Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7140

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
NL26.11707 en NL26.11708
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 8:54 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk

Eiser, met de Ethiopische nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit op het feit dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag volgens het Dublin-systeem.

Eiser voerde aan dat zijn medische situatie, waaronder een aanstaande heupoperatie en revalidatie, een overdracht aan Frankrijk in de weg staat. Tevens verwees hij naar het AIDA-rapport 2024 dat problemen met de opvang in Frankrijk zou aantonen. De rechtbank oordeelde echter dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel blijft gelden en dat de problemen in Frankrijk niet zodanig structureel en ernstig zijn dat sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro.

De rechtbank stelde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Frankrijk niet adequaat geholpen kan worden of dat hij zich niet tot de Franse autoriteiten kan wenden. Ook is niet gebleken dat Nederland het aangewezen land is voor medische behandeling, aangezien Frankrijk vergelijkbare voorzieningen kent. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. Tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Eiser kan binnen zes weken een verzetschrift indienen tegen de uitspraak op het beroep.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.11707 en NL26.11708
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. M. Timmer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Ethiopische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 2001 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niets eens met het bestreden besluit en stelt dat zijn medische situatie aan een overdracht aan Frankrijk in de weg staat. Eiser stelt dat hij verwacht binnen afzienbare termijn een operatie aan zijn heup te ondergaan en dat hij na de operatie verwacht te moeten revalideren. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met eisers medische situatie als kwetsbare derdelander. Eiser verwijst naar het AIDA-rapport (update 2024) en stelt dat er problemen zijn met de opvang in Frankrijk.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank oordeelt dat de Franse autoriteiten met het claimakkoord in beginsel verantwoordelijk zijn voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser. Dit is alleen anders als moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM [2] en artikel 4 van Pro het Handvest. [3] In de uitspraken van 4 september 2024 [4] heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geoordeeld dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om het vermoeden te weerleggen dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat volgens Afdelingsrechtspraak ten aanzien van Frankijk nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [5] In de uitspraak van 5 april 2023 heeft de Afdeling geoordeeld dat alhoewel er kan worden aangenomen dat sprake was van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in Frankijk, niet is gebleken dat die problemen zodanig structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. [6] Het beroep van eiser op het AIDA-rapport (update 2024) maakt dat niet anders. De Afdeling heeft bij uitspraak van 31 juli 2025 geoordeeld dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst dan de landeninformatie die de Afdeling bij de uitspraak van 30 augustus 2024 [7] heeft betrokken. Mocht eiser in Frankrijk problemen ervaren, dan dient hij zich hiervoor te wenden tot de (hogere) Franse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet mogelijk is of dat de Franse autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen helpen.
6. Wat betreft eisers medische situatie dat hij binnen afzienbare tijd wordt geopereerd aan zijn heup, blijkt niet uit de overlegde stukken. Daarnaast is niet gebleken dat Nederland het aangewezen land is om eiser te behandelen, nu Frankrijk vergelijkbare medische voorzieningen kent als Nederland. Verweerder stelt dat, als eiser daarvoor toestemming geeft, op grond van artikel 32 van Pro de Dublinverordening, hij de Franse autoriteiten voorafgaand aan de overdracht kan inlichten over eisers medische situatie. Verweerder hoefde gelet op het voorgaande geen individuele garanties bij de Franse autoriteiten te vragen.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [8] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Zie de uitspraken van de Afdeling van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455 en ECLI:NL:RVS:2024:3456.
5.Zie de uitspraken van de Afdeling van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623, 7 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3724 en 17 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5715.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1318.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552.
8.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.