Uitspraak
- of verweerder terecht het in 2009 op de door eiser in Zwitserland aangehouden bankrekeningen gestorte bedrag van € 360.000 als resultaat uit overige werkzaamheden heeft aangemerkt;
- of verweerder in verband daarmee terecht de rendementsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen heeft verhoogd.
€ 300.000 dient te worden verhoogd en de rendementsgrondslag per 31 december 2009 met € 660.000.
[001] en met nummer [002] . Blijkens de overgelegde bescheiden is vanaf de rekening van [E] op de rekening met nummer [001] op
27 februari 2009 een bedrag van € 150.000 en op 22 mei 2009 een bedrag van € 100.000 overgemaakt. Voorts is op de rekening met nummer [002] op 7 augustus 2009 een bedrag van € 50.000 en op 2 november 2009 een bedrag van € 60.000 overgemaakt. Uit de proces-verbalen van verhoor leidt de rechtbank af dat eiser vanaf deze rekeningen tenminste een bedrag van € 22.548 aan privé-uitgaven heeft gedaan, een bedrag van € 9.585 aan kasopnamen heeft gedaan en een bedrag van € 100.541 heeft overgemaakt naar andere bankrekeningen waarover hij kon beschikken. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat eiser van het bedrag van € 360.000 een (aanzienlijk) deel consumptief heeft aangewend. Deze constatering leidt tot het vermoeden dat eiser in 2009 (substantieel) meer inkomsten heeft genoten dan in de heffing zijn betrokken. Het had dan ook op de weg van eiser gelegen dit vermoeden te weerleggen temeer nu eiser zich heeft bediend van rekeningen in Zwitserland, een land met een bankgeheim. Dit heeft eiser nagelaten. De stelling dat het bedrag van € 360.000 niet voor hem bestemd was maar moest worden doorbetaald is daarvoor, met alleen de verwijzing naar de overeenkomst tussen [C] BV en [D] maar zonder nadere onderbouwing, onvoldoende. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser als gevolg van de door hem ingediende aangifte IB/PVV een relatief en absoluut aanzienlijk bedrag aan belasting niet betaald. Eiser had zich, mede gelet op zijn financiële achtergrond, hiervan bewust moeten zijn. Het beroep moet op de voet van artikel 27e, eerste lid, van de AWR, dan ook ongegrond worden verklaard, tenzij eiser heeft doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast).
– en in hoeverre – de uitspraak op bezwaar onjuist is.
22.Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
23.De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
mr. drs. V.F.R. Woeltjes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;