ECLI:NL:RVS:2018:2650
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen weigering schuldhulpverlening na verhuizing
Appellant meldde zich op 14 juni 2016 voor schuldhulpverlening bij de gemeente Gouda. Na een intakegesprek op 28 juni 2016 werd hem medegedeeld dat schuldhulpverlening niet mogelijk was vanwege een voorgenomen echtscheiding en noodzakelijke bewindvoering. Het college verklaarde het bezwaar tegen deze mededeling niet-ontvankelijk omdat het geen besluit van het college betrof en appellant inmiddels op 1 juli 2016 was verhuisd naar een andere gemeente.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit op bezwaar niet-ontvankelijk omdat appellant geen rechtens te beschermen belang meer had, nu hij niet langer inwoner van Gouda was en het college daardoor niet meer verantwoordelijk was voor zijn schuldhulpverlening. Ook stelde appellant dat hij aanspraak maakte op een dwangsom vanwege de late beslissing, maar dit werd afgewezen omdat hij zich na verhuizing niet meer tot Gouda hoefde te wenden.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij principieel erkenning wilde voor het niet naleven van wettelijke regels en dat het schuldhulpverleningstraject in zijn nieuwe gemeente sneller kon starten bij overdracht van het dossier. De Afdeling oordeelde dat appellant geen actueel en reëel belang had bij inhoudelijke beoordeling van het beroep, bevestigde de niet-ontvankelijkheid en verwierp het beroep. De aangevallen uitspraak werd daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkheid van het beroep tegen het besluit tot weigering schuldhulpverlening wordt bevestigd.