Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
[gedaagde 2],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 29 september 2021
- de conclusie van antwoord in reconventie
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 april 2022.
2.De feiten
,dat budgethouders één vaste begeleider hebben gehad en niet meerdere begeleiders gelijktijdig. In geval van ziekte of vakantie was er wel sprake van een schaduwbegeleider. U hebt aangegeven dat u eerst [naam 2] en daarna [naam 3] als begeleider hebt gehad.
,dat u en andere budgethouders één vaste begeleider hebben gehad en niet meerdere begeleiders gelijktijdig. Uw vaste begeleider over de periode van 1 juni 2013 tot en met 31 december 2014 was [begeleider 2] .
3.Het geschil
in conventie
4.De beoordeling
in conventie
[gedaagde 2] heeft nog aangevoerd dat daarmee een bedrag van € 47.315,70 aan na de declaratiestop gedeclareerde maar niet betaalde zorg verrekend dient te worden. De rechtbank verwerpt dit verweer. Nog daargelaten dat een mogelijke tegenvordering in deze procedure niet eenvoudig is vast te stellen, treft het verweer hooguit doel tegenover De Zorgdrager van wie de onbetaald gelaten declaraties afkomstig zijn en niet tegenover [gedaagde 2] .
De hoogte van het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is niet in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het (genoemde) Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Hoewel niet direct van toepassing, geldt dat deze tarieven geacht worden redelijk te zijn. Op basis van deze tarieven wordt een bedrag van € 2.923,46 inclusief btw toegewezen.
3.540,00(2,0 punten × tarief € 1.770,00)