ECLI:NL:RBGEL:2022:3227

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 juni 2022
Publicatiedatum
24 juni 2022
Zaaknummer
AWB20_1970, AWB20_5398, AWB21_1637,AWB21_4814
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.5 Wmo 2015Art. 7:1a AwbArt. 8:72 AwbArt. 3 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning plus-begeleiding aan cliënten met autisme binnen Wmo 2015

De rechtbank Gelderland behandelde 34 Wmo-zaken van 16 eisers met psychische aandoeningen binnen het autistisch spectrum, begeleid door Autimaat B.V. Eisers vorderden plus-begeleiding in plaats van de reguliere begeleiding toegekend door de gemeente Doetinchem. De rechtbank oordeelde dat in de zaken met rechtstreeks beroep de beroepen niet-ontvankelijk waren, maar in andere zaken ontvankelijk vanwege tijdige proceskostenverzoeken.

De kern van het geschil betrof de vraag of eisers recht hadden op plus-begeleiding, waarvoor de gemeente voorwaarden stelde via het Afwegingskader. Een deskundigenrapport van Van der Meer concludeerde dat eisers voldeden aan criteria voor plus-begeleiding, waaronder forse psychiatrie en gedragsproblemen. De gemeente had dit rapport onvoldoende gevolgd en had ten onrechte de reguliere begeleiding gehandhaafd.

De rechtbank stelde vast dat de gemeente de deskundige niet adequaat had bevraagd en daarom uit moest gaan van het rapport. Gezien de problematiek van eisers en de noodzaak van extra communicatie en specialistische begeleiding, had de gemeente plus-begeleiding moeten toekennen. De rechtbank vernietigde de bestreden besluiten voor zover proceskosten niet waren vergoed en kende deze kosten toe. Tevens werd een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij de overschrijding deels aan de gemeente en deels aan de Staat werd toegerekend.

De rechtbank wees verzoeken om schadevergoeding op grond van eerdere EHRM-arresten af, omdat eisers feitelijk de plus-begeleiding ontvingen en geen schade hadden geleden. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige toepassing van het Afwegingskader en het belang van tijdige en adequate besluitvorming binnen de Wmo 2015.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de besluiten voor zover proceskosten niet zijn vergoed, kent proceskosten en een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, en oordeelt dat plus-begeleiding had moeten worden toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 20/1970, 20/5398, 21/1637, 21/4814

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. I.C. Dunhof-Lampe),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem, verweerder
(gemachtigden: mr. M.E. de Kuijper en mr. R.H. Vossebeld),
alsmede
De Staat der Nederlanden(de minister van Justitie en Veiligheid), derde-partij.

