Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6456

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
NL25.24578
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8 EVRMArt. 14 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit minister inzake afwijzing mvv-aanvraag wegens inburgeringseis

Eiser, van Indiase nationaliteit, diende een mvv-aanvraag in om bij zijn echtgenote en minderjarige zoon in Nederland te verblijven. De minister wees de aanvraag af omdat eiser het inburgeringsexamen in het buitenland niet had behaald en geen ontheffing kreeg. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet in aanmerking komt voor ontheffing en dat het vasthouden aan de inburgeringseis niet evenredig is in dit geval.

De rechtbank stelt vast dat de minister ten onrechte van het horen van eiser en zijn gezin heeft afgezien, terwijl het bezwaar niet kennelijk ongegrond was. Ook is onvoldoende rekening gehouden met het beschermingswaardige gezinsleven en de belangen van het minderjarige kind, dat via een kindgesprek zijn mening heeft gegeven. De rechtbank constateert dat het inburgeringsvereiste feitelijk onderscheid maakt op grond van etnische afkomst, wat volgens het EVRM verboden is.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens moet de minister het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige motivering, hoorplicht en het respecteren van kinderrechten in bestuursrechtelijke procedures.

Uitkomst: Het besluit van de minister tot afwijzing van de mvv-aanvraag wordt vernietigd en de minister moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.24578

[V-Nummer]

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1982, van Indiase nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. W. Hoebba),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. F. In den Bosch).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een mvv [1] . Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister niet in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De inhoudelijke beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.
De rechtbank beantwoordt de vraag of van een kennelijk ongegrond bezwaar sprake was en of de minister om die reden van het horen mocht afzien. In het verlengde daarvan komt als eerste aan de orde of de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser niet in aanmerking komt voor ontheffing van het inburgeringsvereiste. Daarna gaat de rechtbank in op de vraag of de minister voldoende heeft onderzocht en gemotiveerd dat vasthouden aan de inburgeringseis in dit geval evenredig is. Vervolgens zal de rechtbank nagaan of de minister voor de beoordeling of er sprake is van een beschermingswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [2] de intensiteit van de banden van de betrokkenen en hun belangen kenbaar heeft geïnventariseerd en betrokken, en in het bijzonder de belangen van het minderjarige kind [persoon 1] .
Tot slot zal de rechtbank ingaan op de vraag of het inburgeringsvereiste [3] in strijd is met artikel 7, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn [4] , artikel 14 van Pro het EVRM en artikelen 20 en 21 van het Handvest [5] , omdat het vereiste discrimineert op grond van ras en afkomst. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Op 20 juni 2023 heeft eiser een mvv-aanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 12 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van
6 mei 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon 2] (de echtgenote van eiser, hierna: referente), [persoon 1] (de minderjarige zoon van eiser en referente), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Voorafgaand aan de zitting heeft [persoon 1] door middel van een kindgesprek met de rechter en griffier die de zaak behandelen de gelegenheid gekregen om zijn mening kenbaar te maken over deze procedure. Een samenvatting van dit kindgesprek is met partijen op zitting besproken.
2.3.
De rechtbank heeft voor [persoon 1] een aparte samenvatting van de beslissing gemaakt. Deze samenvatting is als bijlage aan deze uitspraak gehecht en maakt onderdeel uit van deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond en besluitvorming
3. Eiser beoogt verblijf bij referente en hun zoon [persoon 1] . Eiser en referente zijn eerder van 30 oktober 2006 tot 3 december 2015 met elkaar gehuwd geweest. Uit dit huwelijk is op 26 maart 2008 [persoon 1] geboren. Referente en [persoon 1] hebben de Indiase nationaliteit en zij wonen sinds 2017 in Nederland. Zij zijn in het bezit van het document ‘duurzaam verblijf als burgers van de Unie’. Eiser en referente zijn op 1 mei 2022 opnieuw met elkaar gehuwd. Eiser heeft in 2023 en 2025 met een visum voor kort verblijf bij referent en hun zoon verbleven.
3.1.
