ECLI:NL:RBDHA:2025:19497

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 oktober 2025
Publicatiedatum
24 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.24223
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 3.106a Vreemdelingenbesluit 2000Artikel 8 EVRMArtikel 4 EU Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Syriër met status in Bulgarije wegens ontbreken erbarmelijke omstandigheden

Eiser, een Syriër met internationale bescherming in Bulgarije sinds februari 2024, diende een asielaanvraag in Nederland in mei 2025. Hij stelde dat zijn verblijf in Bulgarije onder erbarmelijke omstandigheden was en dat hij vanwege zijn gezin in Nederland wilde verblijven. De minister wees de aanvraag af wegens niet-ontvankelijkheid, stellende dat eiser geen voldoende pogingen had gedaan om zijn situatie in Bulgarije te verbeteren en dat er geen sprake was van een situatie die zijn basisbehoeften ernstig bedreigde.

De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij wordt aangenomen dat Bulgarije de bescherming biedt die vereist is. Eiser slaagde er niet in dit vermoeden te weerleggen met objectieve informatie over ernstige schendingen na statusverlening. Zijn medische en woonsituatie in Bulgarije waren niet zodanig dat zij een uitzondering rechtvaardigen. Ook de door eiser aangevoerde catch-22 situatie werd niet als voldoende aangemerkt.

Ten aanzien van het gezinsleven oordeelde de rechtbank dat het verblijf van zijn echtgenote en kind in Nederland geen reden is om eiser verblijf in Nederland toe te staan. De echtgenote en kinderen uit een eerdere relatie vallen niet onder de bescherming van artikel 8 EVRM Pro in deze procedure. De rechtbank vond geen aantoonbare belemmeringen voor gezinsleven in Bulgarije.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de afwijzing van de asielaanvraag. Eiser krijgt geen verblijfsvergunning en geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.24223
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. M. Erik),

en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: R. Mandersloot).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 28 mei 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1998]. De minister heeft met het bestreden besluit van 27 mei 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als niet ontvankelijk.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2025, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep (zaaknummer NL25.24224), op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J.A. Matty als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft sinds 12 februari 2024 internationale bescherming in Bulgarije. Hij heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend omdat zijn vrouw en dochter hier een asielprocedure doorlopen en omdat zijn woon- en werksituatie en zijn medische situatie in Bulgarije slecht was.
Het bestreden besluit
4. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eiser geen pogingen heeft gedaan om zijn situatie te verbeteren, klachten in te dienen bij officiële instanties of hulp hierbij te zoeken bij andere organisaties. Er is geen sprake van een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen, en waardoor zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid worden geschaad of zijn leefomstandigheden mensonwaardig worden. Zijn vrouw en kinderen hebben geen verblijfsvergunning in Nederland en kunnen eiser volgen naar Bulgarije, zodat ook daarom geen redenen bestaan om hem in Nederland verblijf toe te staan. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag niet ontvankelijk is.