Procesverloop

ARN 20/1970
In het besluit van 11 januari 2018 (primair besluit I) heeft verweerder aan eiser op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een maatwerkvoorziening verleend voor Wonen Beschut Ambulant en voor Begeleiding individueel – ontwikkelen en coachen bij voor 4 uur per week over de periode van 1 december 2017 tot 1 december 2018 in de vorm van ondersteuning in natura (ZIN) door Autimaat B.V. ( Autimaat ). Over de periode van 1 december 2017 tot en met 31 mei 2018 heeft verweerder aan eiser ook Begeleiding groep – ontwikkelen en coachen bij voor 4 dagdelen per week toegekend, in de vorm van ZIN door Autimaat .
In het besluit van 13 maart 2018 heeft verweerder aan eiser op grond van de Wmo 2015 over de periode van 15 januari 2018 tot en met 14 april 2018 een maatwerkvoorziening verleend voor Begeleiding Individueel – ontwikkelen plus voor 3 uur per week in de vorm van ZIN door Autimaat . Hier is geen bezwaar tegen gemaakt.
Bij besluit van 12 juni 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primair besluit I gedeeltelijk gegrond verklaard en beslist dat, naast de indicatie Wonen Beschut Ambulant, de indicatie voor Begeleiding individueel – ontwikkelen en coachen bij met ingang van 15 april 2018 wordt verhoogd naar 7 uur per week en de indicatie voor Begeleiding groep – ontwikkelen en coachen bij wordt verhoogd naar 5 dagdelen per week en wordt verlengd tot en met 30 november 2018 in de vorm van ZIN door Autimaat .
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 12 april 2019 heeft de rechtbank het beroep, geregistreerd onder zaaknummer 18/3895, gegrond verklaard, het besluit van 12 juni 2018 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. [1]
In het besluit van 22 januari 2019 (primair besluit II) heeft verweerder aan eiser op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening verleend voor Wonen Beschut Ambulant en voor Begeleiding individueel – ontwikkelen en coachen bij voor 270 minuten (4,5 uur) per week en voor Begeleiding groep, ontwikkelen en coachen bij voor 8 dagdelen per week over de periode van 11 december 2018 tot en met 31 januari 2020 in de vorm van ZIN door Autimaat .
Eiser heeft tegen dit primair besluit II bezwaar gemaakt.
In het besluit van 27 februari 2019 heeft verweerder aan eiser op grond van de Wmo 2015 3 uren extra Begeleiding individueel – ontwikkelen en coachen bij in de vorm van ZIN door Autimaat toegekend over de maand februari. Eiser heeft hier geen bezwaar tegen gemaakt.
In het besluit van 24 juni 2019 heeft verweerder de maatwerkvoorziening Begeleiding groep vanaf 16 mei 2019 beëindigd. Eiser heeft hier geen bezwaar tegen gemaakt.
In het besluit van 27 februari 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit I en II ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer ARN 20/1970.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
ARN 20/5398
In het besluit van 19 maart 2020 (primair besluit) heeft verweerder aan eiser op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening verleend voor Wonen Beschut Ambulant voor 28 etmalen per vier weken en voor Begeleiding individueel – ontwikkelen en coachen bij voor 4 uur per week over de periode van 1 april 2020 tot en met 9 augustus 2021 door Autimaat in de vorm van ZIN en voor Begeleiding Groep – ontwikkelen en coachen bij voor 3 dagdelen per week over de periode van 10 februari 2020 tot en met 9 augustus 2021 door Sa-Net Wonen B.V. in de vorm van ZIN.
In het besluit van 1 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primair besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer ARN 20/5398.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
ARN 21/1637
In het besluit van 12 januari 2021 (primair besluit) heeft verweerder aan eiser op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening verleend voor Begeleiding individueel – ontwikkelen en coachen bij voor 2 uur per week over de periode van 1 januari 2021 tot en met 9 augustus 2021 in de vorm van ZIN door Sa-Net Wonen B.V.
Eiser heeft tegen het primair besluit bezwaar gemaakt. Hierbij is verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep zoals bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft met dit verzoek ingestemd en heeft het bezwaarschrift doorgezonden naar de rechtbank om als beroepschrift verder te behandelen. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer ARN 21/1637.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
ARN 21/4814
In het besluit van 18 augustus 2021 (primair besluit) heeft verweerder aan eiser op grond van de Wmo 2015 over de periode van 10 augustus 2021 tot en met 9 februari 2022 een maatwerkvoorziening verleend voor Begeleiding individueel – ontwikkelen en coachen bij voor 4 uur per week in de vorm van ZIN door Sa-Net Wonen B.V. , voor Wonen Beschut Ambulant en voor Begeleiding individueel – ontwikkelen en coachen bij voor 4 uur per week in de vorm van ZIN door Autimaat .
Eiser heeft tegen het primair besluit bezwaar gemaakt. Hierbij is verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep zoals bedoeld in artikel 7:1a van de Awb. Verweerder heeft met dit verzoek ingestemd en heeft het bezwaarschrift doorgezonden naar de rechtbank om als beroepschrift verder te behandelen. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer ARN 21/4814.
Ten aanzien van alle zaken
De rechtbank heeft de zaken 20/1970, 20/5398 en 21/1637 besproken op de comparitie van 28 april 2021, samen met andere beroepen. [2] Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en mr. C. Ebbers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E. de Kuijper, mr. R.H. Vossebeld en Wmo-consulent C.W. Lammers.
Het onderzoek is geschorst zodat verweerder een deskundigenrapport kon laten uitbrengen.
Het deskundigenrapport, opgemaakt door N. van der Meer, orthopedagoog-generalist en gezondheidszorgpsycholoog, is door de rechtbank ontvangen op 27 oktober 2021.
Partijen hebben nadere reacties ingebracht en gekeken naar de mogelijkheid van een schikking. Verweerder heeft bij, door de rechtbank ontvangen, brief van 22 december 2021 laten weten besloten te hebben om niet te schikken.
Op 19 januari 2022 heeft de rechtbank partijen nadere vragen gesteld. Hierna zijn door partijen en door deskundige Van der Meer reacties ingebracht.
Eiser heeft in de zaak 20/5398 (primair) een verzoek om schadevergoeding ingediend van
€ 5.000,-. Subsidiair is op de zitting een verzoek gedaan om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn. In de zaak 20/1970 is dit verzoek schriftelijk gedaan.
De Staat der Nederlanden heeft afgezien van het voeren van verweer (Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 20210).
De rechtbank heeft de beroepen verder behandeld op de zittingen van 11 en 12 mei 2022, samen met andere beroepen. [3] Op de zitting van 11 mei 2022 is eiser vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en mr. C. Ebbers. Tevens is verschenen F. de Bruin, directeur van Autimaat . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Tevens is verschenen L. Wensing, beleidsmedewerker van verweerder.
Op de zitting van 12 mei 2002 is eiser vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en mr. C. Ebbers. Tevens is verschenen F. de Bruin, directeur van Autimaat en [naam] , begeleidster van eiser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Tevens is verschenen M. Droppert, Wmo-consulent Beschermd Wonen bij verweerder en R.P.J. Hengeveld.

