Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Zwolle,
2.de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
Dat de motivering van het bezwaarschrift geruime tijd op zich heeft laten wachten, acht de rechtbank evenzeer een onvoldoende bijzondere omstandigheid in voormelde zin. Weliswaar kan een uitstel voor het aanvullen van gronden dat langer dan gemiddeld duurt aanleiding geven voor verlenging van de termijn (vgl. Hoge Raad 21 november 2014, ECLI: NL:HR:2014:3321), maar verweerder heeft erkend dat de gemachtigde van verzoeker in elk geval een deel van de relevante stukken eerst op 10 januari 2012 heeft ingezien, toen een bespreking op het kantoor van de gemachtigde heeft plaatsgevonden. De omstandigheid dat een belastingplichtige verzoekt om op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen rechtvaardigt in beginsel geen verlenging van de redelijke termijn. De onbeperkte kennisname van partijen van de op de zaak betrekking hebbende stukken is immers een normaal onderdeel van een eerlijk proces (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 23 augustus 2012, ECLI: NL:GHSHE:2012:BX5668). De rechtbank acht het daarom te billijken dat verzoeker niet bereid was dit gesprek als hoorzitting te bestempelen en evenzeer dat eerst nadien het bezwaarschrift is aangevuld. Het is de rechtbank overigens niet helder of die aanvulling in deze zaak heeft plaatsgevonden, maar in vergelijkbare zaken is daarmee op 26 januari 2012 een aanvang gemaakt. Op 22 maart 2012 heeft vervolgens de hoorzitting kunnen plaatsvinden, waarna op 14 juni 2012 uitspraak op bezwaar is gedaan. Al met al is daarom in de proceshouding van verzoeker evenmin een grond gelegen in de bezwaarfase de redelijke termijn te verlengen.
.Uitdrukkelijk wordt niet aangesloten bij de benadering van de Hoge Raad in het arrest van 19 februari 2016. De overschrijding van de termijn in de bezwaarfase beloopt in de meeste van de zeventig gelijktijdig behandelde zaken ruwweg vijf maanden. Het kan niet zo zijn dat in zaken waarin de overschrijding van de termijn door de rechtbank minder dan vijf maanden is wordt overgegaan tot tijdsevenredige verdeling van het bedrag van € 1.000 dat verband houdt met de hoofdzaak, nu dit ertoe zou leiden dat verweerder meer dan € 500 zou moeten betalen voor een overschrijding van minder dan een half jaar, enkel omdat de rechtbank een iets kortere, maar ook significante termijnoverschrijding zou hebben veroorzaakt. Dit kan niet de bedoeling van de Hoge Raad zijn geweest.
- veroordeelt de inspecteur tot het vergoeden van de door verzoeker geleden schade tot een bedrag van € 250;
- veroordeelt de Staat (Minister van Veiligheid en Justitie) tot het vergoeden van de door verzoeker geleden schade tot een bedrag van € 264;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 5,31;
- veroordeelt de Staat (Minister van Veiligheid en Justitie) in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 5,32;
- gelast dat de inspecteur en de Staat elk een bedrag van € 21 ter zake van het betaalde griffierecht vergoeden.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;