Eiser heeft bij zijn mvv-aanvraag om ontheffing van het inburgeringsvereiste gevraagd, omdat hij na vele inspanning er niet in geslaagd is om het examen met succes af te leggen. Eiser was ten tijde van de aanvraag al vier keer gezakt voor het examen.
3.2.
De minister heeft de afwijzing van de aanvraag met het bestreden besluit in stand gelaten, omdat eiser het inburgeringsexamen in het buitenland niet heeft behaald en hij niet in aanmerking komt voor ontheffing ervan. Dit heeft de minister als volgt gemotiveerd.
Eiser stelt sinds juli 2022 bezig te zijn met het examen, hij is vier keer gezakt. Hij heeft echter niet onderbouwd dat hij voldoende inspanningen heeft geleverd om het inburgeringsexamen te behalen, aldus de minister. De door eiser gestelde laaggeschooldheid en zijn medische toestand zijn bij de beoordeling betrokken maar leiden niet tot ontheffing. De kennis voor dit examen ligt immers op basisniveau en de aangeboden zelfstudiepakketten zijn geschikt voor analfabeten. Uit de medische onderzoeken van een door de ambassade aangeboden arts blijkt dat eiser hypochonder is, angstklachten heeft en een geschiedenis kent van opiummisbruik. De cognitieve vaardigheden van eiser zijn echter onbeperkt. Aan de verklaring van Sandhu Dutch Coaching van 4 mei 2023 dat eiser in de periode van mei 2022 tot maart 2023 Nederlandse les heeft gevolgd en de nadere toelichting van referente dat dit twee uur per dag en zes keer per week was, hecht de minister weinig waarde, omdat het onaannemelijk is dat eiser desondanks zulke lage scores haalt.
De minister volgt eiser er niet in dat het inburgeringsvereiste in strijd is met artikel 7, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, artikel 14 van Pro het EVRM en artikelen 20 en 21 van het Handvest van de Europese Unie. De wetgever heeft het handhaven van het bestaande verschil tussen diegenen die mvv-plichtig zijn en diegenen voor wie die plicht niet geldt, vanwege buitenlandse en economische betrekkingen met sommige landen van groter belang geacht dan het belang van het inburgeren in het buitenland voor de onderdanen van deze beperkte groep landen. [6]
Dat eiser een gezinsleven heeft met referente en hun minderjarige zoon leidt evenmin tot vergunningverlening omdat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM in het nadeel van eiser uitvalt. Volgens de minister is het bezwaar kennelijk ongegrond. Daarom heeft de minister van het horen afgezien.
Over de hoorplicht
4. Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. [7] Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan, zeker in artikel 8 EVRM Pro zaken en als een minderjarige betrokken is, maar ook gelet op de verschillende functies van de hoorzitting, zoals het in onderling overleg komen tot een oplossing. [8]
4.1
De rechtbank is van oordeel dat van een kennelijk ongegrond bezwaar in dit geval geen sprake is en dat de minister dus niet van horen kon afzien. De rechtbank motiveert dit hierna per onderwerp.
Ontheffing van inburgeringsexamen
5. Op grond van artikel 3.71a, tweede lid, onder c, van het Vb [9] , wordt een aanvraag zoals die van eiser niet afgewezen op de grond dat niet is voldaan aan de verplichting om het examen met goed gevolg af te leggen als er bijzondere individuele omstandigheden spelen die maken dat, bij handhaving van die verplichting, het onmogelijk of uiterst moeilijk is voor een vreemdeling om zijn recht op gezinshereniging uit te oefenen.
5.1.
In paragraaf B1/4.7 van de Vc [10] staat een opsomming van aspecten die de minister kan betrekken bij de beoordeling of er bijzondere individuele omstandigheden bestaan. De minister betrekt – voor zover relevant – de door de vreemdeling getoonde wil en geleverde inspanningen om zich voor te bereiden op en te slagen voor het examen. De behaalde scores voor een examenonderdeel kunnen een indicatie geven voor de geleverde inspanningen. Verder betrekt de minister onder andere het tijdsverloop sinds de start van de inspanningen. De inspanningen – gericht op zowel de voorbereidingen voor het examen als de pogingen het examen te halen– van de vreemdeling mogen niet zo lang duren dat uitoefening van het recht op gezinshereniging onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt. Ook betrekt de minister de aangevoerde aspecten als de gezondheidstoestand van de betrokken gezinsleden, de gemaakte kosten ter voorbereiding en/of het afleggen van het basisexamen, het opleidingsniveau of analfabetisme, de duur van het huwelijk en het tijdsverloop na de start van de inspanningen tot gezinshereniging.