Overwegingen

Feiten
1.1.
Eiser heeft een gedragsstoornis niet anders omschreven (NAO) en een persoonlijkheidsstoornis NAO. Eiser ontvangt begeleiding van Autimaat .
1.2.
Door Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) is aan eiser over de periode van 2 juli 2013 tot 1 juli 2015 een indicatie afgegeven ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor beschermd wonen met intensieve begeleiding, klasse 7 (9,5 tot 12 uur per week) in de vorm van Zorg in natura (ZIN). Deze indicatie is verlengd tot en met 30 november 2015. Van 1 december 2015 tot en met 30 november 2017 is aan eiser op grond van de Wmo 2015 een indicatie toegekend voor Beschermd Wonen 3C, intensieve begeleiding, inclusief dagbesteding, in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). In het kader van een herindicatie heeft eiser een begeleidingsplan aan verweerder doen toekomen en heeft op 10 november 2017 een keukentafelgesprek plaatsgevonden tussen eiser, zijn begeleidster van Autimaat , E.J. van Rhijn van Autimaat en de consulent van verweerder. Op dit gespreksverslag is namens eiser door Autimaat een reactie gegeven. Hierna is het onder 20/1970 genoemde primaire besluit I genomen. De begeleidster van eiser bij Autimaat heeft namens eiser op 16 januari 2018 een aanvraag ingediend voor extra begeleiding gedurende 6 tot 8 weken om eiser te helpen bij het stoppen met blowen en bij het verbeteren van zijn dag- en nachtritme. Op grond hiervan heeft verweerder bij besluit van 13 maart 2018 over de periode van 15 januari 2018 tot en met 14 april 2018 een maatwerkvoorziening verleend voor Begeleiding Individueel – ontwikkelen plus voor 3 uur per week in de vorm van ondersteuning in natura. Hierna is de besluitvorming en verdere procedure gevolgd zoals vermeld onder het procesverloop onder 20/1970.1.3. In verband met de aflopende indicatie heeft eiser zich bij verweerder gemeld. Bij brief van 5 december 2019 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat het verweerder niet lukt om voor het aflopen van de indicatie een nieuw besluit te nemen. Daarom heeft verweerder de op dat moment lopende indicaties van Wonen beschut ambulant en Begeleiding individueel-ontwikkelen tijdelijk verlengd tot en met 31 maart 2020. Op grond van het keukentafelgesprek dat op 7 februari 2020 heeft plaatsgevonden tussen eiser en zijn begeleider en een consulent van verweerder en het gesprek dat de consulent van verweerder heeft gehad met een medewerker van Werkraat is het primaire besluit onder 20/5398 genomen.
1.4.
In verband met een herindicatie heeft eiser een begeleidingsplan aan verweerder doen toekomen en er heeft op 7 februari 2020 een keukentafel gesprek plaatsgevonden tussen eiser, zijn begeleidsters en een consulent van verweerder. Hierna heeft verweerder het primaire besluit genomen zoals vermeld onder het procesverloop onder 21/1637.
1.5.
Bij het primair besluit vermeld onder 21/4814 heeft verweerder de indicatie tijdelijk administratief verlengd, onder meer omdat verweerder denkt dat eiser in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz).
Standpunt verweerder
2. Verweerder heeft bij de bestreden besluiten de toegekende maatwerkvoorzieningen gehandhaafd. Verweerder heeft dat, naast artikelen van de Wmo 2015, gebaseerd op de artikelen 8 en 11 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Doetinchem 2020 (Verordening 2020) en de artikelen 2 en 5 van de Beleidsregels Beschermd Wonen gemeente Doetinchem 2020 (Beleidsregels Beschermd Wonen 2020). Verweerder heeft de toegekende maatwerkvoorzieningen passend geacht voor eiser.
Ontvankelijkheid van de beroepen
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat het vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is dat er eerst sprake is van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Daarbij geldt dat in beginsel geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een reeds verstreken periode, tenzij aannemelijk is dat schade is geleden dan wel een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Als gesteld wordt dat schade is geleden kan geoordeeld worden dat procesbelang aanwezig is als de stelling dat schade is geleden niet op voorhand onaannemelijk is. [4] Het procesbelang kan ook gedurende de beroepsprocedure komen te vervallen. [5]
Een procesbelang bestaat tevens als er in bezwaar gevraagd is om een vergoeding van de proceskosten. [6]
3.2.
In de zaken 21/1637 en 21/4814 is er wel in het aanvullend bezwaarschrift gevraagd om een vergoeding van de proceskosten, maar heeft verweerder ingestemd met het verzoek van eiser om in te stemmen met rechtstreeks beroep en het bezwaarschrift door te zenden aan de rechtbank. Dat betekent dat de bezwaarschriften worden behandeld als beroepschriften en dat er geen sprake is van proceskosten in bezwaar. Voor alle zaken geldt ook dat de indicatieperiodes reeds verstreken zijn. Zorg in natura kan niet met terugwerkende kracht worden verleend. Evenmin kan een inhoudelijk oordeel over de bestreden besluiten van belang zijn voor een toekomstige periode. Op de zitting van 12 mei 2022 heeft de gemachtigde van verweerder namelijk toegelicht dat inmiddels een besluit op bezwaar is genomen waarbij helemaal plus-begeleiding is toegekend. Als eiser na die indicatieperiode een nieuwe melding doet, zal verweerder een nieuwe beoordeling moeten verrichten op basis van de dan aan de orde zijnde situatie en met inachtneming van de op dat moment geldende regelgeving.
3.3.
Eiser voert in de zaak 20/5398 aan, met een beroep op de uitspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) in de zaak Ronald Vermeulen/België van 17 juli 2018, [7] een beroep op de uitspraak van het EHRM in de zaak Frezadou/Griekenland van 8 november 2018 [8] en de noot van D.J.G. Sanderink, [9] dat het niet voldoende is dat de rechtbank het beroep niet niet-ontvankelijk verklaard, maar ook dat het moet waarborgen dat eiser de uitspraak kan verkrijgen op een moment waarop deze nog nuttige werking kan hebben. Nu in deze zaak het beroep van eiser niet met de meeste spoed is behandeld en de rechtbank niet voor afloop van de periode waarop het indicatiebesluit betrekking heeft, een einduitspraak heeft gedaan, is sprake van een schending van het door artikel 6 van Pro het EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. De uitspraak van de rechtbank kan nu namelijk niet meer bewerkstelligen dat eiser in de periode waar het om gaat ondersteuning verkrijgt overeenkomstig een andere, betere indicatie, namelijk plus-begeleiding. Eiser verzoekt daarom in deze zaak, net als in de zaak van Vermeulen/België is toegekend, om een schadevergoeding van € 5.000,-.
