Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8969

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
SGR22/4712
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 3:2 AwbArt. 3:4 AwbArt. 7:12 AwbArt. 36a WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering WAO-uitkering wegens schending inlichtingenplicht

Eiseres ontvangt sinds 1992 een WAO-uitkering en werd in 2020 onderzocht door het UWV na een externe melding dat zij werkzaamheden verrichtte in kapsalons. Het UWV concludeerde dat eiseres inkomsten had uit een dienstverband en werkzaamheden die zij niet had gemeld, wat een schending van haar inlichtingenplicht vormt. Het UWV herzag haar uitkering en vorderde een bedrag van ruim €48.000 terug.

Eiseres betwistte de feiten en stelde dat haar werkzaamheden hobbymatig waren, zonder beloning, en dat het UWV onvoldoende rekening hield met haar medische situatie en de coronaperiode. De rechtbank oordeelde dat het UWV voldoende bewijs had geleverd, waaronder onderzoeksrapporten, bankafschriften en getuigenverklaringen, en dat eiseres onvoldoende tegenbewijs had geleverd.

De rechtbank overwoog dat het UWV de terugvordering terecht had aangepast voor coronasluitingen en dat de medische behandelingen van eiseres niet voldoende waren onderbouwd om het bedrag verder te verlagen. Ook was er geen dringende reden om de terugvordering te matigen, ondanks de psychische en sociale gevolgen voor eiseres. Het beroep werd ongegrond verklaard en het besluit tot herziening en terugvordering bleef in stand.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de herziening en terugvordering van de WAO-uitkering wegens schending van de inlichtingenplicht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/4712

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.S. Jordan),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: G.M. Folkers-Hooijmans).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de herziening en terugvordering van een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Eiseres is het niet eens met de herziening en terugvordering van haar WAO-uitkering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht is overgegaan tot de herziening en terugvordering van de WAO-uitkering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden door niet bij het Uwv te melden dat zij werkzaamheden verrichtte bij een tweetal kapsalons, zodat de herziening en terugvordering van haar WAO-uitkering terecht is. Er zijn ook geen dringende redenen om de terugvordering te verminderen. Het beroep is dus ongegrond en eiseres krijgt geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding en procesverloop

Totstandkoming van het besluit
2. Eiseres ontvangt sinds 9 januari1992 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100. Naar aanleiding van een externe melding dat eiseres werkzaamheden zou verrichten is het Uwv in 2020 een onderzoek gestart. Voor het onderzoek zijn Uwv-systemen, Suwinet en systemen van externe partijen geraadpleegd. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een Rapport van bevindingen van 25 maart 2021. Vervolgens is een zogenoemd inspectieonderzoek gestart. Daarin zijn waarnemingen verricht in de directe omgeving van de kapsalon waar eiseres volgens de melding zou werken en bij de woning van eiseres. Ook heeft in de directe omgeving van de kapsalon een buurtonderzoek plaatsgevonden. Er heeft twee keer een gesprek plaatsgevonden met eiseres. Ook is gesproken met de dochter van eiseres, die eigenaar is van de betreffende kapsalon. Bij eiseres zijn bankafschriften opgevraagd en deze zijn geanalyseerd. De onderzoeksbevindingen van het Uwv zijn neergelegd in het Onderzoeksrapport Handhaving Inspectie van 30 juni 2021. Op basis hiervan is het Uwv tot de conclusie gekomen dat eiseres inkomsten heeft gehad uit een dienstverband bij een kapsalon in [plaats] in de periode van 1 december 2017 tot en met 28 februari 2018, die zij niet bij het Uwv heeft gemeld. Ook heeft het Uwv geconcludeerd dat eiseres geen melding heeft gedaan van werkzaamheden als kapster die zij af en toe verricht in haar eigen woning en van in het maatschappelijk verkeer op geld waardeerbare werkzaamheden die zij in de periode van 28 augustus 2018 tot en met 16 juni 2021 heeft verricht in de beauty- en kapsalon van haar dochter in Den Haag.
Procesverloop
2.1.
In een besluit van 14 februari 2022 (het primaire besluit) heeft het Uwv vastgesteld dat eiseres niet de juiste informatie die van belang is voor het vaststellen van haar WAO-uitkering aan het Uwv heeft doorgegeven en daardoor over de periode van 1 december 2017 tot en met 30 juni 2021 bruto € 56.122,02 aan uitkering heeft ontvangen zonder dat zij daar recht op had. Ook heeft het Uwv daarin bepaald dat eiseres dit bedrag aan het Uwv moet terugbetalen.
