Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2018
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
€ 1.006,30 bruto van eiser teruggevorderd.
G.A. Tellinga.
Rechtbank Gelderland
Eiser ontvangt sinds 2002 een WAO-uitkering en werkt daarnaast bij een werkgever met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55-65%. Na een loonsverhoging in 2016 informeerde eiser bij een medewerker van het UWV (verweerder) naar de gevolgen voor zijn uitkering. Hij kreeg de toezegging dat zijn uitkering ongewijzigd zou blijven, waarop hij zijn loon verhoogde.
Later bleek dat de medewerker abusievelijk met een maandloon rekende in plaats van een vierwekenloon, waardoor eiser recht had op een lagere uitkeringsklasse. Verweerder vorderde daarom € 1.006,30 terug. Eiser stelde zich op het standpunt dat hij op de toezegging mocht vertrouwen en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt.
De rechtbank oordeelt dat de toezegging ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk was, ook al was deze telefonisch en niet schriftelijk gedaan. De eerdere jurisprudentie die schriftelijkheid vereiste, is volgens de rechtbank niet doorslaggevend. De toezegging kwam van een bevoegd orgaan, vertegenwoordigd door de medewerker die ook eerdere besluiten ondertekende.
Daarom wordt het beroep van eiser gegrond verklaard, het terugvorderingsbesluit vernietigd en de uitkering definitief vastgesteld op het voorschotbedrag. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt en het terugvorderingsbesluit wordt vernietigd, waardoor de WAO-uitkering definitief wordt vastgesteld op het voorschotbedrag.