3.4.
De rechtbank overweegt dat namens eiser in de gronden van beroep en tijdens de comparitie is toegelicht dat hij in de praktijk van Autimaat de plus-begeleiding heeft ontvangen en dat dat niet bij hem in rekening is gebracht noch gaat worden. Dit betekent dat eiser heeft gekregen wat hij met zijn beroepen wil bereiken, namelijk toekenning van de plus-begeleiding. In die zin is er dus geen schade geleden door eiser en is er op die grond geen procesbelang. Dit is daarom een andere situatie als de situatie in de zaak Ronald Vermeulen/België en in de zaak Frezadou/Griekenland. In de zaak Ronald Vermeulen/België had Vermeulen verzocht om vernietiging van het besluit waarbij was bepaald dat hij gezakt was voor zijn toelatingsexamen voor het Belgische ambtenarenapparaat. De Belgische Raad van State had het beroep van Vermeulen niet-ontvankelijk verklaard wegens het verloren gaan van zijn procesbelang omdat de resultaten van de overige kandidaten definitief waren geworden (en de geldigheidsduur van de reservelijst was verstreken). Bovendien woog het EHRM in deze zaak mee dat de Belgische Raad van State zich op geen enkel moment had afgevraagd wat de oorzaak van het verlies van procesbelang van Vermeulen was en welke invloed de duur van de procedure in dit opzicht gehad kon hebben. Dat speelt in de onderhavige zaak 20/5398 niet; er is wel procesbelang gelet op wat hierna onder 3.5 wordt overwogen. In de zaak Frezadou/Griekenland was Frezadou benoemd tot onderwijscoördinator tot het moment waarop de volgende selectieprocedure met succes was afgerond. Voor de volgende sollicitatieoproep had Frezadou een aanvraag ingediend, maar in de besluiten tot benoeming van de geselecteerde kandidaten was Frezadou niet opgenomen. Het betrof een benoeming voor een periode van twee jaar. Frezadou heeft hierop een verzoek tot nietigverklaring van de besluiten ingediend bij de administratieve rechtbank van Athene. Frezadou heeft herhaaldelijk verzocht om bespoediging van de zitting, maar vanwege herhaaldelijk uitstel van de zitting (te wijten aan het bestuursorgaan en niet aan Frezadou) was inmiddels de periode waarbinnen hij feitelijk nog had kunnen worden benoemd, verstreken. Het Administratief Hof van Beroep van Athene heeft toen geoordeeld dat er geen uitspraak gedaan hoefde te worden, omdat de benoemingsbesluiten niet langer van kracht waren. In die zaak woog het EHRM mee dat het verzoek tot nietigverklaring zelfs op de zitting niet ten gronde was onderzocht. De reden daarvoor was dat in de wet was bepaald dat in het geval er geen belang meer was bij een oordeel van de rechtbank dit ook niet gegeven hoefde te worden. Ook daar is in de onderhavige zaak 20/5398 geen sprake van.
Dat eiser spanning en stress ervaart omdat er nog geen definitieve uitspraak is gedaan en daarom verzoekt om schadevergoeding zal meegewogen en beoordeeld worden in het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Het beroep op deze arresten slaagt dan ook niet en het verzoek om schadevergoeding van
€ 5.000,- in de zaak 20/5398 zal worden afgewezen.
3.5.
Gelet op het voorgaande heeft eiser in de zaken 21/1637 en 21/4814 geen procesbelang bij een beoordelen van de bestreden besluiten. Het beroep in deze zaken is dan ook niet-ontvankelijk. In de zaken 20/1970 en 20/5398 heeft de (toenmalige) gemachtigde van eiser in bezwaar tijdig gevraagd om een vergoeding van de proceskosten. De rechtbank beoordeelt daarom alleen deze beroepen, omdat in die zaken een procesbelang bij beoordeling van de bestreden besluiten gelegen is in de gevraagde proceskosten van bezwaar. De beroepen in deze zaken zijn ontvankelijk.
Beroepsgronden eiser in de zaken 20/1970 en 20/5398
4.1.
Eiser heeft in de zaak 20/1970 aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden, dat het door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) uiteengezette stappenplan niet is gevolgd en dat het bestreden besluit op een onjuiste wettelijke grondslag berust, omdat in plaats van de Verordening 2020 de Verordening 2019 toegepast had moeten worden. Op de zitting van 11 mei 2022 heeft eiser deze laatste beroepsgrond ingetrokken. In de zaak 20/5398 is nog aangevoerd dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat verweerder geen deskundige heeft ingeschakeld. Verder heeft eiser in beide zaken beroepsgronden aangevoerd over het buiten toepassing laten van de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Doetinchem 2020 (Beleidsregels Wmo 2020) en over het niet passend zijn van de toegekende maatwerkvoorzieningen Begeleiding individueel en Begeleiding groep, omdat verweerder Begeleiding individueel - ontwikkelen plus en Begeleiding Groep – ontwikkelen plus had moeten toekennen. Dit laatste is waar het in deze zaken in de kern om gaat. Partijen hebben de rechtbank verzocht om zelf in de zaak te voorzien en niet weer verweerder op te dragen een nieuw besluit te nemen. Gelet op het voorgaande, het belang van eiser en de duur van de procedure zal de rechtbank de laatstgenoemde beroepsgrond als eerste beoordelen.
4.2.
Eiser voert aan dat de door verweerder toegekende maatwerkvoorzieningen Begeleiding individueel – ontwikkelen en coachen bij en Begeleiding groep, ontwikkelen en coachen bij geen passende bijdrage zijn als bedoeld in artikel 2.3.5., derde lid, van de Wmo 2015. In plaats van deze maatwerkvoorzieningen had er Begeleiding individueel – ontwikkelen plus en Begeleiding groep – ontwikkelen plus moeten worden toegekend, ook volgens de omschrijving van de plusvariant in het Inkoopdocument waar de Beleidsregels Wmo 2020 naar verwijzen en volgens het Afwegingskader wonen beschut ambulant en plus product (Afwegingskader). [10] Eiser voldoet daaraan. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser een rapport ingebracht van psychiater G.J. van Gelderen en GZ-psycholoog R. Rahael van Autimaat van 3 juni 2020 en van [naam] , autismedeskundige bij Autimaat , tevens persoonlijk begeleider van eiser van 17 juni 2020. In de zaak 20/1970 heeft eiser nog gewezen op de situatieschets van M. Nagtaal, autismedeskundige en M. Barendregt Gz-psycholoog i.o. van december 2018 en op het e-mailbericht van [naam] van 21 april 2020. Verder heeft eiser in beide zaken gewezen op het deskundigenrapport van Van der Meer dat dit standpunt ook ondersteunt en op de door de begeleidster [naam] op de zitting van 12 mei 2022 gedane toelichting.
