ECLI:NL:RBDHA:2026:4891

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
NL26.10741
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, onder a, VwArt. 96, derde lid, Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling

Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, is op 5 november 2025 onderworpen aan een maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting.

Eiser stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde bij zijn uitzetting naar Marokko, omdat hij verwachtte op 26 februari 2026 te vliegen terwijl er toen nog geen vlucht geboekt was. Verweerder overlegde een voortgangsrapport waaruit bleek dat op 19 februari 2026 een vluchtaanvraag was verzonden en geaccordeerd, en dat de vlucht uiteindelijk op 5 maart 2026 was geboekt.

De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek rechtmatig was en dat het voortduren daarvan sinds 10 februari 2026 eveneens rechtmatig is. Het beroep is daarom ongegrond verklaard. Tevens is het verzoek om schadevergoeding afgewezen en is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10741

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Kanters).

Procesverloop

Verweerder heeft op 5 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 5 maart 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1989 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en de voortduring daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. [1] Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 10 februari 2026 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt aan eisers uitzetting naar Marokko. Eiser ging er vanuit dat hij op 26 februari 2026 zou terugvliegen, maar er was toen nog geen vlucht voor eiser geboekt. Uit het voortgangsrapport volgt eveneens niet waarom eiser niet heeft kunnen vliegen en wanneer eisers vlucht naar Marokko wel is geboekt.
5. Uit het voortgangsrapport volgt dat op 19 februari 2026 een vluchtaanvraag is verzonden. Uit het verweerschrift volgt dat deze vluchtaanvraag op dezelfde dag is geaccordeerd en naar de reisagent is verstuurd in afwachting van de vluchtgegevens. Op 26 februari 2026 is door verweerder een rappel verzonden, wegens het uitblijven van een reactie van de reisagent. Op dezelfde datum heeft verweerder een akkoord ontvangen, waarna op 27 februari 2026 bekend is geworden dat eisers vlucht naar Marokko op 5 maart 2026 is geboekt. Gelet op het voorgaande wordt eiser niet gevolgd in zijn standpunt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn uitzetting.
6. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment in de te beoordelen periode onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om toekenning van een schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 10 maart 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb Den Haag (zittingsplaats Middelburg) 17 november 2025, ECLI:NL:RBHDA:2025:2159, 16 december 2025,.ECLI:NL:RBDHA:2025:24096, 27 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1328 en 17 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3064.