ECLI:NL:RBGEL:2025:10770

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
ARN 24/2931
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking omgevingsvergunning voor woningbouw en de beoordeling van beroepsgronden

Deze uitspraak betreft het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaard tot intrekking van de omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning. Eiseres, eigenaar van het perceel in [plaats], is het niet eens met dit besluit en heeft verschillende beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat de beroepsgronden van eiseres niet slagen. De rechtbank heeft vastgesteld dat er gedurende een periode van 26 weken geen bouwactiviteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning, wat het college bevoegd maakte om de vergunning in te trekken. Eiseres had eerder omgevingsvergunningen verkregen, maar het college heeft op 4 mei 2021 besloten deze in te trekken omdat er geen activiteiten waren verricht. Eiseres heeft in bezwaar en beroep getracht de intrekking aan te vechten, maar de rechtbank heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid tot de intrekking kon besluiten. De rechtbank heeft ook de belangenafweging van het college bevestigd, waarbij is vastgesteld dat het niet tijdig gebruik maken van de vergunning aan eiseres zelf is toe te rekenen. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, wat betekent dat eiseres geen gelijk heeft gekregen en geen vergoeding van proceskosten ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/2931

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. K.A. Faber),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaard, het college
(gemachtigde: M.C. Staring, mr. R. Pennekamp).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college tot intrekking van de omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning. Eiseres is het niet eens met het besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking van de vergunning voor de activiteit bouwen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden van eiseres niet slagen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiseres is eigenaar van het perceel [locatie] in [plaats]. Aan eiseres is op 5 april 2011 (fase 1) en 27 mei 2013 (fase 2) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woning op dit perceel. Op 4 mei 2021 besluit het college om de verleende omgevingsvergunning in te trekken omdat gedurende een periode van 26 weken geen bouwactiviteiten zijn verricht met gebruikmaking van deze vergunning. Eiseres gaat in bezwaar tegen dit besluit. Met de beslissing op bezwaar van 5 oktober 2021 blijft het college bij dat besluit. Eiseres gaat in beroep tegen deze beslissing.
2.1.
Bij uitspraak van 11 april 2023 vernietigt de rechtbank de beslissing op bezwaar en draagt het college op een nieuw besluit op bezwaar te nemen. [1]
2.2.
Op 4 mei 2023 besluit het college het besluit van 5 oktober 2021 te herroepen door intrekking van het besluit van 4 mei 2021 waardoor de bouwvergunning opnieuw gaat herleven.
2.3.
Op 20 november 2023 stelt het college eiseres via een brief in kennis van het voornemen om de bouwvergunning opnieuw in te trekken en stelt eiseres in de gelegenheid een zienswijze in te dienen.
2.4.
Op 18 december 2023 trekt het college de bouwvergunningen in. Tegen dit besluit gaat eiseres in bezwaar. Ook dient eiseres hangende de bezwaarprocedure tegen het besluit van 18 december 2023 een verzoek om voorlopige voorziening in. De voorzieningenrechter heeft het verzoek in de uitspraak van 9 februari 2024 afgewezen. [2]
2.5.
Met het bestreden besluit van 22 april 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij het besluit gebleven.
2.6.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiseres heeft hangende beroep twee verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft beide verzoeken afgewezen. Zie de uitspraken van 15 mei 2024 en 22 oktober 2024. [3]
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van eiseres, namens het college M.C. Staring en mr. R. Pennekamp.

