaststellingsbeschikking. Artikel 20, lid 2, van de Wet stelt immers aan de verrekening van een verlies de voorwaarde dat het verlies door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking (vgl. HR 22 november 2002, nr. 37061, ECLI:NL:HR:2002:AE3264, BNB 2003/62, rechtsoverweging 3.4). Dit sluit ook aan bij de rechtspraak op grond waarvan overschrijding van de aanslagtermijn niet in de weg staat aan het opleggen en in stand laten van een aanslag indien een belastingplichtige daarbij belang heeft (zie HR 22 april 1998, nr. 32616, ECLI:NL:HR:1998:AA2420, BNB 1998/196). Uit de tekst van deze bepaling volgt evenwel niet dat een verliesbeschikking uitsluitend mag worden vastgesteld indien tevens een aanslag wordt vastgesteld. (…)” 22. In de wet zijn geen voorwaarden gesteld aan de vorm van een verzoek om een verlies vast te stellen. Alhoewel in de hiervoor aangehaalde memorie van toelichting onder punt 18. is opgenomen dat voor het vaststellen van een verliesbeschikking aangifte moet worden gedaan, is in de wettekst dit niet als voorwaarde opgenomen. Daar komt bij dat ook als de inspecteur ambtshalve een aanslag oplegt, hij een verliesbeschikking kan vaststellen. De omstandigheid dat belanghebbende geen aangifte heeft gedaan, belet als zodanig de vaststelling van een verliesbeschikking niet.
23. In de wet zijn ook geen voorwaarden gesteld over de termijn waarbinnen een verzoek om een verlies vast te stellen moet worden gedaan. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat, indien een aanslag buiten de termijn is opgelegd en op die grond wordt vernietigd, dit geen gevolgen heeft voor de gelijktijdig vastgestelde verliesbeschikking en dat een verliesbeschikking ook kan worden vastgesteld als geen aanslag is vastgesteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat een verliesbeschikking ook buiten de aanslagtermijn kan worden vastgesteld en dat een verzoek dat buiten de aanslagtermijn is ingediend niet louter op die grond kan worden afgewezen. De omstandigheid dat in de memorie van toelichting een ander uitgangspunt wordt gehanteerd, leidt niet tot een ander oordeel. De omstandigheid dat het verzoek is ingediend nadat de reguliere navorderingstermijn is verstreken, belet het vaststellen van een verliesbeschikking dan ook niet. De rechtbank acht daarvoor ook relevant dat artikel 20b, derde lid, van de Wet Vpb de mogelijkheid biedt voor de inspecteur om, zo nodig met toepassing van de verlengde navorderingstermijn, een verliesbeschikking te herzien. De verlengde navorderingstermijn was op het moment van indienen van het verzoek van belanghebbende voor alle jaren nog niet verstreken.
24. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur op een verzoek, zoals in het onderhavige geval, een voor bezwaar vatbare verliesbeschikking kan vaststellen. De omstandigheid dat (i) belanghebbende geen aangiften heeft ingediend omdat zij ervan uitging dat zij niet belastingplichtig was, (ii) de inspecteur geen aanslagen heeft vastgesteld, (iii) de aanslagtermijn en de reguliere navorderingstermijn op het moment van indienen van het verzoek al waren verstreken, leidt niet tot een ander oordeel.
25. De inspecteur heeft daarom ten onrechte schriftelijk geweigerd op verzoek van belanghebbende voor bezwaar vatbare verliesbeschikkingen vast te stellen, omdat de termijn zou zijn verstreken. Tegen die schriftelijke weigering staat bezwaar en beroep open.Niet gesteld of gebleken is dat de bezwaren niet tijdig zijn ingediend of anderszins sprake is van formele gebreken die leiden tot niet-ontvankelijkheid. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
26. Voor dat geval heeft de inspecteur op de zitting zich desgevraagd op het standpunt gesteld dat kan worden uitgegaan van de verliezen van belanghebbende zoals vermeld in de brief van 18 maart 2020, die gelijk zijn aan de verliezen die zijn vermeld in het verzoek. Daarmee bestaat over de hoogte van de verliezen tussen partijen geen geschil meer.
27. Gelet op het voorgaande, op artikel 8:41a van de Awb en het verzoek van partijen om de verzoeken inhoudelijk te behandelen, zal de rechtbank de verliesbeschikkingen voor de jaren 2010 en 2012 tot en met 2015 vaststellen op de volgende bedragen:
2010 € 8.279
2012 € 4.785
2013 € 10.076
2014 € 19.882
2015 € 602.913