5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser het examen in de periode tussen 2022 en 2024 in totaal vijf keer heeft afgelegd. Deze vijf pogingen hebben plaatsgevonden op de volgende data en hebben tot de volgende resultaten geleid (KNS = kennis Nederlandse samenleving, SV = spreekvaardigheid en
LV = leesvaardigheid):
9 juli 2022 uitslag: SV 1, LV 3, KNS 4
13 oktober 2022 uitslag: SV 1, LV 4, KNS 4
12 december 2022 uitslag: SV 1, LV 3, KNS 5
6 april 2023 uitslag: SV 1, LV 3, KNS 5
24 juni 2024 uitslag: SV 1, LV 3, KNS 4
5.3.
Gelet op het bovenstaande juridisch kader is de rechtbank van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen bijzondere individuele omstandigheden in de zin van artikel 3.71a van het Vb spelen. De rechtbank acht in dat kader van belang dat [persoon 1] tijdens het kindgesprek heeft verteld dat hij zijn vader in de periode tussen 2019 en 2024 via videobellen heeft geholpen met de Nederlandse taal. De rechtbank acht ook van belang dat eiser in de periode van mei 2022 tot maart 2023, twee uur per dag en zes keer per week Nederlandse les heeft gevolgd bij Sandhu Dutch Coaching Centre. Daarnaast heeft hij een uur per dag zelfstudie gedaan en ook met [persoon 1] geoefend. Eiser heeft in de periode tussen 2022 en 2024 het examen in totaal vijf keer heeft afgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit eisers wil en de door hem geleverde inspanningen om zich voor te bereiden op en te slagen voor het examen. Dit blijkt ook uit de verklaringen van [persoon 1] tijdens het kindgesprek. Zo verklaart hij dat zijn vader hard zijn best doet om Nederlands te leren maar dat het hem niet lukt om wat hij leert te onthouden, omdat hij antidepressiva slikt. Dit had tijdens een hoorzitting allemaal aan de orde kunnen komen. Verder heeft de minister in het bestreden besluit benoemd dat eisers hypochondrie, opiumgebruik en beperkte onderwijs het wellicht lastiger voor hem maken om voor het examen te halen, maar heeft met deze omstandigheden vervolgens niet kenbaar rekening gehouden. Ook over deze omstandigheden had tijdens de hoorzitting gesproken kunnen worden. Al deze omstandigheden zouden een verklaring kunnen zijn voor waarom er geen stijgende lijn is in de resultaten van de afgelegde examens. De rechtbank volgt de minister daarom niet in zijn standpunt dat er redelijkerwijs geen twijfel is dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich lang genoeg heeft ingezet om zich voor te bereiden op het examen en daarvoor te slagen. Het besluit is op dit punt onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.
Inburgeringseis en gezinshereniging
6. Het Hof [11] heeft in het arrest van 9 juli 2015 [12] overwogen dat het vooraf stellen van bepaalde integratievoorwaarden is toegestaan, maar alleen als deze voorwaarden de integratie vergemakkelijken. Het Hof heeft er daarbij op gewezen dat de integratievoorwaarden van artikel 7, tweede lid, eerste alinea, van de Gezinsherenigingsrichtlijn niet tot doel mogen hebben de personen te selecteren die hun recht op gezinshereniging zullen kunnen uitoefenen, maar dienen hun integratie in de lidstaten te vergemakkelijken.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister ook niet kenbaar rekening gehouden met het feit dat eiser en referente eerder van 30 oktober 2006 tot 3 december 2015 met elkaar gehuwd zijn geweest, zij samen een kind hebben van bijna achttien jaar oud en zij al op 1 mei 2022 opnieuw gehuwd zijn. Referente en [persoon 1] verblijven sinds 2017 in Nederland. Referente heeft een baan en voldoet aan de inkomenseis. Tijdens het kindgesprek is gebleken dat de zoon van eiser de Nederlandse taal beheerst en zich sinds 2019 inzet om eiser te helpen met leren van Nederlands. Hij kan samen met referente eiser (verder) begeleiden in het ontdekken van de Nederlandse samenleving en het leren van Nederlands. Dat zijn factoren die (ook) de inburgering van eiser
natoelating kunnen faciliteren. In het geval van eiser kan de rechtbank dan ook niet zonder meer concluderen dat het vasthouden aan de voorwaarde van inburgering de integratie (wezenlijk) vergemakkelijkt. Ook daarover had op de hoorzitting (door)gesproken kunnen worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd dat het vasthouden aan het inburgeringseis in geval van eiser evenredig is.