Beoordeling door de rechtbank

Welk recht is van toepassing?
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (hierna: Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet (hierna: Iw Ow) in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Ow voor een besluit tot intrekking van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.33, tweede lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) of een dergelijk besluit bekendgemaakt is, dan blijft op grond van artikel 4.5, aanhef en onder a, van de Iw Ow het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.
3.1.
Het besluit van het college tot intrekking van de verleende omgevingsvergunning is vóór 1 januari 2024 bekendgemaakt. Dit betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
De feiten
4. De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten. Nadat de omgevingsvergunningen voor fase 1 en fase 2 in 2011 en 2013 waren verleend, kwam eiseres erachter dat er fouten zaten in de door haar aangeleverde documenten, op basis waarvan het college de omgevingsvergunningen had verleend. Om deze fouten te herstellen, heeft eiseres op 10 oktober 2014 documenten aan het college overgelegd, zodat het eerder vergunde bouwplan gewijzigd uitgevoerd zou mogen worden. Eiseres heeft dit verzoek informeel via e-mail ingediend. Het college heeft hier eveneens informeel op gereageerd en laten weten dat de ingediende aanvullingen worden toegevoegd aan de al verleende vergunning voor fase 2.
Aanvang bouwwerkzaamheden
5. Eiseres stelt dat de omgevingsvergunning ten onrechte is ingetrokken, nu een aanvang is gemaakt met de bouwwerkzaamheden. Zij voert aan dat uit rechtspraak blijkt dat niet met alle werkzaamheden gestart hoeft te worden om te kunnen spreken van een aanvang van bouwwerkzaamheden. [4] Fundering [5] , sloop- en bouwwerkzaamheden kunnen hiervoor al voldoende zijn, zolang er gebouwd wordt conform de bouwtekeningen en er een sloopvergunning is verleend. [6] Graafwerkzaamheden kunnen hier eveneens onder vallen, indien dit een noodzakelijke stap is om het bouwwerk op te richten en vergund is. [7] Eiseres stelt dat zij opdracht heeft gegeven voor graafwerkzaamheden, het plaatsen van palen in de grond, funderingsbalken en kalkzandsteenwanden, en dat met deze werkzaamheden is begonnen. Zij stelt bovendien een opdrachtbevestiging te hebben en op korte termijn gebruik te zullen maken van de bouwvergunning. Daarom mag deze volgens haar niet worden ingetrokken. [8]
5.1.
Op grond van artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo kan het college een omgevingsvergunning intrekken indien er gedurende 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. [9] Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (hierna: de Afdeling) is het college niet verplicht om de omgevingsvergunning in te trekken als de 26 weken termijn is verstreken. Het college is hiertoe wel bevoegd. Bij het toepassen van die bevoegdheid komt het college beleidsruimte toe. [10]
5.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat door eiseres niet is gebouwd met gebruikmaking van de omgevingsvergunning. Het college was daarom bevoegd om de vergunning in te trekken. Op 4 mei 2023 heeft het college het besluit tot intrekking van de vergunning herroepen, waardoor deze opnieuw is gaan gelden. Vanaf dat moment is de termijn van 26 weken gaan lopen. Eiseres was zich bewust van de termijn en het risico als daar niet aan zou worden voldaan. Tijdens controles op 7 november 2023 en 19 december 2023 heeft het college vastgesteld dat op het perceel [locatie] geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de bouwvergunning. Het perceel ligt nog steeds braak. De rechtbank overweegt dat, zelfs al zouden er graafwerkzaamheden hebben plaatsgevonden binnen de termijn van 26 weken, dit niet betekent dat eiseres gebruik heeft gemaakt van de bouwvergunning. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt namelijk dat ook het bouwrijp maken van de grond, in dit geval door het verrichten van graafwerkzaamheden, geen handeling is met gebruikmaking van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo. [11] In de uitspraak, [12] waar eiseres naar verwijst, was een ontheffing verleend voor het bouwrijp maken van de bouwlocatie ten behoeve van het bouwplan, omdat dit niet paste binnen de agrarische bestemming. Dat speelt in dit geval niet. Eiseres heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat er een start is gemaakt met bouwwerkzaamheden waarvoor vergunning is verleend. De offertes en documenten die eiseres heeft overgelegd tonen aan dat er contact is geweest met aannemers, maar tonen geen definitieve opdracht tot het verrichten van bouwwerkzaamheden. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling, zijn voorbereidingshandelingen niet aan te merken als bouwactiviteiten waarvoor de vergunning is verleend. [13] Het opvragen van offertes en het sluiten van overeenkomsten vallen daar dus niet onder. Eiseres heeft daarom ook niet aannemelijk gemaakt dat de omgevingsvergunning is benut, dan wel op korte termijn benut zal worden.
