ECLI:NL:RBDHA:2026:582

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
NL25.43156
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing asielaanvraag en terugkeer naar Bulgarije

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, op 9 januari 2026 uitspraak gedaan in een beroep van een Syrische asielzoeker tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag door de Minister van Asiel en Migratie. De eiser, geboren in 1992, heeft op 11 februari 2025 asiel aangevraagd in Nederland, na een reis waarbij hij door Bulgarije is gekomen. De minister heeft de aanvraag op 4 september 2025 afgewezen, omdat eiser in Bulgarije internationale bescherming had gekregen. Eiser heeft beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening, die op 1 december 2025 is behandeld. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat, wat betekent dat de minister mag aannemen dat de behandeling van asielzoekers in Bulgarije in overeenstemming is met internationale normen. Eiser heeft niet overtuigend aangetoond dat zijn situatie in Bulgarije zo ernstig is dat hij niet kan terugkeren. De rechtbank concludeert dat de minister de aanvraag niet-ontvankelijk mocht verklaren en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht .

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),

en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R. van Bekker).

Inleiding

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Syrische nationaliteit. Hij heeft op 11 februari 2025 een verblijfsvergunning asiel gevraagd in Nederland.
2. In dit kader heeft op 1 september 2025 een gehoor plaatsgevonden. Eiser heeft op het verslag hiervan gereageerd met correcties en aanvullingen.
3. De minister heeft op 2 september 2025 een voornemen uitgebracht. Hier heeft eiser op gereageerd met de zienswijze van 3 september 2025.
4. Met het besluit van 4 september 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als niet-ontvankelijk1 en beslist dat eiser onmiddellijk naar Bulgarije moet gaan.
5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en gelijktijdig een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om de beslissing op het beroep in Nederland te mogen afwachten (met kenmerk: NL25.43158). De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde deelgenomen, evenals tolk H. Barzizaoua. Ook was de gemachtigde van de minister aanwezig.

Aanleiding voor eisers asielaanvraag in Nederland (in essentie)

6. Eiser is van Koerdische afkomst. Hij is met zijn vrouw en kinderen uit Syrië naar Nederland gevlucht. Tijdens deze reis is eiser onder meer door Bulgarije gekomen, waar zijn vingerafdrukken zijn afgenomen en hij een asielvergunning heeft gekregen. Eiser stelt dat hij ongeveer een jaar in Bulgarije heeft verbleven, maar daar geen vaste verblijfplaats of structureel werk had. Eiser wil niet terugkeren naar Bulgarije, omdat hij zijn kinderen niet in Nederland wil achterlaten. Ook heeft eiser verklaard dat hij aan de Bulgaarse grens, toen hij zijn vingerafdrukken niet wilde afgeven, door politieagenten is geslagen. Asielzoekers zouden in Bulgarije geen hulp krijgen en er zou geen school of werk zijn. Voor Syriërs is in dat land volgens eiser geen mogelijkheid om te leven.
1. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (de Vw) j.o. artikel 3.106a, eerste lid, onder a tot en met e, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

Bestreden besluit en voornemen (in essentie)

7. De minister heeft eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser in Bulgarije internationale bescherming heeft sinds 31 januari 2024. Eiser moet daarom terugkeren naar Bulgarije. Dit is mogelijk, omdat ten aanzien van Bulgarije uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.2 De algemene situatie is voor statushouders namelijk niet zo slechts dat zij een reëel risico op ernstige schade lopen.3 De minister erkent dat uit het rapport dat eiser aanhaalt blijkt dat de omstandigheden in Bulgarije moeilijk zijn. Dit is echter niet van een dusdanige ernst dat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden.
8. Eiser heeft over zijn specifieke situatie meegedeeld dat hij is geslagen toen hij aan de grens weigerde vingerafdrukken af te geven. Ook had hij geen werk en woning. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat de Bulgaarse autoriteiten hem hierbij niet zouden kunnen of willen helpen. Als het gaat om toegang tot adequate medische zorg in Bulgarije, dan werpt de minister tegen dat eiser hierover in het gehoor heeft verklaard dat hij wel toegang had tot zorg. Dat hij hiervoor moest betalen betekent niet dat hij geen toegang had tot zorg.
9. Van belang is verder dat eiser geen gezinslid is van een persoon met een asielvergunning in Nederland.4

