ECLI:NL:CRVB:2025:1728
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens schadevergoeding voor verlies arbeidsvermogen
Appellante ontvangt sinds april 2020 bijstand op grond van de Participatiewet. Na een ongeval in juni 2020 ontving zij een schadevergoeding van €17.429,50, bestaande uit medische kosten, smartengeld en een vergoeding voor verlies aan arbeidsvermogen. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht stelde dat een deel van deze vergoeding als inkomen moest worden gezien, waardoor te veel bijstand was verstrekt en vorderde terugbetaling.
Het college herzag de bijstand en vorderde een bedrag van €10.896,45 terug, waarbij het deel over de periode van januari tot juni 2021 werd gebruteerd. De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond, maar liet de terugvordering grotendeels in stand. Appellante stelde dat de vergoeding als smartengeld geen inkomen was en dat de brutering onterecht was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de vergoeding voor verlies aan arbeidsvermogen naar haar aard inkomen is en dat de brutering terecht is toegepast omdat appellante niet tijdig melding maakte van de vergoeding. Het hoger beroep wordt verworpen, de terugvordering blijft gehandhaafd en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van bijstand blijft gehandhaafd.