Belangenafweging
6. Eiseres stelt dat het college gedurende lange tijd heeft geweigerd de bouwtekeningen, die zij in 2014 als correctie op de verleende omgevingsvergunning had aangeleverd, af te stempelen. Hierdoor zou in de omgevingsvergunning van 4 mei 2023 niet duidelijk zijn welke bouwtekeningen correct zijn. Ondanks toezeggingen van het college dat de tekeningen alsnog afgestempeld zouden worden, zijn deze pas op 3 november 2023 afgestempeld. Pas op dat moment kon de aannemer volgens eiseres beginnen met de bouwwerkzaamheden. Eiseres stelt daarom dat het onredelijk is om de omgevingsvergunning in te trekken. Daarnaast zou het college geen rekening hebben gehouden met de financiële gevolgen voor eiseres.
6.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat bij de beslissing over intrekking van een bouwvergunning alle in aanmerking te nemen belangen moeten worden geïnventariseerd en tegen elkaar afgewogen dienen te worden. [14] Daartoe behoren naast de door het bestuursorgaan gestelde belangen ook de (financiële) belangen van vergunninghouder. Daarbij mag in aanmerking worden genomen of het niet tijdig gebruik maken van de vergunning aan vergunninghouder is toe te rekenen. De enkele omstandigheid dat vergunninghouder niet aannemelijk weet te maken dat de vergunning alsnog binnen korte termijn benut zal worden, is voldoende om de intrekking te rechtvaardigen. [15]
6.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat het college in redelijkheid tot deze belangenafweging heeft kunnen komen. Het college mocht in de afweging betrekken dat het niet tijdig gebruikmaken van de vergunning aan eiseres zelf is toe te rekenen. Eiseres is verantwoordelijk voor de eventuele fouten in de bouwtekeningen die zij bij fase 1 en fase 2 heeft aangeleverd. Dat er onduidelijkheid is ontstaan over welke bouwtekeningen correct zijn, is dan ook niet aan het college toe te rekenen. Verder heeft eiseres geen rechtsmiddelen ingesteld nadat zij in 2014 op informele wijze had verzocht om het vergunde bouwplan gewijzigd uit te mogen voeren. Als eiseres van mening was dat het college een besluit had genomen op haar wijzigingsverzoek, had zij daartegen bezwaar kunnen maken als zij het besluit onvoldoende duidelijk vond. Als zij van mening was dat er geen besluit was genomen, had zij het college in gebreke kunnen stellen. Anders dan eiseres stelt, is ook niet gebleken dat het college heeft erkend dat eiseres pas na het verstrijken van de termijn van 26 weken aannemers kon benaderen om de bouw op te starten (nog daargelaten dat niet is gebleken dat is gestart met bouwen). Uit de overgelegde correspondentie blijkt juist dat de gemeente de waarmerking van de tekeningen niet nodig achtte, maar desondanks bereid was daarin te voorzien. Wet- en regelgeving noch rechtspraak bieden een grondslag voor de noodzaak om bouwtekeningen af te stempelen. Eiseres heeft daarnaast niet onderbouwd dat de financiële gevolgen van het intrekken van de vergunning zodanig groot zijn dat dit tot een onevenredig besluit zou leiden.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college in redelijkheid kon besluiten tot intrekking van de omgevingsvergunning. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid
van mr. J. van Oosterhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de procedure met zaaknummer ARN 21/5216, niet gepubliceerd.
2.Zie de procedure met zaaknummer ARN 24/58, niet gepubliceerd.
3.Zie de procedures met zaaknummers ARN 24/5321 en ARN 24/2929, niet gepubliceerd.
9.In artikel 2.33, lid 2, onder a van de Wabo staat dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk kan intrekken voor zover gedurende drie jaar, dan wel indien de vergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in art. 2.1, eerste lid, onder a onderscheidenlijk b of g van de Wabo, gedurende 26 weken onderscheidenlijk de in de vergunning bepaalde termijn, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. Hier is sprake van een omgevingsvergunning als bedoeld in art. 2.1, eerste lid, onder a van de Wabo.
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3642.