ECLI:NL:RVS:2024:2647
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- N. Verheij
- J.M. Willems
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet in behandeling nemen aanvraag verblijfsvergunning asiel wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
De vreemdeling, met de Syrische nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid besloot deze aanvraag niet in behandeling te nemen, omdat op grond van de Dublinverordening Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. De vreemdeling stelde zich op het standpunt dat het AIDA-rapport over Bulgarije uit 2023 wezenlijke nieuwe feiten bevat die het interstatelijk vertrouwensbeginsel ondermijnen.
De rechtbank had het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin het interstatelijk vertrouwensbeginsel werd bevestigd, ondanks de omstandigheden beschreven in het AIDA-rapport. De vreemdeling voerde in hoger beroep aan dat bepaalde passages in het rapport over 2023 wezenlijk verschillen van die over 2022, met name over de wettelijke basis voor het uitsluiten van niet-kwetsbare Dublinclaimanten van opvang en voorzieningen.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft deze argumenten onderzocht en geconcludeerd dat de rapporten over 2022 en 2023 inhoudelijk grotendeels overeenkomen op de relevante punten. De mogelijkheid tot uitsluiting van opvang binnen het Bulgaarse systeem leidt niet tot een fundamentele systeemfout die de overdracht aan Bulgarije onaanvaardbaar maakt. Er is een rechtsmiddel tegen deze uitsluiting en geen aanwijzing dat Bulgaarse autoriteiten de vreemdeling niet zouden helpen.
Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en is de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.