2.2.
Met het bestreden besluit van 4 juli 2022 op het bezwaar van eiseres is het Uwv bij het primaire besluit tot herziening en terugvordering van de WAO-uitkering over de periode van 1 december 2017 tot en met 30 juni 2021 gebleven.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Beide partijen hebben aanvullende stukken ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv. Het onderzoek ter zitting is geschorst vanwege de aankondiging door het Uwv dat een nieuw besluit op het bezwaar zou worden genomen.
2.5.
In een besluit van 5 oktober 2023 (het gewijzigde besluit) heeft het Uwv het bestreden besluit gewijzigd in die zin dat het teruggevorderde bedrag is verlaagd naar € 48.513,32, omdat bij de herziening en terugvordering van de uitkering nu rekening is gehouden met de perioden in 2020 en 2021 dat de beauty- en kapsalon van haar dochter gedwongen gesloten was vanwege de coronamaatregelen.
2.6
Eiseres heeft de rechtbank bericht zich niet met het gewijzigde besluit te kunnen verenigen. Het Uwv heeft hierop gereageerd.
2.7.
Nadat geen van partijen te kennen had gegeven een nieuwe zitting te wensen, heeft de rechtbank op 9 februari 2024 het onderzoek gesloten. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) naar aanleiding van de conclusie van raadsheer advocaat-generaal De Bock van 10 november 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:2086).
2.8.
Beide partijen hebben schriftelijk gereageerd op een door de rechtbank aan hen voorgelegde vraag over de betekenis voor deze zaak van de nieuwe uitleg die de CRvB in zijn uitspraak van 18 april 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:726) heeft gegeven aan het begrip ‘dringende redenen’. Eiseres heeft vervolgens gereageerd op de reactie van het Uwv. Het Uwv heeft hierna een aanvullend verweerschrift ingediend.
2.9.
Nadat geen van partijen te kennen had gegeven een nieuwe zitting te wensen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Standpunt van eiseres
3. Kort samengevat heeft eiseres gesteld dat zij haar inlichtingenplicht niet heeft geschonden en dat aan het bestreden besluit geen zorgvuldige feitenvaststelling en belangenafweging ten grondslag liggen, waardoor dit besluit niet draagkrachtig is gemotiveerd.
3.1.
Het Uwv heeft ten onrechte aangenomen dat eiseres in de kapsalon van haar dochter werkzaamheden heeft verricht die in economisch verkeer op geld waardeerbaar zijn. Haar aanwezigheid in die kapsalon moet beschouwd worden als hobbymatige activiteit die slechts plaatsvond wanneer haar medische conditie dat toeliet. Het contact met klanten was voor eiseres een uitlaatklep en een bron van sociale contacten, die zij vanwege haar fysieke beperkingen en depressieve klachten verder grotendeels ontbeerde. Zij heeft voor haar werkzaamheden nooit betalingen ontvangen en verrichtte nooit zelfstandige werkzaamheden. De betalingen die zij van haar dochter op haar bankrekening heeft ontvangen vormden geen beloning voor werkzaamheden in de kapsalon, maar waren terugbetalingen van eerder verstrekte leningen en bedragen die zij voor haar dochter in bewaring hield. Het onderzoeksrapport Handhaving Inspectie ondersteunt de conclusies van het Uwv niet en het Uwv heeft ten onrechte gewicht toegekend aan medische documenten waaruit zou blijken dat zij tegenover behandelend artsen heeft verklaard geen operatie te willen ondergaan omdat zij onmisbaar was in de kapsalon. Dit heeft zij niet zo gezegd, zij heeft slechts aangegeven bang te zijn dat zij door (de gevolgen van) de operatie in de toekomst nooit meer als kapster zou kunnen werken.
3.2.
Bij de vaststelling van het terugvorderingsbedrag is ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat de salon van 16 maart 2020 tot 11 mei 2020 en van 15 december 2020 tot 3 maart 2021 gesloten was wegens de coronamaatregelen. Bovendien was eiseres in de periode waarop de terugvordering in het gewijzigde besluit ziet 49 dagen onder medische behandeling, zoals blijkt uit medische stukken. Op die dagen was zij niet in de kapsalon aanwezig en daarom moet het terugvorderingsbedrag lager worden vastgesteld.
