ECLI:NL:RBDHA:2026:6485

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
NL26.13659
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling

Eiser, een Marokkaanse vreemdeling, maakte bezwaar tegen het voortduren van zijn maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend was in het boeken van vluchten voor zijn uitzetting naar Marokko en dat afspraken over een vergoeding niet werden nagekomen.

De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring vanaf 5 maart 2026, nadat eerder de maatregel rechtmatig was bevonden. Uit de voortgangsrapportage bleek dat de Marokkaanse nationaliteit van eiser was bevestigd en dat een laissez-passer was aangevraagd en verwacht. De vlucht van 5 maart werd geannuleerd vanwege verzet van eiser tijdens het transport, waarbij geweld werd toegepast, hetgeen niet werd betwist.

De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld door snel een nieuwe vlucht te boeken en de uitzetting te plannen voor 24 maart 2026. Er was geen reden om het voortduren van de bewaring onrechtmatig te achten. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13659

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Toonders).

Procesverloop

Verweerder heeft op 26 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd, vergezeld van onderliggende stukken.
Eiser heeft hierop (aanvullend) gereageerd .
De rechtbank heeft verweerder op 16 maart 2026 verzocht om schriftelijke vragen te beantwoorden. Verweerder heeft hier op 17 maart 2026 op gereageerd.
Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om hierover een aanvullend standpunt in te nemen.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 18 maart 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1989 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en de voortduring daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 november 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. [1] Daarom staat nu, beoordeling of sinds 5 maart 2026 het voorduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting naar Marokko. Eiser ging er van uit dat hij op 26 februari jl. zou terugvliegen, maar op die datum bleek hem dat er geen vlucht was geboekt. De geplande vlucht op 5 maart 2026 is geannuleerd. Tegen eiser werd gezegd dat er een probleem zou zijn met het transportmiddel. Uit de voortgangsrapportage blijkt nu dat pas voor 24 maart 2026 een nieuwe vlucht is geboekt, ruim één maand na ontvangst van zijn LP. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de vluchten niet tijdig worden geboekt dan wel geannuleerd en er is onvoldoende gemotiveerd wat er in de M120 wordt bedoeld met de mededeling ‘verzet onbegeleide vreemdeling’. Eiser stelt dat hij gedurende de gehele procedure medewerking heeft verleend aan zijn uitzetting. Verweerder komt nu ten onrechte terug op de reeds bevestigde afspraak dat eiser een bedrag van €2000 zal verkrijgen indien hij zijn medewerking verleent aan de uitzetting. Dit raakt de rechtmatigheid van de bewaring, het niet nakomen van afspraken is in strijd met de beginselen van een goede procesorde.
5. Uit het op 12 maart 2026 ingediende voortgangsrapport M120 en de daarnaast overgelegde onderliggende stukken van verweerder blijkt dat eisers Marokkaanse nationaliteit op 11 februari 2026 is bevestigd door de Marokkaanse autoriteiten en dat de afgifte van een LP op dat moment werd verwacht op 18 februari. De toezegging van de afgifte van een LP is ook met eiser besproken tijdens een vertrekgesprek op 16 februari. Op 19 februari is een akkoord gekregen van de Koninklijke Marechaussee en is akkoord gevraagd aan de luchtvaartmaatschappij. Op 26 februari is hierover een rappel verzonden naar de luchtvaartmaatschappij. Op 27 februari is bevestigd dat eiser op 5 maart zou vliegen. Eiser heeft zijn verwachting dat hij al op 26 februari zou vertrekken niet onderbouwd. Ook overigens bevatten de stukken geen aanknopingspunten voor eisers aanname. Het genoemde voortgangsrapport vermeldt verder dat op 5 maart de vlucht is geannuleerd “i.v.m. verzet onbegeleide vreemdeling”. Verweerder heeft desgevraagd in zijn reactie van 17 maart 2026 toegelicht hoe eiser zich op 5 maart 2026 fysiek en verbaal heeft verzet tijdens het transport onderweg naar Schiphol.. Medewerkers van DV&O hebben daarbij met geweld opgetreden tegen eiser. Dit laatste wordt door eiser als zodanig niet bestreden. Ook uit eisers eigen uitlatingen tijdens het vertrekgesprek van 16 maart 2026, zoals daarvan blijkt uit het hiervan opgemaakte verslag, kan worden afgeleid dat tijdens de reis naar Schiphol zich een situatie heeft voorgedaan die aanleiding is geweest om geweld toe te passen tegen eiser. Of dit geweld proportioneel en rechtmatig is geweest staat hier niet ter beoordeling. Wel is hiermee voldoende feitelijk onderbouwd dat de uitzetting op 5 maart 2026 inderdaad is geannuleerd in verband met het gedrag van eiser op dat moment. Voor zover daarnaast de transportbus waarmee eiser werd vervoerd een klapband heeft gehad, heeft dat mogelijk bijgedragen aan de onmogelijkheid om eiser op die dag uit te zetten. Wat daar ook van zij, uit de gang van zaken op 5 maart 2026 kan niet worden afgeleid dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De voortgangsrapportage vermeldt vervolgens dat verweerder op 6 maart 2026 een nieuwe vlucht heeft aangevraagd, waarna op 9 maart 2026 een escortopdracht is ontvangen. Op 11 maart 2026 is duidelijk geworden dat eiser op 24 maart 2026 zal worden uitgezet. Verweerder heeft in dat verband in zijn reactie van 16 maart jl. toegelicht dat opnieuw afspraken moesten worden gemaakt met de luchtvaartmaatschappij en dat rekening moest worden houden met de beschikbaarheid van escorts n escortcommandanten.
6. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat verweerder tot op heden voldoende voortvarend heeft gewerkt aan eisers uitzetting.
7. Ook overigens is er geen reden om het voortduren van de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig te achten.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 25 maart 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb Den Haag (zittingsplaats Middelburg) 17 november 2025, ECLI:NL:RBHDA:2025:2159, 16 december 2025,.ECLI:NL:RBDHA:2025:24096, 27 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1328, 17 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3064 en 10 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:4891.