De verblijfsomstandigheden in Bulgarije

5. Eiser heeft aangevoerd dat hij in Bulgarije onder erbarmelijke omstandigheden verbleef. In de asielprocedure heeft hij te maken gehad met een onmenselijke behandeling; na de grensoverschrijding is hij onder mensonterende omstandigheden gedetineerd geweest. Deze ervaringen heeft verweerder ten onrechte niet meegewogen bij het komen tot het standpunt dat eiser klachten moet indienen. Daar komt bij dat na de statusverlening de de omstandigheden slechter werden. Verweerder heeft dit selectief gelezen door enkel in te gaan op de situatie van voor de statusverlening. Verder heeft eiser meermaals geklaagd, maar daar is niets mee gedaan. De onverschilligheid van de Bulgaarse autoriteiten is evident. Verweerder is ook niet ingegaan op de foto's en video's die zijn overgelegd. Eiser heeft slechts twee baantjes gehad en had geen onderdak, maar woonde in een garagebox. Omdat hij zich niet kon registreren kwam hij niet in aanmerking voor onderdak, uitkering of verzekering. Het is ook maar zeer de vraag of hij bij terugkeer hier wel aanspraak op kan maken. Volgens eiser is sprake van erbarmelijke omstandigheden als bedoeld in het arrest Ibrahim (arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219).
6. De rechtbank overweegt dat in geval een derdelander als eiser in een andere EU- lidstaat internationale bescherming geniet, de minister er in beginsel van mag uitgaan dat de behandeling van deze vreemdeling in de lidstaat waar hij of zij internationale bescherming geniet, in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Dit uitgangspunt wordt ook wel het interstatelijk vertrouwensbeginsel genoemd. Het is aan de vreemdeling om dat vermoeden te weerleggen. Daarvoor kan hij objectieve informatie overleggen, en kan hij feiten stellen of verklaringen afleggen over zijn ervaringen in de lidstaat die hem internationale bescherming verleent, waaruit blijkt dat hij daar het risico loopt om te worden behandeld in strijd met artikel 4 van Pro het EU Handvest. Als de vreemdeling dat heeft gedaan, dan moet de minister motiveren waarom hij toch van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Zie het arrest Ibrahim, punten 83-85 en 88-89.
7. De rechtbank stelt vast dat de omstandigheden waarop eiser zich bij deze beroepsgrond op beroept, zich hebben afgespeeld in de periode vóór en na de statusverlening. De rechtbank is van oordeel dat in dit geschil slechts de omstandigheden van na de statusverlening relevant zijn. Over die periode heeft eiser verklaard dat hij beschikte over werk en onderdak. Dat dit slechts twee kortstondige baantjes en onderdak in een garagebox betreft, maakt niet dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser zich hierover niet heeft beklaagd. Van voldoende pogingen hiertoe bij officiële instanties is namelijk niet gebleken. Dat eiser dit nou zou durven gelet op zijn ervaringen met de autoriteiten voor zijn statusverlening, doet hier niet aan af. Met het verkrijgen van rechtmatig verblijf is zijn situatie veranderd en was is in die zin niet meer afhankelijk van de autoriteiten dat hij die hoefde te vrezen.
Eiser heeft verder verklaard medische problemen met zijn been te hebben; dit zou na inreis in Bulgarije zijn gebroken in het bos. Een arts heeft vanuit Turkije gezegd dat hij geen betrouwbare diagnose kon geven zonder het gezien te hebben, maar dat het waarschijnlijk drie opties waren. Namelijk een breuk, scheurtje in het bot of een bandenscheuring, en dat het waarschijnlijk door het lange lopen erger was geworden (pagina 10 van het aanmeldgehoor). De rechtbank leidt uit de verklaringen van eiser echter niet af dat hij hier na de statusverlening nog zodanig veel last had dat dit hem belemmerde bij het dagelijks functioneren. Zo heeft eiser verklaard dat hij een week in een restaurant heeft gewerkt maar vanwege de taalbarrière moest stoppen. Toen is hij gaan werken in een taartenfabriek, daar liep hij na tien dagen tegen hetzelfde aan (pagina 7 van het aanmeldgehoor). Ook overigens is niet gebleken van medische omstandigheden van eiser die op dit moment nog relevant zijn voor de beoordeling van deze beroepsgrond.