3.3.
Daarnaast heeft eiseres betoogd dat het Uwv onvoldoende oog heeft gehad voor de menselijke maat, vooral voor het gegeven dat zij de moeder is van de eigenaresse van de kapsalon, die net nieuw werd opgestart. Dit maakt dat haar aanwezigheid in de kapsalon niet beschouwd zou moeten worden als een op geld waardeerbare activiteit.
3.4.
Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat er dringende redenen zijn om de terugvordering te verminderen. Deze zijn volgens haar gelegen in het feit dat het Uwv is tekortgeschoten in de begeleiding van eiseres als uitkeringsgerechtigde. Zij is niet gewaarschuwd dat haar aanwezigheid in de kapsalon een probleem zou kunnen opleveren voor haar uitkering en er is door het Uwv geen traject ingezet waarbij eiseres via de werkzaamheden in de kapsalon van haar dochter weer kon re-integreren op de arbeidsmarkt. Verder is een dringende reden gelegen in de onaanvaardbare sociale, psychische en financiële gevolgen voor eiseres van de terugvordering, die in wezen neerkomt op een jarenlange verlaging van de WAO-uitkering van eiseres terwijl het Uwv haar wel als volledig arbeidsongeschikt blijft beschouwen.
Verweer van het Uwv
4. Het Uwv stelt dat uit het verslag van het op 21 mei 2021 gevoerde gesprek met eiseres, uit het onderzoeksrapport Handhaving Inspectie van 30 juni 2021 en uit de zogenoemde Motivering objectief verwijtbaar van 29 juli 2021 afdoende blijkt dat eiseres werkzaamheden heeft verricht in een tweetal kapsalons zonder dat te melden bij het Uwv. Anders dan eiseres stelt, heeft zij nooit contact gezocht met het Uwv over meelopen in het bedrijf van haar dochter als onderdeel van re-integratie op de arbeidsmarkt. Er is dus sprake van een duidelijke schending van de inlichtingenplicht. Bij de invordering van het teruggevorderde uitkeringsbedrag is voldoende acht geslagen op financiële gevolgen voor eiseres. Dit blijkt uit de met eiseres getroffen betalingsregeling. Daarmee is voldaan aan de eisen die gelden in het kader van een toets op de eventuele aanwezigheid van een dringende reden.

Beoordeling door de rechtbank

5.1.
Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het bestreden besluit van rechtswege mede betrekking op het gewijzigde besluit. Nu het bestreden besluit gedeeltelijk is vervangen, heeft eiseres nog belang bij de beoordeling van het bestreden besluit voor zover dat niet is vervangen door het gewijzigde besluit.
5.2.
Artikel 36a van de WAO verplicht het Uwv tot herziening van een WAO-uitkering in geval van schending van de inlichtingenplicht. Die inlichtingenplicht is opgenomen in artikel 80 van Pro de WAO en houdt in dat een uitkeringsgerechtigde, op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling moet doen aan het Uwv van alle feiten of omstandigheden, waarvan het redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag dat daarvan wordt uitbetaald. Op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO wordt de uitkering die onverschuldigd is betaald door het Uwv teruggevorderd. Op grond van het zesde lid van artikel 57 kan Pro het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen zijn.
Was de herziening en terugvordering van de WAO-uitkering terecht?
6. In geschil is de vraag of het Uwv de uitkering van eiseres terecht heeft herzien en de te veel betaalde uitkering terecht heeft teruggevorderd, omdat eiseres gewerkt heeft en activiteiten heeft verricht waaruit inkomsten zijn genoten, of die in het economisch verkeer op geld waardeerbaar zijn, zonder dit aan het Uwv te melden. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden.
6.1.
Bij besluiten tot herziening met terugwerkende kracht als hier aan de orde gaat het om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. [1] Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan in beginsel op het Uwv rust. Die last om informatie te vergaren brengt in dit geval mee dat het Uwv feiten moet aandragen die aannemelijk maken dat eiseres in de periode van 1 december 2017 tot en met 30 juni 2021 in de twee kapsalons werkzaamheden heeft verricht waaruit zij inkomsten heeft genoten of die in het economische verkeer op geld waardeerbaar zijn.
