Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Procesverloop
TBC-onderzoek wil meewerken, dat hij niet voldoet aan het paspoortvereiste en dat referente niet voldoet aan het middelenvereiste. Verweerder heeft aangenomen dat sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [1] tussen eiser en referente, maar heeft de belangenafweging in het nadeel van eiser laten uitvallen.
Beoordeling door de rechtbank
25 augustus 2022 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel. Dat betekent dat de nareisaanvraag op 25 november 2022 had moeten worden ingediend. Op 5 april 2023 heeft eiser de reguliere mvv-aanvraag ingediend. Dat is ongeveer vierenhalve maand na het verstrijken van de termijn voor de indiening van een nareisaanvraag. De vraag die voorligt is, voor zover verweerder de aanvraag als nareisaanvraag had moeten aanmerken, of referente een verschoonbare reden heeft voor de termijnoverschrijding. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft hierover in een uitspraak van 27 december 2018 overwogen dat de beoordeling van de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding geen belangenafweging is, maar dat wordt beoordeeld of de oorzaak van de termijnoverschrijding in redelijkheid aan de betrokkene kan worden toegerekend. [2] Een termijnoverschrijding kan bijvoorbeeld verschoonbaar zijn als deze het gevolg is van een fout van het desbetreffende bestuursorgaan of als de betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat hij het besluit, waartegen hij binnen een bepaalde termijn had moeten opkomen, niet heeft ontvangen. Fouten van een gemachtigde zijn in de regel geen reden om een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen. In Werkinstructie 2024/4 zijn verder instructies opgenomen hoe verschoonbaarheid van een nareisaanvraag moet worden beoordeeld.
TBC-verklaring heeft overgelegd. Volgens eiser kan het middelenvereiste hem niet worden tegengeworpen. Referente is pas kort in Nederland en voor haar is het onmogelijk is om op zo’n korte termijn werk te vinden. Eiser wijst op de uitspraak van de Afdeling van
3 juli 2023. [3] Volgens eiser volgt hieruit dat verweerder de vluchtelingenachtergrond moet meenemen in de beoordeling, ook als de nareisaanvraag te laat is ingediend. Eiser voert aan dat verweerder in ieder geval beter had moeten motiveren waarom geen sprake is van vrijstelling van het middelenvereiste. Verweerder heeft dat nu pas gemotiveerd in het verweerschrift.
nietmag tegenwerpen als de driemaandentermijn bij een nareisaanvraag is overschreden. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn standpunt dat verweerder beter had moeten motiveren waarom geen sprake is van vrijstelling van het middelenvereiste. Verweerder heeft in het verweerschrift namelijk overwogen dat op grond van artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn lidstaten een individuele beoordeling moeten maken. Verweerder heeft hierbij gesteld dat zij een ruime beoordelingsmarge hebben bij de toepassing van dit artikel, waarbij zij zijn gebonden aan artikel 8 van Pro het EVRM en artikel 7 van Pro het Handvest. Verweerder heeft gesteld dat de belangen zijn meegewogen en afgewogen tegen de belangen van de Nederlandse staat, waaronder de omstandigheid dat referente niet voldoet aan het middelenvereiste. Verweerder heeft benadrukt dat het voor referente niet onmogelijk is om in de toekomst aan het middelenvereiste te voldoen en dat het van referente verwacht mag worden dat zij een baan gaat zoeken, nu zij al sinds 2021 in Nederland is en sinds augustus 2022 een verblijfsvergunning heeft. De rechtbank is van oordeel dat hieruit volgt dat verweerder wel een individuele beoordeling heeft gemaakt ten aanzien van de vrijstelling van het middelenvereiste en acht deze beoordeling ook voldoende. Voor zover eiser er op heeft gewezen dat deze individuele beoordeling pas in het verweerschrift is gemaakt, volgt de rechtbank eiser niet. Verweerder heeft weliswaar in het verweerschrift de individuele beoordeling nader toegelicht, maar heeft ook in het bestreden besluit al de belangen gewogen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het middelenvereiste aan eiser heeft kunnen tegenwerpen.
TBC-verklaring nog niet meegenomen in de belangenafweging. Volgens eiser moet verweerder daarom een nieuwe belangenafweging maken.
TBC-vereiste eiser niet meer heeft tegengeworpen, ook niet in de belangenafweging. Verweerder hoeft geen nieuwe belangenafweging te maken.
TBC-verklaring niet heeft overgelegd. In het bestreden besluit is de afwijzingsgrond komen te vervallen. In bezwaar heeft eiser daarnaast een beroep gedaan op het nareisbeleid en verweerder verzocht zijn reguliere mvv-aanvraag aan te merken als een nareisaanvraag. Eiser had dit nog niet eerder aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet hierop, zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. Uit hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd en heeft overgelegd was namelijk niet direct duidelijk dat dit niet tot een ander standpunt kon leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Daarmee is sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
mr.I.G.A. Karregat, griffier.