Eiser ontving sinds januari 2017 een bijstandsuitkering. Na ontvangst van een schadevergoeding wegens een bedrijfsongeval in december 2016, herzag het college de uitkering en vorderde teveel betaalde bijstand terug. De schadevergoeding bestond uit meerdere onderdelen, waarvan het verlies van arbeidsvermogen en kosten huishoudelijke hulp centraal stonden.
Eiser voerde aan dat de schadevergoeding pas in 2023 was toegekend en dat deze als uitgesteld inkomen over de juiste periode moest worden verdeeld. Ook stelde hij dat het college een onjuiste vermogensgrens hanteerde en dat het deel voor huishoudelijke hulp ten onrechte als vermogen werd aangemerkt. Daarnaast klaagde hij over gebrekkige communicatie.
De rechtbank oordeelde dat de aanspraak op de schadevergoeding ontstond op de datum van het ongeval en dat deze als middelen in de zin van de Participatiewet moest worden meegenomen over de periode van bijstand. Het college had terecht de vermogensgrens van 2017 gehanteerd en het bedrag voor huishoudelijke hulp mocht als vrij besteedbaar vermogen worden beschouwd. De communicatie was voldoende geweest. Het beroep werd ongegrond verklaard en de terugvordering bevestigd.