6.2.
De rechtbank stelt aldus vast dat de minister eiser in deze zaak niet met de vereiste openheid en nieuwsgierigheid tegemoet is getreden. De rechtbank hecht er aan om in dit verband nog het volgende op te merken. Met regelmaat komt de rechtbank zaken tegen van mensen die niet van het inburgeringsexamen worden ontheven terwijl zij wel, zoals eiser, vier à vijf keer zonder succes aan het inburgeringsexamen hebben deelgenomen. Niet is in geschil dat eiser en referent langdurig gehuwd zijn geweest, uit dat huwelijk een zoon is geboren en zij vervolgens na een scheiding van zeven jaar elkaar weer in de liefde hebben gevonden. Eiser zet zich sinds 2022 in om zich bij zijn vrouw en hun thans nog net niet 18-jarige zoon te voegen. Aan alle voorwaarden wordt voldaan, behalve het inburgeringsexamen. Zou eiser in een situatie als deze nu echt de kantjes ervan af lopen terwijl hij, zoals de minister stelt, met enige inspanning het inburgeringsexamen zou moeten kunnen halen en hij met enige inspanning dus al jaren in Nederland had kunnen zijn? De rechtbank herinnert de minister eraan dat belangrijke lessen uit de kindertoeslagenaffaire [13] – de overheid moet de burger in beginsel vertrouwen in plaats van wantrouwen en met een open houding naar de burger luisteren – ook gelden voor mensen die een verzoek doen om in Nederland te mogen zijn.
Artikel 8 EVRM Pro beoordeling
7. Zoals onder 4 is overwogen is het horen in bezwaar het uitgangspunt, met name in zaken waar artikel 8 van Pro het EVRM een rol speelt en een minderjarig kind betrokken is. Eiser heeft in bezwaar gewezen op zijn gezinsleven met referente en [persoon 1] en om een hoorzitting gevraagd. Door een belangenafweging te maken zonder te horen over de intensiteit van de banden van de betrokkenen en hun belangen is de gemaakte belangenafweging onzorgvuldig tot stand gekomen en kan de daaruit getrokken conclusie niet zonder meer gevolgd worden. Ook op dit punt is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en ondeugdelijk gemotiveerd.
Belangen van het minderjarig kind
8. Op grond van artikel 24, eerste lid, van het Handvest hebben kinderen die in staat zijn hun mening te vormen het recht om hun mening te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid. Op grond van het tweede lid van deze bepaling dienen de nationale autoriteiten bij alle handelingen in verband met kinderen rekening te houden met het belang van het kind.
8.1.
Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat artikel 24, eerste lid, van het Handvest niet de verplichting oplegt om het kind in alle gevallen te horen, maar wel dat het kind de mogelijkheid moet worden geboden om te worden gehoord, en over die mogelijkheid ook deugdelijk moet worden geïnformeerd. [14] Volgens het Hof vereist het recht van het kind om te worden gehoord dus niet dat het kind noodzakelijkerwijs wordt gehoord, maar impliceert dit wel dat er procedures en wettelijke voorwaarden aanwezig zijn om het kind in staat te stellen vrijelijk zijn mening te geven, en dat van deze mening kennis wordt genomen. Het is aan de lidstaten om alle passende maatregelen te nemen om het kind een daadwerkelijke en effectieve mogelijkheid te bieden om te worden gehoord, in overeenstemming met zijn leeftijd en rijpheid. Dit volgt ook uit de rechtspraak van de Afdeling [15] die weliswaar op een asiel- en Dublinzaak ziet maar ook van toepassing is op reguliere zaken, nu artikel 12, tweede lid, van het IVRK [16] en artikel 24, eerste lid, van het Handvest daarin geen onderscheid maken.