4.3.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de omschrijving in het Inkoopdocument waar de Beleidsregels Wmo 2020 naar verwijzen en in het Afwegingskader en daarom Begeleiding individueel ontwikkelen plus niet passend is. In de zaak 20/1970 is in de aanvullende informatie in het rapport Beschermd Wonen aangegeven dat de reden hiervoor is dat er geen informatie is die er op wijst dat sprake is van zodanig complexe problematiek of extra inzet dat plus nodig is. In de zaak 20/5398 heeft verweerder aangegeven dat er geen sprake is van constant onvoorspelbaar gedrag, een reële kans op agressief gedrag, forse psychiatrie, dat er geen zorgen zijn over de veiligheid van eiser, geen gedragsproblemen en dat ook niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat er voor de begeleiding een noodzaak is om samenwerking met ketenpartners te zoeken en expertise over de problematiek van eiser in te roepen. Daarnaast heeft verweerder nog overwogen dat eiser niet aan de voorwaarden voor de plusvariant voldoet, omdat de gemachtigde van eiser op de hoorzitting in bezwaar heeft gesteld dat eiser niet of onvoldoende bereid is zijn situatie aan te pakken. In beide zaken heeft verweerder aangegeven dat er voorafgaand aan het bezwaar nooit aangegeven dat plus zou moeten worden toegekend. Er is juist tijdens het keukentafelgesprek gezamenlijk vastgesteld welke begeleiding eiser het beste kon helpen.
4.3.2.
Ook na het rapport van Van der Meer heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd.
Verweerder heeft kritiek geuit op de door Van der Meer gegeven antwoorden. Volgens verweerder heeft Van der Meer naar de criteria die in het Afwegingskader zijn opgenomen over toekenning van de plusvariant toegeschreven met wat zij schrijft over dat er sprake zou zijn van onvoorspelbaar gedrag, van een hardnekkig patroon en dat er een noodzaak is voor specialistische begeleiding. De vaardigheden die genoemd zijn door Van der Meer zijn basisvaardigheden waarover de hulpverlener moet beschikken, geen specifieke opleidingseisen. Ook heeft Van der Meer geen concreet antwoord kunnen geven op vraag 3a. over wat de omvang en frequentie van de ondersteuning moet zijn. Weliswaar is dit nog toegelicht in de e-mail van 27 januari 2022, maar dit is, aldus verweerder, een algemeen antwoord en niet onderbouwd op individueel niveau. Tot slot staat in het antwoord op de vraag of er een noodzaak is voor de begeleiding om samenwerking te zoeken met derden om expertise in te roepen over de problematiek van deze cliënt om hem zo goed te kunnen begeleiden dat eiser twee keer per week PMT krijgt, maar die PMT is pas ingezet vanaf 1 januari 2021.
4.4.
De rechtbank laat in het midden welke Beleidsregels (van welk jaar) van toepassing zijn. Verweerder heeft namelijk aangegeven dat ondanks het wijzigen van de tekst in de verschillende jaren inhoudelijk geen wijziging is beoogd. Ook heeft verweerder toegelicht dat het Afwegingskader een vaste gedragslijn betreft die al jaren wordt toegepast om te beoordelen of een Plus-product moet worden toegekend. De rechtbank zal dan ook, aan de hand van dit Afwegingskader, beoordelen of verweerder terecht geen Plus-product heeft toegekend.
4.5.
Hierbij is van belang dat de rechtbank op de comparitie heeft geoordeeld dat verweerder, gelet op de problematiek van eiser, een externe deskundige had moeten inschakelen om te kunnen beoordelen of een Plus-product toegekend had moeten worden. Verweerder heeft dit, in overleg met de gemachtigde van eiser en de rechtbank, gedaan waarna Van der Meer een deskundigenrapport heeft uitgebracht. Van der Meer heeft geconcludeerd dat bij eiser, ook in de periode van de onderhavige indicaties, sprake is van forse psychiatrie met comorbiditeit die in het verleden onder andere leidde tot agressie (verbaal en fysiek), van onvoorspelbaar gedrag, van zorg mijden en hardnekkige patronen als gevolg waarvan zijn veiligheid op momenten in het geding komt. Ook zijn er gedragsproblemen. Het gedrag heeft volgens Van der Meer invloed op het echt voor zichzelf kunnen zorgen, het tot actie kunnen komen, het aangaan en onderhouden van positieve sociale contacten, op het omgaan met financiën en administratie, het dag- en nachtritme, en op het invullen van de dag en op het toekomstperspectief. Het gedrag belemmert de zelfredzaamheid en participatie ernstig. Eiser wil zijn situatie wel aanpakken maar kan dat vaak niet. Op de vraag of er een noodzaak voor de begeleiding is om samenwerking te zoeken met derden om expertise in te roepen over de problematiek van eiser om hem zo goed te kunnen begeleiden, heeft Van der Meer aangegeven dat eiser twee keer per week PMT krijgt waarbij afstemming met begeleiding noodzakelijk is. Deze helpt hem, net als de begeleiding, bij het zoeken naar een gezondere leefstijl. Verder rookt eiser ongeveer een gram wiet per dag wat hij wil verminderen. Begeleiding helpt hem hier reëler naar te kijken. Eiser is op zoek naar passend werk; dat traject wordt door de begeleiding opgepakt en vraagt de nodige samenwerking en afstemming met het Uwv, Iriszorg in de buurt en Ikos (PMT).
Verder heeft Van der Meer aangegeven dat de begeleiding van eiser complex is en vraagt om plus-begeleiding. Begeleiders moeten direct kunnen schakelen als dat nodig is.
Specifiek over de periode van 1 december 2017 tot en met 30 november 2018 heeft Van der Meer nog aangegeven dat eiser tijdens deze periode dagbesteding heeft bij een ijzersmederij waar hij tot zijn recht lijkt te komen. Over de periode van 11 december 2018 tot en met 31 januari 2020 heeft Van der Meer nog aangegeven dat de samenwerking met de ijzersmederij is gestopt, eiser moeilijk in de actie komt en geen daginvulling heeft. Hij blowt dagelijks veel en krijgt veel negatieve gedachten over zichzelf en het verleden. In overleg met de GZ-psycholoog is het idee om een tijdlijn te maken van zijn leven, samen met de begeleiding. Dit geeft eiser meer inzicht en begrip richting zichzelf en de keuzes die hij heeft gemaakt.
4.6.
De rechtbank stelt voorop dat, als verweerder een deskundige inschakelt, hij zich er van moet vergewissen of het door de deskundige opgestelde rapport zorgvuldig tot stand is gekomen en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Nu verweerder daar vraagtekens bij zet, had het op zijn weg gelegen om de deskundige nader te bevragen of een andere deskundige in te schakelen. Dat heeft verweerder, na de nadere reactie van Van der Meer in het e-mailbericht van 27 januari 2022, niet gedaan. Daarom dient dan ook uit te worden gegaan van de juistheid van het rapport van Van der Meer en haar nadere reactie. Aan de hand daarvan zal de rechtbank beoordelen of verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat niet aan de voorwaarden voor toekenning van de plus-variant zoals vermeld in het Afwegingskader wordt voldaan.