6.2.
Bij de vaststelling van de feiten die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van verrichte werkzaamheden, komt in beginsel een groot gewicht toe aan processen-verbaal met bevindingen van opsporingsambtenaren en verklaringen van betrokkenen die tegenover bevoegde opsporingsambtenaren zijn afgelegd en die zijn ondertekend. Indien op grond van de door verweerder gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiseres ten tijde van belang werkzaamheden heeft verricht, dan ligt het op de weg van eiseres de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken. [2]
Is er sprake geweest van werkzaamheden?
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv aannemelijk gemaakt dat eiseres in de periode van 1 december 2017 tot en met 30 juni 2021 in een tweetal kapsalons werkzaamheden heeft verricht waaruit inkomsten zijn genoten respectievelijk activiteiten heeft verricht die in het economisch verkeer op geld waardeerbaar zijn. De volgende in de onderzoeksrapporten en gespreksverslagen beschreven omstandigheden en gegevens vormen voldoende basis voor dit oordeel.
6.3.1.
Door raadpleging van suwinet heeft het Uwv vastgesteld dat eiseres vanaf 1 december 2017 tot en met 28 februari 2018 bij een kapsalon in [plaats] een dienstverband had waarbij zij werkzaamheden verrichtte waarvoor zij loon ontving: in totaal € 1.375,02. Eiseres heeft dit in de gesprekken tijdens het inspectieonderzoek niet ontkend, maar heeft verklaard dat zij deze inkomsten had gemeld bij het Uwv. Een dergelijke melding is in de systemen van het Uwv echter niet aangetroffen en eiseres heeft geen bewijs overgelegd waaruit blijkt dat zij die melding heeft gedaan.
6.3.2.
Volgens vaste rechtspraak van de CRvB komt bij de vraag of er sprake is van arbeid die in het economische verkeer wordt verricht, betekenis toe aan de aard van de activiteiten en de omgeving waarbinnen die activiteiten worden verricht. [3] Anders dan eiseres meent, maken de in het rapport Handhaving Inspectie van 30 juni 2021 neergelegde onderzoeksbevindingen aannemelijk dat zij in de kapsalon van haar dochter werkzaamheden verrichtte die gelet op de aard en de omvang daarvan verder gingen dan het hobbymatige. Zo blijkt uit dit rapport dat eiseres in de periode van 13 november 2020 tot en met 18 mei 2021 op verschillende dagen en tijdstippen werkend is aangetroffen in de kapsalon van haar dochter. Eiseres werd daar ook als enig werkend personeelslid aangetroffen. Eiseres opende en sloot ook de kapsalon, wat suggereerde dat ze hele dagen aan het werk was. Op de voordeur van de kapsalon zijn twee telefoonnummers vermeld, waarvan een nummer van eiseres is. Uit buurtonderzoek is gebleken dat eiseres herkend wordt als iemand die doorgaans van maandag tot zaterdag in de kapsalon aanwezig is. Op haar bankrekening zijn in de periode van 26 december 2019 tot en met 26 mei 2021 bijschrijvingen en stortingen te zien afkomstig van haar dochter en van derden middels zogenoemde ‘tikkies’. Eiseres heeft nagelaten deze bijschrijvingen en stortingen te onderbouwen met concrete en verifieerbare gegevens die erop wijzen dat dit geen betalingen waren voor door haar verrichte werkzaamheden. Zij heeft deze betalingen destijds ook niet gemeld bij het Uwv. Dit rapport bevat hiermee een voldoende onderbouwing voor de conclusie van het Uwv dat eiseres in de kapsalon van haar dochter op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht.
6.3.3.
Voor zover eiseres heeft gesteld dat het Uwv ten onrechte uit een door haar ingebracht medisch document heeft afgeleid dat zij aan haar behandeld artsen zou hebben verteld werkzaam te zijn als kapster, doet die stelling – wat daar ook van zij – er niet aan af dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres (betaalde, dan wel op geld waardeerbare) werkzaamheden heeft verricht. De rechtbank ziet ook niet in waarom het gegeven dat eiseres de moeder is van de eigenaresse van de kapsalon en het feit dat die kapsalon in 2018 nog maar net aan het opstarten was, zouden maken dat geen sprake was van op geld waardeerbare werkzaamheden. Voor zover eiseres heeft verwezen naar de ingebrachte verklaring van haar dochter is deze niet objectief van aard. Hieraan kan daarom niet de waarde toegekend worden die eiseres hieraan hecht. Eiseres is er dus niet in geslaagd door middel van objectieve en verifieerbare gegevens de conclusie van het Uwv te ontkrachten.
