ECLI:NL:RVS:2018:3205
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- F.D. van Heijningen
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking omgevingsvergunning wegens niet tijdig gebruik
Bij besluit van 24 januari 2017 heeft het college de omgevingsvergunning van 20 augustus 2002 voor het verbouwen van een woonhuis met garage/berging ingetrokken wegens het niet binnen 52 weken starten van de werkzaamheden. De vergunninghouder, appellante, maakte bezwaar en stelde dat zij wel werkzaamheden had verricht en dat de intrekking onredelijk was vanwege haar belangen en onduidelijkheid over bewoning.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dit oordeel. De Afdeling overwoog dat de werkzaamheden die appellante aanvoerde niet onder de verleende vergunning vielen en dat onvoldoende aannemelijk was dat zij binnen korte termijn zou starten met de vergunde bouwwerkzaamheden.
De Afdeling benadrukte dat bij intrekking van een omgevingsvergunning alle belangen moeten worden afgewogen, waarbij het niet tijdig gebruik maken van de vergunning aan de vergunninghouder kan worden toegerekend. De belangen van het college bij actualisering van het vergunningenbestand en het niet tijdig gebruik van de vergunning wogen zwaarder dan de belangen van appellante.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de omgevingsvergunning wordt bevestigd omdat de werkzaamheden niet binnen de gestelde termijn zijn gestart en geen aannemelijk zicht bestaat op spoedige aanvang.