4.7.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft Van der Meer voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat bij eiser in de periodes waar het hier om gaat sprake was van forse psychiatrie. Eiser heeft een persoonlijkheidsstoornis NAO en een gedragsstoornis. Daarmee is sprake van een dubbele diagnose en is voldaan aan de voorwaarde in het Afwegingskader genoemd onder 1c. Van der Meer heeft ook voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat bij eiser in de periodes waar het hier om gaan sprake was van gedragsproblemen, zowel externaliserend als internaliserend. Daarbij is van belang dat het Afwegingskader slechts een voorbeeld geeft, zoals door de gemachtigde van verweerder op de zitting van 12 mei 2022 ook is toegelicht aan de hand van het voorbeeld bij de invloed die het gedrag moet hebben op (bijna) alle leefgebieden. Verder heeft van der Meer voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat in de periodes waar het hier om gaat eiser bereid was om zijn situatie aan te pakken.
De omvang en frequentie van de ondersteuning zijn niet in geschil.
Volgens verweerder is verder niet voldaan aan de voorwaarde in het Afwegingskader onder 4. namelijk dat er een noodzaak moet zijn voor de begeleiding om samenwerking te zoeken met ketenpartners en expertise in te kunnen roepen over de problematiek van cliënt. Uit het rapport van Van der Meer kan de rechtbank inderdaad niet afleiden dat aan deze voorwaarde is voldaan. Dat begeleiding contact heeft met de door Van der Meer genoemde ketenpartners, maakt niet dat aan die voorwaarde is voldaan. Daarbij is van belang dat het Afwegingskader aangeeft dat de contacten van de begeleiding met derden gericht op het meegaan naar afspraken en het leren toepassen van het geleerde in de praktijk, niet onder plus-begeleiding vallen. Het moet namelijk gaan om een contact dat noodzakelijk is om expertise in te roepen over de problematiek van eiser om hem goed te kunnen begeleiden. Dat volgt niet uit het rapport, noch uit de overige gedingstukken en ook niet uit de door de begeleidster van eiser op de zitting van 12 mei 2022 gegeven toelichting.
4.8.
Verweerder heeft echter op de comparitie en op de zitting van 13 mei 2022 ook een verhuizing als voorbeeld genoemd op grond waarvan tijdelijk plus-begeleiding kan worden toegekend en aangegeven dat dit ook in voorkomende gevallen is gebeurd. Verder heeft verweerder in een andere zaak plus-begeleiding toegekend, omdat er (onder meer) in verband met de contacten met Laborijn en vrijwilligerswerk extra inspanning op het gebied van communicatie door de begeleiding nodig was. [11] In weer een andere zaak heeft verweerder op grond van onder meer een door verweerder ingewonnen advies van een psycholoog die had overwogen dat specialistische kennis en begeleiding noodzakelijk was en extra investering in motivering en communicatie gelet op de complexe psychische problematiek van die cliënt, plus-begeleiding toegekend. [12] De rechtbank ziet niet in hoe de hier genoemde voorbeelden vallen onder de in het Afwegingskader genoemde voorwaarde dat er noodzaak is voor de begeleiding om samenwerking te zoeken met ketenpartners en expertise in te kunnen roepen over problematiek van de cliënt om die zo goed te kunnen begeleiden. Klaarblijkelijk kent verweerder dus ook, buiten het Afwegingskader om, ten gunste van een cliënt plus-begeleiding toe als er extra inspanning op het gebied van communicatie door de begeleiding nodig is. Dat wordt ondersteund door de toelichting van (de consulent van) verweerder op de zittingen van 12 en 13 mei 2022 dat het bij ketenpartners gaat om externe instanties, waaronder de politie. Ook van de politie kan immers niet gezegd worden dat het contact dat de begeleiding daarmee heeft, is gegeven vanuit een noodzaak om expertise in te roepen over de problematiek van de cliënt om de cliënt goed te kunnen begeleiden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Van der Meer in haar rapport, en ook de begeleidster van eiser op de zitting van 13 mei 2022, voldoende toegelicht dat die extra inspanning op het gebied van communicatie in het geval van eiser ook nodig is, gelet op zijn problematiek, de invloed die die problematiek heeft op (vrijwel) alle essentiële levensgebieden en de ernstige mate waarin die problematiek de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van eiser belemmert en dat juist dit maakt dat specialistische begeleiding in de vorm van een plus-product in de periodes waar het hier om gaat nodig was. Verweerder heeft er nog op gewezen dat tijdens het keukentafelgesprek vrijwel altijd overeenstemming was over de vorm van reguliere begeleiding en niet is aangegeven dat plus-begeleiding nodig was. De rechtbank overweegt dat, zelfs als dit het geval is, dit er niet aan in de weg staat dat in bezwaar argumenten kunnen worden aangevoerd ten gunste van toekenning van de plus-variant (wat ook is gebeurd) en dat deze gelet op de verplichting tot algehele heroverweging van het primaire besluit moeten worden meegewogen.
4.9.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder in beide zaken ten gunste van eiser plus-begeleiding had moeten toekennen. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie in de zaken 20/1970 en 20/5398
5.1.
Gelet op het voorgaande had verweerder in beide zaken het bezwaar gegrond moeten verklaren, de primaire besluiten (deels) moeten herroepen en het verzoek om vergoeding van de proceskosten van bezwaar moeten toewijzen. Omdat het procesbelang van eiser alleen gelegen is in de gevraagde proceskosten van bezwaar, zal de rechtbank de bestreden besluiten vernietigen voor zover die kosten niet zijn vergoed en, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf voorzien door in beide zaken eiser een vergoeding van de proceskosten van bezwaar toe te kennen. In de zaak 20/1970 is dit € 541,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 541,- en een wegingsfactor 1). In de zaak 20/5398 is dit
€ 1.082,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 541,- en een wegingsfactor 1). Eiser heeft er geen belang bij dat de rechtbank zelf plus-begeleiding toekent, omdat ZIN niet met terugwerkende kracht kan worden verleend en eiser ook feitelijk de plus-begeleiding heeft gekregen en geen schade heeft geleden. Dit betekent ook dat de overige beroepsgronden van eiser geen bespreking meer behoeven.