8.2.
De rechtbank leidt uit deze rechtspraak af dat de minister in een procedure zoals deze, waar de belangen van [persoon 1] een belangrijke rol spelen, [persoon 1] in de gelegenheid had dienen te stellen zijn mening vrijelijk te geven en alle passende maatregelen had moeten nemen om hem een daadwerkelijke en effectieve mogelijkheid te bieden om te worden gehoord. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de minister dergelijke passende maatregelen heeft genomen. De rechtbank stelt namelijk vast dat de minister [persoon 1] niet heeft geïnformeerd over zijn recht om zijn mening vrijelijk te uiten, hem niet heeft uitgenodigd voor het gehoor in de bezwaarfase, noch [persoon 1] op enige andere wijze in de gelegenheid heeft gesteld om zijn mening in deze procedure naar voren te brengen. De minister heeft daarmee niet voldaan aan zijn verplichting om [persoon 1] een daadwerkelijke en effectieve mogelijkheid te bieden om te worden gehoord. De belangen van [persoon 1] zijn in het geheel niet geïnventariseerd, vooropgesteld – zoals door artikel 3, eerste lid, van het IVRK en artikel 24, tweede lid, van het Handvest is voorgeschreven - en bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM betrokken. Ook op dit punt is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en ondeugdelijk gemotiveerd.
Tussenconclusie
9. Al op grond van het voorgaande is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Ook om de nakomende redenen is het beroep gegrond.
Inburgeringsexamen in het buitenland en het verbod op onderscheid
10. Dat van een kennelijk ongegrond bezwaar geen sprake was blijkt ook uit het feit dat de minister eerst in het bestreden besluit naar aanleiding van eisers punt over het inburgeringsexamen en het verboden onderscheid hierover een standpunt heeft ingenomen, dat ten tijde van de besluitvorming door de rechtbank al in meerdere uitspraken was verworpen. [17] Laatstelijk is ministers standpunt door deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag verworpen in de uitspraken van 31 juli 2025 [18] en 5 februari 2026 [19] .
Ministers verwijzing naar het voorlopige oordeel dat de Afdeling hierover geeft in de verwijzingsuitspraak van 11 juni 2025 [20] , doet aan het voorgaande niet af, omdat dat oordeel slechts summier is gemotiveerd. Bovendien moet het Hof zich nog uitspreken over de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld.
10.1.
Overigens blijft deze rechtbank van oordeel dat de regeling van het inburgeringsvereiste in het buitenland in vergelijkbare gevallen in feite een direct onderscheid maakt naar etnische afkomst. Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens is onderscheid op grond van etnische afkomst nimmer gerechtvaardigd in een democratische samenleving [21] . De rechtbank vindt voor het oordeel dat er bij het inburgeringsvereiste feitelijk sprake is van onderscheid op grond van etnische afkomst, in plaats van (enkel) nationaliteit, steun in het arrest van het Hof van 18 december 2025 [22] . Hieruit volgt eveneens dat alle facetten van een gehanteerd onderscheid in ogenschouw moeten worden genomen om te beoordelen of sprake is van onderscheid naar etnische afkomst.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikelen 3:2 (zorgvuldigheidsbeginsel), 7:2 (hoorplicht) en 7:12 (motiveringsbeginsel) van de Awb [23] en artikel 14 (verboden onderscheid) van het EVRM. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
11.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
11.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 6 mei 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.

BIJLAGE – Samenvatting van de uitspraak voor [persoon 1]

Beste [persoon 1] ,
Wij hebben elkaar op donderdag 19 februari 2026 gesproken, in aanwezigheid van mijn collega (de griffier). Je hebt me toen verteld dat je het heel moeilijk vindt dat je vader nog niet bij jullie kan zijn. De familie breekt daardoor. Je vader heeft echt zijn best gedaan om het examen te halen. Hij heeft veel uren geleerd. Jij hebt hem daar ook bij geholpen, eigenlijk al vanaf 2019. Ook heb je hem gezegd dat hij in India naar een school moest gaan om Nederlands te leren. Dat heeft jouw vader ook gedaan. Je vader probeert Nederlands te leren maar het lukt hem niet te onthouden. Dat komt door antidepressiva die hij slikt. Ook de school in India zegt dat het jouw vader niet lukt om Nederlands te leren.