6.3.4.
In het gewijzigde besluit heeft het Uwv rekening gehouden met de perioden in 2020 en 2021 dat de kapsalon gesloten was als gevolg van de coronamaatregelen. Het teruggevorderde bedrag is daardoor lager vastgesteld. Eiseres heeft betoogd dat dit bedrag nog verder verlaagd zou moeten worden, omdat zij in de periode waarop de terugvordering betrekking heeft verschillende keren onder medische behandeling is geweest, daardoor in totaal 49 werkdagen niet in de kapsalon aanwezig was en dus op die dagen geen werkzaamheden verricht heeft. Het Uwv heeft in dit betoog geen aanleiding gezien om tot een nieuwe berekening van het teruggevorderde bedrag te komen aangezien eiseres tijdens het inspectieonderzoek geen verder inzicht heeft gegeven in de door haar gewerkte uren en dagen. De rechtbank volgt dit standpunt van het Uwv en neemt daarbij in aanmerking dat de vijf medische verslagen die eiseres heeft overgelegd weliswaar aantonen dat zij op vijf verschillende data in de periode van september 2018 tot juli 2021 onder behandeling is geweest of althans is onderzocht in het ziekenhuis of door de huisarts, maar geen bewijs vormen dat zij in totaal 49 dagen niet in de kapsalon aanwezig zou hebben kunnen zijn. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat het bedrag van de terugvordering niet is gerelateerd aan een exact aantal gewerkte dagen of uren, maar aan de periode waarin zij niet aan de inlichtingenplicht omtrent de door haar verrichte werkzaamheden heeft voldaan.
Tussenconclusie
6.4.
Uit het voorgaande volgt dat het beroep van eiseres voor zover zich dat richt tegen de zorgvuldige feitenvaststelling omtrent de schending van de inlichtingenplicht en de draagkrachtige motivering van de herziening en terugvordering van de WAO-uitkering niet slaagt.
Dringende reden om de terugvordering te verminderen?
7. In zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de CRvB de uitleg van het begrip ‘dringende redenen’ verruimd. [4] De CRvB beschouwt dit begrip (voortaan) als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij kan met name worden gedacht aan het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het (materiële) zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van het Uwv is in de redenen voor herziening en/of terugvordering. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan eigen fouten van het Uwv die aan een herziening of terugvordering ten grondslag liggen of aan (te) trage besluitvorming waardoor een herziening of terugvordering over een nodeloos lange periode – en daarmee tot een onnodig hoog terug te betalen bedrag – dient plaats te vinden of op een zodanig laat moment dat het Uwv de aan de Belastingdienst afgedragen loonbelasting en premies volksverzekeringen niet meer intern kan verrekenen. Van belang is ook het eigen aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenplicht, een onoplettendheid, of een situatie waarin een betrokkene geen verwijt kan worden gemaakt, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij teveel aan uitkering ontving. Bij de beoordeling van de dringende reden zal het Uwv zich, ten slotte, ook rekenschap moeten geven van de gevolgen die de herziening en terugvordering voor de betrokkene hebben.
7.1.
In deze zaak staan wat betreft de al dan niet aanwezigheid van een dringende reden twee vragen centraal: (1) Heeft het Uwv een zorgvuldige belangenafweging gemaakt tussen het aandeel van eiseres en het eigen aandeel van het Uwv in het ontstaan van de situatie waaruit de terugvordering is voortgekomen?; (2) Vormen de sociale, psychische en financiële gevolgen van de terugvordering aanleiding om een dringende reden voor matiging van die terugvordering aan te nemen?
7.2.
