De zaak betreft het beroep van omwonenden tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een tijdelijk woongebouw met maximaal 44 woonunits op een bedrijventerrein, bestemd voor de huisvesting van 132 Oekraïense vluchtelingen voor drie jaar. Eisers, eigenaren van omliggende bedrijven, maken bezwaar tegen het besluit vanwege mogelijke belemmeringen in de bedrijfsvoering, parkeerproblemen, verkeersveiligheid en de afgebakende doelgroep.
De rechtbank oordeelt dat twee eisers geen procesbelang meer hebben omdat hun bedrijven niet meer op de locatie gevestigd zijn, waardoor hun beroep niet-ontvankelijk is. De overige tien beroepen worden inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. De rechtbank stelt vast dat het college bevoegd was om af te wijken van het bestemmingsplan en dat de verleende vergunning voldoet aan de beleidsregels voor kruimelgevallen.
De rechtbank vindt dat de vergunning voor een afgebakende doelgroep niet in strijd is met het recht, mede omdat de gemeente als eigenaar kan bepalen wie er woont. De bezwaren over geluid en bedrijfsvoering worden verworpen op basis van representatieve onderzoeken en maatwerkvoorschriften. Ook de parkeerberekeningen en verkeersveiligheid zijn voldoende onderbouwd. Alternatieve locaties zijn niet aantoonbaar beter en de termijn van drie jaar is passend gezien de beleidsruimte. Eisers krijgen geen gelijk en worden veroordeeld in de proceskosten.