5.2. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Daarbij gaat de rechtbank uit van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), zodat zij voor toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, van het Bpb in beroep worden beschouwd als één zaak.De vergoeding voor deze proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.277,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het verschijnen op de comparitie, 0,5 punt voor het indienen van de schriftelijke reactie op het deskundigenrapport van Van der Meer en 1 punt voor het verschijnen op de zittingen bij de rechtbank, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).
Verzoeken om schadevergoeding in verband met de redelijke termijn
6.1.
Eiser verzoekt in de zaken 20/1970 en 20/5398 om een schadevergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
6.2.
De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van partijen gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene.
6.3.
De behandeling van zaken als deze mag in beginsel maximaal twee jaar in beslag nemen: een half jaar voor de bezwaarfase bij het bestuursorgaan en anderhalf jaar voor de beroepsfase bij de rechtbank. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. De omstandigheden van het geval kunnen een langere behandelduur rechtvaardigen. Er kunnen zich ook bijzondere omstandigheden voordoen die aanleiding kunnen geven tot een verkorting van de termijnen in verband met het belang dat voor de betrokkene op het spel staat.
6.4.
Als de redelijke termijn is overschreden, wordt in beginsel verondersteld dat de betrokkene immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
Indien sprake is van overschrijding van de redelijke termijn moet ook worden beoordeeld op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase.
6.5.
Verder moet in gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende samen zijn behandeld, worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Als hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van
€ 500,- per half jaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, moet daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel
.
6.6.
De omstandigheid dat een aantal belanghebbenden samen een procedure voert of zaken van verschillende belanghebbenden samen zijn behandeld kan een zodanig matigende invloed hebben op de spanning, het ongemak en de onzekerheid die worden ondervonden door een te lang durende procedure, dat dit een reden kan vormen om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding te matigen. [13] Dit doet zich naar het oordeel van de rechtbank in deze zaken niet voor.
6.7.
Omdat de zaken 20/1970 en 20/5398 samen zijn behandeld en in hoofdzaak betrekking hebben op dezelfde onderwerpen, zal de rechtbank, gelet op wat hiervoor onder 6.5 is bepaald, voor deze zaken samen slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar hanteren, gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel, hetgeen hier in de zaak 20/1970 is.
6.8.
De rechtbank stelt vast dat in de zaak 20/1970 het bezwaarschrift van eiser op 23 januari 2018 door verweerder is ontvangen. Uitgaande van de datum van deze uitspraak (27 juni 2022) heeft de fase van bezwaar en beroep in totaal vier jaar en, afgerond, zes maanden geduurd. Dat is een overschrijding van de redelijke termijn van 30 maanden. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging van de termijn. De rechtbank acht de zaken niet dusdanig ingewikkeld dat daar reden voor is. Verder heeft verweerder op de zitting van 11 mei 2022 nog gewezen op de verknochtheid met de andere zaken, maar deze verknochtheid ziet op gevallen waarin de rechter voor de beslissing van de zaak kennis moeten nemen van een of meer andere zaken en zich daarbij een oordeel moet vormen over hetgeen in die andere zaak of zaken aan de orde is; dat is hier niet aan de orde. De enkele omstandigheid dat een gemachtigde in (zeer) veel zaken standaard, al dan niet in dezelfde volgorde, dezelfde stellingen aanvoert, is onvoldoende om een dergelijke verknochtheid aan te nemen. [14] Dat er na het eerste bezwaar en beroep een uitspraak van de rechtbank is gevolgd en vervolgens weer een beroep, maakt ook niet dat moet worden uitgegaan van een langere termijn. [15]
Eiser voert aan dat in de zaak 20/5398 de redelijke termijn van twee jaar moet worden verkort, gelet op de zwaarwegende belangen van eiser die op het spel staan, namelijk het recht op maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wmo 2015 over de in de besluiten genoemde (korte) periode en het recht op een inhoudelijke en effectieve beslechting van het geschil over dat recht door een onafhankelijke en onpartijdige rechter als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM. De rechtbank oordeelt hierover dat weliswaar een korte indicatieperiode een uitspraak binnen afloop van die periode lastig maakt, maar dat dat geen bijzondere omstandigheid vormt om de redelijke termijn van twee jaren te verkorten.
6.9.
Vervolgens moet beoordeeld worden aan wie de overschrijding van de redelijke termijn moet worden toegerekend. Het is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat in een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Als echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid). [16]
6.10.
In de eerste rechterlijke fase is de behandeling van het beroep binnen de termijn van anderhalf jaar gebleven. In de tweede rechterlijke fase is, vanaf ontvangst van het beroepschrift op 6 april 2020 tot de datum van deze uitspraak, de termijn van anderhalf jaar overschreden met, afgerond, negen maanden. Deze overschrijding wordt aan de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) toegerekend. De overige overschrijding, 21 maanden, wordt aan verweerder toegerekend.
6.11.
Gelet op het uitgangspunt dat een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn overschreden is, wordt de door eiser geleden immateriële schade vastgesteld op een bedrag van in totaal
€ 2.500,-. Daarvan komt € 1.750,- (21/30 deel) ten laste van verweerder en € 750,- (9/30 deel) ten laste van de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).
6.12.
Er bestaat aanleiding om verweerder en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de proceskosten van het schriftelijk verzoek om schadevergoeding in de zaak 20/1970. De proceskosten worden begroot op een bedrag van
€ 379,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek, wegingsfactor 0,5 (licht) met een waarde van € 759,- per punt) en worden gelijk over verweerder en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) verdeeld.

