10. Ingevolge artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de AWR is een ieder gehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Uit artikel 49 van de AWR volgt dat de gegevens en inlichtingen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt binnen een door de inspecteur te stellen termijn.
11. Artikel 52a, eerste lid, van de AWR bepaalt onder meer dat indien met betrekking tot een op te leggen (navorderings)aanslag niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge de artikelen 47 en 49 van die wet, de inspecteur dit kan vaststellen bij een voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking).
12. Een belastingplichtige is op grond van artikel 47 van de AWR verplicht om aan de inspecteur alle gegevens en inlichtingen te verstrekken die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing te zijnen aanzien (Hoge Raad 8 augustus 2014, nr. 13/00933, ECLI:NL:HR:2014:2144 en Hoge Raad 12 juli 2013, nr. 12/01880, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640). Voor de aanwezigheid van een belang in vorenbedoelde zin is slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige. Verweerder is bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden op grond van artikel 47 van de AWR gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur (Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23 034, ECLI:NL:HR:1986:AW8125). 13. Op verweerder rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat eiser niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan en dat verweerder met zijn informatieverzoek niet de grenzen der redelijkheid heeft overschreden.
14. Verweerder heeft zijn verzoek om informatie in de informatiebeschikking van 2 januari 2014 onderbouwd door te verwijzen naar de resultaten van een boekenonderzoek en een strafrechtelijk onderzoek naar zowel eiser als de door hem beheerste vennootschap(pen). Eiser heeft de door verweerder aangehaalde bevindingen niet bestreden. Gelet hierop, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door hem gevraagde informatie voor de belastingheffing van eiser voor de jaren 2007 tot en met 2011 van belang kon zijn, omdat die informatie opheldering zou kunnen geven over de vraag of eiser in dat jaar over niet door hem aangegeven vermogen beschikte (vgl. Hoge Raad 1 november 2013, nr. 12/02792, ECLI:NL:HR:2013:1017 en Hoge Raad 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498). 15. Verweerder heeft zijn verzoek om informatie over eisers woonplaats onderbouwd door erop te wijzen dat eiser heeft opgegeven naar Spanje te zijn geëmigreerd, terwijl zijn gemachtigde heeft aangegeven dat eiser in Zwitserland woont. Zowel voor de heffing bij emigratie als voor de beoordeling van in Nederland verschuldigde belasting na emigratie heeft verweerder terecht gesteld dat van belang is waar eiser zijn woonplaats heeft, zodat ook deze vragen in redelijkheid aan eiser zijn gesteld.
16. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken om informatie en vervolgens de informatiebeschikkingen in strijd met de beginselen van fair play, evenredigheid en het verbod van détournement de pouvoir zijn opgelegd. Hiertoe heeft eiser aangevoerd dat de termijn voor beantwoording onredelijk kort was, omdat naast de onderhavige informatieverzoeken ook aan [B] B.V. een uitgebreid informatieverzoek is gedaan en de informatieverzoeken alle erg omvangrijk zijn.
17. De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. Zoals namens eiser ter zitting is erkend, hebben de onderhavige vragen over in het buitenland aangehouden vermogen en betrokkenheid bij in het buitenland gevestigde vennootschappen betrekking op dezelfde onderwerpen als die aan de orde zijn geweest in de belasting- en strafprocedures ten aanzien van de inkomstenbelasting over de jaren 2000 tot en met 2005. In deze procedures heeft eiser er steeds voor gekozen om geen openheid van zaken te geven. Dit betekent dat eiser al geruime tijd op de hoogte is welke gegevens en inlichtingen verweerder van hem wil hebben. Dat het in deze procedure om andere belastingjaren gaat, maakt naar het oordeel van de rechtbank de gevraagde gegevens en inlichtingen niet wezenlijk anders. Wat betreft de vragen omtrent zijn woon- en verblijfplaats, is weliswaar sprake van veel vragen, maar niet van complexe vragen.
18. Ter zitting is namens eiser voorts gesteld dat hij meer tijd had moeten krijgen voor de beantwoording van de vragen omdat eiser daarvoor bijstand nodig heeft van zijn belastingadviseur. Echter, namens eiser is eveneens erkend dat eiser naar aanleiding van de verzoeken om gegevens en inlichtingen geen contact heeft opgenomen met zijn belastingadviseur, althans niet zodanig dat hij aan verweerder kon aangeven binnen welke termijn beantwoording wel mogelijk zou zijn geweest. Eiser heeft daarentegen volstaan met de opmerking dat de termijn voor beantwoording te kort was en verder aan verweerder geen onderbouwd verzoek om verlenging van de termijn gedaan. Gelet hierop, kan verweerder niet worden verweten dat hij de belangen van eiser onvoldoende heeft afgewogen, nu eiser geen inzicht in die belangen heeft gegeven, terwijl dat wel op eisers weg had gelegen.
19. Alles bijeengenomen, is de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is dat eiser om hem moverende redenen ook voor de onderhavige belastingjaren niet aan zijn verplichtingen tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen heeft willen voldoen. Van schending van enig beginsel van behoorlijk bestuur is geen sprake.
20. Eiser heeft tot slot en onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 oktober 2005 (appl.no. 6563/03,
Shannon v United Kingdom, ECLI:CE:ECHR:2005:1004JUD000656303) betoogd dat in dit geval uit het nemo tenetur-beginsel voortvloeit dat hij niet gehouden is aan zijn verplichtingen ingevolge de artikelen 47 en 49 van de AWR, aangezien inmiddels is gebleken dat de strafrechter van door hem verstrekte gegevens en inlichtingen gebruik maakt om hem strafrechtelijk te veroordelen.
21. De rechtbank volgt dit betoog niet, reeds omdat geen sprake is van eencriminal charge. Daarbij komt, dat het recht om niet aan zijn eigen veroordeling mee te werken zich slechts uitstrekt tot gegevens en inlichtingen die afhankelijk zijn van de wil van een verdachte. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat in een dergelijk geval van onder dwang verkregen wilsafhankelijk materiaal geen gebruik mag worden gemaakt in een procedure die betrekking heeft op eencriminal charge. Dit is een voldoende waarborg voor de rechten van een (mogelijke) verdachte (vgl. EHRM 16 juni 2015, appl.no. 784/14,Van Weerelt t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2015:0616DEC000078414, en Hoge Raad 24 april 2015, zaaknrs. 14/02420 en 14/02691, ECLI:NL:HR:2015:1117). Voor de onderhavige belastingprocedures geldt in ieder geval dat het nemo tenetur-beginsel eiser niet ontslaat van de verplichting te voldoen aan de op hem rustende informatieverplichtingen. 22. De conclusie moet zijn dat de informatiebeschikkingen terecht zijn vastgesteld. De beroepen zijn derhalve ongegrond. De rechtbank ziet in het vorenoverwogene aanleiding om in afwijking van artikel 27e, tweede lid, van de AWR geen nieuwe termijn te stellen om alsnog de verzochte gegevens en inlichtingen te verstrekken, omdat aannemelijk is dat eiser om hem moverende redenen niet aan zijn informatieverplichtingen zal voldoen.
23. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.