Ook heb je me verteld dat je al een lange tijd bent opgegroeid zonder jouw vader. Die tijd kun je niet terugkrijgen, maar zijn steun heb je nog steeds nodig. Jullie bellen elkaar dagelijks, soms twee keer per dag. In november 2025, toen jouw opa was overleden, voelde jouw vader zich eenzaam. Je had toen meer contact met hem, en ook langer. Je hebt me verteld dat je graag zou willen dat jouw vader naar jou en jouw moeder in Nederland kan komen. Ook jouw moeder heeft jouw vader nodig.
Dan vertel ik je nu mijn beslissing, [persoon 1] .
Ik vind dat de minister zijn werk niet goed heeft gedaan. Ik vind dat hij niet goed heeft onderzocht of jouw vader zijn best heeft gedaan om voor de examens te slagen. Ook heeft de minister niet goed onderzocht wat zijn beslissing voor jou en jouw moeder betekent. De minister had jullie daarover moeten horen.
Dat betekent dat jouw ouders van mij gelijk krijgen. De minister moet opnieuw naar de aanvraag van jouw vader kijken. Dat betekent ook dat voor jou, helaas, het nog langer gaat duren voordat jij weet of jouw vader naar Nederland kan komen.
Ik moet je ook nog vertellen dat het kan zijn dat de minister het niet eens is met mijn beslissing. Hij kan dan ‘in hoger beroep’ gaan. Dat betekent dat hij dan aan hogere rechters vraagt of mijn beslissing juist is. Als de minister niet ‘in hoger beroep’ gaat dan is mijn beslissing definitief en moet de minister mijn opdracht uitvoeren.
Dag [persoon 1] , ik vind het hartstikke goed van je dat je bij me langs bent gekomen om mij te vertellen wat jij ervan vindt. Ik wens je het beste toe en hoop dat je de 26ste toch nog een fijne verjaardag hebt.
Groetjes,
De rechter
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
3.Zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000.
4.Richtlijn 2003/86/EG.
5.Handvest van de Europese Unie.
6.De minister heeft verwezen naar Kamerstukken I 2004-205, 297000 E, p.6-7.
7.Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.
9.Vreemdelingenbesluit 2000.
10.Vreemdelingencirculaire 2000.
11.Het Hof van Justitie van de Europese Unie.
12.Zie het arrest van het Hof van 9 juli 2015 in de zaak C153/15, K en A.
13.Ongekend Onrecht - Verslag Parlementaire onderragingscommissie Kinderopvangtoeslag, Kamerstuk 35 510, nr. 2, Tweede Kamer der Staten-Generaal
14.Zie het arrest Aguirre Zarraga van 22 december 2010 in de zaak C-491/10, ECLI:EU:C:2010:828 en het arrest Sagrario van 12 september 2024 in de zaak C-63/23, ECLI:EU:C:2024:739.
16.Het Kinderrechtenverdrag.
17.De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 16 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5396, geoordeeld dat het inburgeringsvereiste in strijd is met het verbod op discriminatie, zoals dat is neergelegd in artikel 14 van Pro het EVRM. De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak en tegen de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 23 januari 2023. De Afdeling heeft op 11 juni 2025 uitspraak gedaan en aanleiding gezien om over dit onderwerp prejudiciële vragen te stellen aan het Hof.
21.Zie in dit verband de arresten van het EHRM in de zaken: D.H. and Others v. the Czech Republic van 13 november 2007, 57325/00 r.o. 176, Sejdić and Finci v. Bosnia and Herzegovina van 22. december 2009, 27996/06 en 34836/06, en Biao v. Denemarken van 24 mei 2016, 38590/10, r.o. 94.
22.ECLI:EU:C:2025:1017 en met name r.o. 81/86, 92, 105, 126/127 en 128/129.
23.Algemene wet bestuursrecht.