Beoordeling door de rechtbank

10. De rechtbank stelt als uitgangspunt voorop dat de minister voor Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.5 Dit betekent dat de minister in beginsel ervan uit mag gaan dat de behandeling van een vreemdeling in de lidstaat waar de betrokkene internationale bescherming geniet, in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Het is aan eiser om dat vermoeden te weerleggen.
11. De rechtbank overweegt dat het feit dat eiser een verblijfsvergunning asiel heeft in Bulgarije in principe betekent dat hij een zodanige band heeft met het land dat het redelijk voor hem is terug te gaan. Van dit uitgangspunt moet worden afgeweken indien er bijzondere feiten en omstandigheden zijn die tot een andere conclusie leiden.6
2 De minister verwijst naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3967, 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4592 en
15 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:650.
3 Als bedoeld in artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de EU.
4 Artikel 29, tweede lid, van de Vw.
5 Uitspraak van de Afdeling van 7 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5536.
6 Uitspraak van de Afdeling van 15 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4685 r.o. 3 en r.o. 3.1.
12. In het navolgende zal de rechtbank beoordelen of wat eiser heeft aangevoerd aanleiding geeft een uitzondering te maken op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de in beginsel voor eiser aanwezig geachte ‘zodanige band’ met Bulgarije.
De verblijfsomstandigheden in Bulgarije
13. Eiser stelt dat het asiel- en opvangsysteem in Bulgarije ernstige tekortkomingen vertoont. Ter ondersteuning wijst eiser op het AIDA rapport van maart 2025 waar volgens hem uit volgt dat er in Bulgarije voor statushouders extreem beperkte toegang is tot basisrechten, zoals werk en huisvesting. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft volgens eiser nog geen inhoudelijke uitspraak gedaan over dit rapport. De rechtbank overweegt dat de Afdeling over eerdere versies van het AIDA rapport heeft geoordeeld dat hieruit geen aanknopingspunten volgen voor de conclusie dat vreemdelingen die naar Bulgarije terugkeren (in die zaak Dublinclaimanten) geen toegang tot opvang hebben. 7 Uit een cijfermatige weergave van aantallen vreemdelingen die inreizen ten opzichte van opvangplekken kon dit volgens de Afdeling niet worden opgemaakt. Hierbij is overwogen dat Bulgarije een doorreisland is, omdat het zich aan de buitengrens van de EU bevindt en niet iedere vreemdeling die inreist daadwerkelijk in de opvang blijft in Bulgarije.8 Inmiddels heeft de Afdeling over het nieuwe AIDA rapport van maart 2025, anders dan eiser veronderstelt, wel tenminste twee zogeheten ‘omarmende’ uitspraken gedaan, waarbij de overwegingen van de rechtbank over dat nog uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel zijn onderschreven.9 Bovendien wijst eiser in de beroepsgronden niet op passages die wezenlijk anders zouden zijn in het rapport van maart 2025 ten opzichte van eerdere AIDA rapporten. Eiser doet een beroep op de uitspraak van deze rechtbank zittingsplaats Amsterdam. 10 Hieruit volgt weliswaar dat het aantal keer dat
gebruikis gemaakt van een integratievoorziening in Bulgarije is gedaald, maar daaruit kan geen directe relatie met de (afwezigheid van)
toegangtot voorzieningen opgemaakt worden. Het kan er op wijzen dat Bulgarije, wellicht meer dan voorheen, voornamelijk als doorgangsland functioneert. Ook heeft de minister ter zitting verduidelijkt dat het bij de in het rapport genoemde integratievoorzieningen specifiek gaat om door de EU gefinancierde voorzieningen. Het gegeven dat Bulgaarse gemeenten hier minder gebruik van maken betekent niet dat het niet mogelijk is via andere wegen toegang tot hulp of voorzieningen te krijgen. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om ondersteuning van de Bulgaarse overheid zelf of van niet-gouvernementele organisaties (ngo’s). De beroepsgrond slaagt niet.
14. Eiser beroept zich ook op zijn persoonlijke ervaringen in Bulgarije. Hij was destijds dakloos en werkloos. Eiser kreeg niet de benodigde medische hulp. Daarnaast stelt eiser dat hij bij de grens door een politieagent mishandeld is. De rechtbank overweegt dat de minister kon tegenwerpen dat eiser voor het verkrijgen van huisvesting en werk geen hulp van de autoriteiten heeft gevraagd en zich ook niet heeft gewend tot de in het land aanwezige ngo’s. De enkele mededeling dat eiser wel aan andere Arabieren ter plaatse om hulp heeft gevraagd is onvoldoende. Verder heeft eiser wel gebruik gemaakt van medische zorg in Bulgarije, het gegeven dat hij een deel van de kosten zelf moest betalen is onvoldoende om aan te nemen dat hij geen toegang had tot medische zorg. Ook als het gaat om de gestelde mishandeling geldt dat eiser zich tot (hogere) autoriteiten in Bulgarije kon wenden, maar dit niet heeft gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
7 Uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3133 r.o. 4.11 t/m 4.13 en van van 27 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2647.
8 Uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3133 r.o. 4.11 t/m 4.13
9 Uitspraak van de Afdeling van 26 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2387 en uitspraak van 6 november 2025 (hoger beroep op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 8 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19497). Genoemde Afdelingsuitspraken zijn ten tijde van deze uitspraak alleen te benaderen via [internetsite] .
10 Eiser verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 2 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19177.
De gezinssituatie
15. Verder voert eiser aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het belang van de eenheid van zijn gezin en met de belangen van de kinderen, die onder meer zijn gelegen in de aanwezigheid van beide ouders in Nederland. Terugkeer naar Bulgarije heeft tot gevolg dat eiser gescheiden wordt van zijn vrouw en twee minderjarige kinderen die in Nederland achterblijven, omdat zij hier asiel hebben gevraagd.
16. De rechtbank overweegt dat uit rechtspraak volgt dat het recht op familieleven en de rechten van het kind (gewaarborgd in artikel 7 en 24, tweede lid, van het EU Handvest) geen absoluut karakter hebben en onder voorwaarden kunnen worden beperkt.11 De minister heeft ter zitting verduidelijkt dat eisers vrouw en kinderen eventueel ook de asielaanvraag in Bulgarije kunnen voortzetten. Zij kiezen er zelf tot op heden voor dit niet te doen. Daarbij hebben eisers vrouw en kinderen nog geen asielstatus en zijn zij op dit moment enkel in Nederland in de asielprocedure. In deze situatie wordt familieleven en de aanwezigheid van beide ouders bij de kinderen dus niet onmogelijk gemaakt bij terugkeer van eiser naar Bulgarije. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

17. De minister mocht de aanvraag gezien het voorgaande niet-ontvankelijk verklaren.
18. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier.
11 Uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2668 r.o. 5.2.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
09 januari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.