8. Voor zover eiser heeft verklaard dat er geen uitweg uit zijn situatie is en hij in een zogenoemde catch-22-situatie is terechtgekomen omdat de door hem benodigde voorzieningen niet direct beschikbaar zijn, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3966. Hetzelfde geldt voor het ter zitting gedane beroep in dit kader op het in de uitspraak aangehaalde AIDA-rapport over 2022. Uit de uitspraak volgt dat ten aanzien van Bulgarije nog steeeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Wat betreft eisers aanvulling op het aanmeldgehoord geldt dat hij aanvoert dat hij wel geklaagd heeft over de opvang in het vluchtelingenkamp in Harmanli, maar de rechtbank overweegt dat dit omstandigheden betreffen van vóór de statusverlening. Tijdens het aanmeldgehoor heeft hij verklaard dat hij nergens heeft geklaagd over zijn woonsituatie (pagina 7) nadien. Uit de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling leidt de rechtbank af dat dat NGO’s wel helpen bij het integreren, terwijl statushouders ook bij de Bulgaarse autoriteiten kunnen klagen als zij in een catch-22-situatie terechtkomen. De door eiser aangevoerde omstandigheden die ook zouden blijken uit het AIDA-rapport zijn ook niet zo dat statushouders structureel op grote schaal en voor langere periodes het risico lopen dat zij daadwerkelijk geen toegang hebben tot fundamentele behoeften zoals wonen, eten en zich wassen en statushouders daarom een reëel risico lopen op schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM.
9. In hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat eiser verkeerde in een situatie van bijzondere kwetsbaarheid, of dat er sprake is van zodanig bijzondere individuele omstandigheden dat de minister ondanks het hierboven overwogene eiser in het bezit had moeten stellen van de gevraagde
verblijfsvergunning. Evenmin is gebleken van onjuiste toepassing van artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De gezinssituatie
10. Eiser heeft verklaard dat hij vanuit Bulgarije na zijn statusverlening heeft verzocht om nareistoestemming voor zijn echtgenote en hun kind. De Bulgaarse autoriteiten hebben deze toestemming verleend. De echtgenote en hun kind zijn echter niet naar Bulgarije gekomen, maar naar Nederland. Dit heeft volgens eiser te maken met de veronderstelling van zijn echtgenote dat haar twee kinderen uit een eerder huwelijk zijn ontvoerd en in Nederland zouden verblijven. De echtgenote wil in Nederland aangifte doen van kinderontvoering en pogingen doen om haar kinderen op te sporen. Zij heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend voor haarzelf en het kind van haar en eiser. Eiser wenst bij hen te verblijven en stelt dat terugzending naar Bulgarije een inbreuk is op zijn recht op familie- en gezinsleven.
10. De rechtbank stelt vast dat de verblijfsprocedure van de echtgenote en het kind van haar en eiser procedureel los staat van de procedure hier in geschil. Wel is het zo dat beide procedures met elkaar verweven zijn door het bestaan van gezinsleven tussen eiser, zijn echtgenote en hun kind. De rechtbank dient daarom te beoordelen in hoeverre het bestreden besluit een inbreuk maakt op het gezinsleven van eiser en dient daarbij ook de situatie van de echtgenote te betrekken.
10. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de betrokkenheid van eiser bij de kinderen van zijn echtgenote uit haar eerdere relatie, is de rechtbank van oordeel dat de situatie en de belangen van deze twee kinderen in deze procedure geen rol spelen. Zij hebben immers nooit deel uitgemaakt van het gezin van eiser, en vallen daarom niet onder de bescherming die artikel 8 van Pro het EVRM aan het familie- en gezinsleven van eiser biedt.
13. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit geen inbreuk maakt op het familie- en gezinsleven van eiser. De echtgenote en hun kind hebben van de Bulgaarse autoriteiten toestemming gekregen om in Bulgarije bij eiser te verblijven en niet is gesteld dat er objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven in Bulgarije uit te oefenen. Voor zover nodig verwijst de rechtbank naar hetgeen hierboven is overwogen over de verblijfsomstandigheden van eiser in Bulgarije.
13. De rechtbank is verder van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat de aanwezigheid van de echtgenote van eiser in Nederland noodzakelijk is voor het doen van aangifte van kinderontvoering en de daarop volgende procedure. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat haar aanwezigheid in Nederland noodzakelijk is voor het achterhalen van de verblijfplaats van haar twee kinderen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom niet aannemelijk gemaakt dat zij niet met eiser in Bulgarije kan verblijven en vanuit het buitenland de procedures met betrekking tot haar kinderen volgt.
13. Voor zover de echtgenote van eiser haar asielprocedure in Nederland wenst af te wachten en wordt gesteld dat hierdoor de gezinsband met eiser wordt verbroken, overweegt de rechtbank dat dit een (vooralsnog) tijdelijke situatie betreft.
16. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de minister de door eiser gestelde belangen heeft meegenomen bij de totstandkoming van het bestreden besluit en deze belangen voldoende heeft gewogen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

17. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als niet ontvankelijk.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen verblijfsvergunning krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
08 oktober 2025