Beslissing

De rechtbank:
20/1970
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij geen vergoeding van de proceskosten van bezwaar is toegekend;
  • bepaalt dat aan eiser een vergoeding van proceskosten van bezwaar van € 541,- wordt toegekend en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 189,75;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 189,75;

20/5398

  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij geen vergoeding van de proceskosten van bezwaar is toegekend;
  • bepaalt dat aan eiser een vergoeding van proceskosten van bezwaar van € 541,- wordt toegekend en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiser te vergoeden;

20/1970 en 20/5398

  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.277,-;
  • veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.750,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 750,-;

21/1637

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

21/4814

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
BIJLAGE

Afwegingskader wonen beschut ambulant en plus product

(…)
Hoe kom je tot een onderbouwing wel/niet Plus?
Een Plus-product is alleen van toepassing als het antwoord op minimaal één van de vragen 1a t/m e ‘ja’ is én als het antwoord op alle
overige vragen‘ja’ is.
Ja of nee?
Waar blijkt dit uit?
Voor Plus moet dit zijn:
1.Er is sprake van:
a.constant onvoorspelbaar gedrag
(voorbeeld: er is sprake van een beperkt ziekte inzicht en/of zorgmijdend gedrag; cliënt houdt zich wekelijks niet aan gemaakte begeleidingsafspraken
Min. 1x ja
b.(reële kans op) agressief gedrag (verbaal of fysiek)
(voorbeeld: er is het laatste jaar sprake geweest van agressie/destructief gedrag naar zichzelf of de omgeving)
c.forse psychiatrie
(voorbeeld: er is sprake van een dubbele/driedubbele diagnose)
d.hardnekkige patronen
(voorbeeld: ondanks de inzet van behandeling/begeleiding is de mate van ontwikkeling op vrijwel alle leefgebieden marginaal; er is sprake van recidiverend delictgedrag)
e.De veiligheid van de persoon zelf of de directe omgeving komt in het geding
(voorbeeld: er is het laatste jaar sprake geweest van suïcidaliteit of herhalende zelfbeschadiging)
i.Dit gedrag (a, b, c, d en/of e)
heeft invloed op (bijna) alle
leefgebieden
(voorbeeld: er zijn kinderen bij de situatie betrokken, wiens ontwikkeling bedreigd wordt door de woon/leefsituatie. Of cliënt ervaart zelf op wekelijkse basis problemen in de omgang met ouders die leiden tot stagnatie op verschillende levensgebieden)
ja
ii.Dit gedrag (a, b, c, d en/of e)
belemmert de zelfredzaamheid
en participatie ernstig
(voorbeeld: er is in het laatste jaar sprake geweest van verlies van woning, herhaaldelijk verlies van werk/inkomen, problematische schulden, herhalende overlast of verlies in relationele sfeer)
ja
2.Gedragsproblemen.
(voorbeeld: langdurig patroon van negatief, opstandig of driftig gedrag of gedrag dat tegen de normen ingaat (zoals vechten, stelen en liegen), waardoor een problematische relatie met de buitenwereld ontstaat en/of dat participatie in de weg zit)
ja
3.Een cliënt die bereid is om de situatie aan te pakken.
ja
4.Noodzaak voor de begeleiding om samenwerking te zoeken met ketenpartners en expertise in te kunnen roepen over problematiek van de cliënt
(de begeleiding moet expertise inroepen om passende begeleiding te kunnen bieden. Anders krijgen ze geen ingang bij cliënt, lopen ze vast in de begeleiding, komen niet uit bepaalde patronen, stagneert de begeleiding of stagneert de verwachte ontwikkeling van cliënt.
Er is minimaal vier keer per jaar noodzaak voor overleg met minimaal twee andere ketenpartners, zoals behandeling, reclassering, jeugdzorg of verslavingszorg)
ja
(…)
Voorbeeld onderbouwing afwijzen Plus product:
U vraagt een indicatie BGI Ontwikkelen Plus. Er is sprake van forse psychiatrie, wat blijkt uit het feit dat u een dubbele diagnose hebt volgt. Ook bent u gemotiveerd om uw problematiek aan te pakken. Echter wordt uw zelfredzaamheid en participatie niet ernstig beperkt door uw psychiatrische problematiek, zoals blijkt uit het feit dat u bent begonnen aan een leerwerk traject. Ook blijkt nergens uit dat er sprake is van gedragsproblematiek. Tot slot hebben uw begeleiders wel contact met derden (zoals psychiater, Laborijn, school) maar dit is gericht op het meegaan naar afspraken en leren toepassen van het geleerde in de praktijk. Niet vanuit een noodzaak om expertise in te roepen over uw problematiek om u goed te kunnen begeleiden. Dit betekent dat er geen sprake is van een Plus-product en het product BGI Ontwikkelen volstaat.

Voetnoten

2.Zaaknummers 19/566, 20/1960, 20/1962, 20/1963, 20/1964, 20/1965, 20/1966, 20/1967, 20/1968, 20/1969, 20/1971, 20/1972, 20/1974, 20/1975, 20/1976, 20/1977, 20/4096, 20/4298, 20/4310, 20/4311, 20/4909, 20/5396, 20/6148, 20/5971, 21/273, 21/721, 21/1429 en 21/1466.
3.Op de zitting van 11 mei 2022: de zaaknummers zoals vermeld in noot 1 en de zaaknummers 21/2539, 21/4814 en 21/4997 en op de zitting van 12 mei 2022: de zaaknummers 20/1960, 20/1962, 20/1963, 20/1965, 20/1967, 20/1968, 20/1976, 20/1977, 20/4298 en 21/721.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 18 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3633.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 26 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:223.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 3 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1332.
7.ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506.
8.ECLI:CE:ECHR:2018:1108JUD000268312.
9.JB 2018/186.
10.Dit Afwegingskader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
11.Zaaknummer 20/1960.
12.Zaaknummer 20/1965.
13.Het voorgaande volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
14.Zie bijvoorbeeld het arrest van de HR van 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, ro. 2.3.
15.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 4 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI8665 ro. 5.4.6.
16.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI2044 ro. 11.3.