Voor het antwoord op de eerste vraag volgt de rechtbank het standpunt van het Uwv dat de aanleiding voor het ontstaan van de terugvordering in dit geval geheel te wijten is aan de schending van de inlichtingenplicht door eiseres. Eiseres is er in de periode dat zij de WAO-uitkering ontving verschillende keren op gewezen dat zij informatie over haar werkzaamheden en inkomsten diende te verschaffen aan het Uwv. Dat heeft zij nagelaten. Voor zover eiseres enkele maanden heeft gewerkt voor de kapsalon in [plaats] heeft zij niet ontkend dat zij daarvoor als werkneemster betaald is. Dit maakt dat er, in ieder geval voor die periode, sprake is geweest van een bewuste schending van de inlichtingenplicht. Voor de periode dat eiseres werkzaamheden verrichtte in de beauty- en kapsalon van haar dochter heeft de rechtbank onder 6.3.2 al overwogen dat het Uwv deze werkzaamheden terecht heeft aangemerkt als op geld waardeerbaar. Het onderzoeksrapport Handhaving Inspectie van 30 juni 2021 bevat ook voldoende aanwijzingen dat in de betreffende periode betalingen voor de verrichte werkzaamheden aan eiseres hebben plaatsgevonden. De stelling van eiseres dat zij door het Uwv niet voldoende is begeleid of is gewezen op de risico’s die deze werkzaamheden opleverden voor haar recht op de WAO-uitkering wordt niet gevolgd. Het had in deze situatie op de weg van eiseres gelegen om zich daarover door het Uwv te laten informeren en uit het dossier blijkt dat zij daarover nooit contact met het Uwv heeft opgenomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat ook voor deze periode gesproken kan worden van een bewuste schending van de inlichtingenplicht.
7.3.
Voor het antwoord op de tweede vraag is relevant dat volgens de rechtspraak van de CRvB de financiële gevolgen van terugvordering van ten onrechte ontvangen uitkeringsbedragen zich pas voordoen bij de invordering of verrekening. Daarbij heeft de betrokkene de bescherming van onder meer de beslagvrije voet. De gevolgen van de terugvordering worden ook beperkt door de regels over kwijtschelding (artikel 57, derde, vierde en vijfde lid, van de WAO). Als bij invordering daarmee rekening is gehouden, is voldoende acht geslagen op de financiële gevolgen in het kader van de dringende reden. [5] In dit geval is met eiseres een betalingsregeling afgesproken van netto € 133,- per maand, waarin rekening is gehouden met haar aflossingscapaciteit. Aldus heeft het Uwv voldoende rekening gehouden met de financiële gevolgen van de terugvordering voor eiseres, zodat deze geen aanleiding vormen voor het aannemen van een dringende reden om de terugvordering te matigen. Voor zover eiseres heeft gewezen op de sociale en psychische gevolgen van de terugvordering twijfelt de rechtbank er niet aan dat een en ander eiseres zeer heeft aangegrepen. Het enkele gegeven dat eiseres zich in juni 2024 met psychische en depressieve klachten bij haar huisarts heeft gemeld en is onderzocht door de praktijkondersteuner GGZ is echter onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van psychische gevolgen die een dringende reden voor matiging van de terugvordering vormen.
7.4.
Van enige vorm van strijd met beginselen van behoorlijk bestuur is de rechtbank niet gebleken. Uit het antwoord op de voorgaande twee vragen vloeit dan ook voort dat het beroep van eiseres op de aanwezigheid van een dringende reden niet slaagt.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit tot herziening en terugvordering van de WAO-uitkering van eiseres in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van E.T. Rietbroek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 7:12
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. (…)
Wet op de arbeidsongeschiktheid (WAO)
Artikel 36a
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een beschikking tot toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering en terzake van weigering van een zodanige uitkering, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijke beschikking of trekt hij die in:
a. (…)
b. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25, 28 of 80 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;
(…)
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking als bedoeld in het eerste lid af te zien. (…)
Artikel 57
1. De uitkering, de loonsuppletie, bedoeld in artikel 65c, en de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 65d, die als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
2. (…)
3. In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien degene van wie wordt teruggevorderd:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.
4. De in het derde lid, onderdelen a, b en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 80.
5. De in het derde lid, onder a en b, genoemde termijn is drie jaar indien:
a. het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 80.
6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
7. (…)
Artikel 80
1. Degene, die de wachttijd, bedoeld in artikel 19 doormaakt Pro, dan wel aanspraak maakt op of in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, diens wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel 54 de Pro arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt uitbetaald, zijn verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan het hun redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag, dat daarvan wordt uitbetaald. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
2. (…)

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 2 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1279.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 1 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN0957.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646.
5.Uitspraak van de CRvB van 19 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:277, r.o. 4.11.